Duivels onder het kerkdak; De gargouilles van de Notre-Dame

In de film 'The Hunchback of the Notre Dame' wordt hoofdpersoon Quasimodo terzijde gestaan door drie gargouilles, die grappend en grollend door de kerk huppelen. In werkelijkheid hangen ze in groten getale aan de Parijse kathedraal om het overtollige water af te voeren. De gotische beeldhouwers lieten hun fantasie los op de waterspuwers, zodat ze eruit kunnen zien als mythische dieren, duivels of honden met wijd opengesperde muilen. “In het stenen dierenrijk heerste artistieke vrijheid, hier kon de beeldhouwer God de Schepper nadoen.”

Gargouilles zijn de verstotenen van de kunstgeschiedenis. Boeken vol zijn er geschreven over de bijbelse figuren, heiligen, koningen en al die andere mensen die de portalen en gevels van de gotische kathedralen sieren. Maar de gargouilles moeten het, als ze al worden genoemd, doen met een paar regels. Toch zijn ze populair. Iedereen kent ze, de waterspuwers die overal in Europa aan de gotische bouwwerken hangen. Het is dan ook geen grote vondst van de makers van The Hunchback of the Notre Dame, de populaire tekenfilm van Walt Disney naar Victor Hugo's roman Notre-Dame de Paris, om drie gargouilles bevriend te laten zijn met Quasimodo, de gebochelde klokkenluider die hoog in de Parijse kathedraal woont. Victor, Hugo en Laverne heten de drie en ze dienen, al grappend en grollend, Quasimodo van advies. Beenloos en onbeholpen huppelen ze door de hoge ruimtes van de Notre Dame om ogenblikkelijk te verstenen als er iemand anders dan Quasimodo aan komt. In de Disney-wereld vormen ze een verademend tegenwicht voor de weeheid van Quasimodo, de door hem aanbeden zigeunerin Esmeralda en vooral de verschrikkelijk nobele, blonde ridder.

'Gargoyles' worden de stenen, sprekende handlangers van Quasimodo genoemd in The Hunchback of the Notre Dame, maar strikt genomen zijn ze dat niet. De grappenmakers lijken meer op de 'chimères', de niet-waterspuwende fantasiebeesten op de galerij van de Notre-Dame, die nu helaas wegens een opknapbeurt niet toegankelijk is. Ook vanaf de grond zijn ze nauwelijks waarneembaar, door de steigers met doeken die voor de kerk zijn geplaatst. Maar op vele ansichtkaarten is nog wel te zien hoe ze eruit zien. Een, die blijkens de kaart de bijnaam 'het knaagdier' heeft, is een kwaadaardig, katachtig beest dat een prooi aan het verslinden is. Andere chimères, voorzien van grote oren, vogelbekken, hoorns, mensenarmen en een lange behaarde onderkant, staan iets gebogen over de balustrade naar beneden te kijken. Weer een andere is een vrij gewone vogel met roofsnavel die toevallig op de Notre-Dame lijkt neergestreken. De bekendste is 'le penseur', het duivelachtige monster met vleugels, hoorns en een snavel dat met de handen onder zijn kin in diep gepeins verzonken over de stad uitkijkt.

Afvoergoten

Van de echte gargouilles bestaan geen ansichtkaarten, maar zij zijn nog wel ongehinderd te zien. Overal aan de Notre-Dame zitten ze: boven, aan de hoeken van de twee torens, halverwege de voorgevel aan de galerij vlakbij de chimères, en ook een paar onderaan de torens. Maar vooral op en bij de steunberen die de buitenmuren van het middenschip ondersteunen. De meesten bevinden zich op een zodanige hoogte dat een verrekijker nodig is om de precieze trekken vast te stellen. Dan is te zien dat werkelijk elke van de honderden gargouilles anders is. Veel zijn fantasiedieren, monsters samengesteld uit verschillende bestaande en mythische dieren zoals griffioenen en centaurs. Maar de meeste gargouilles zijn vrij normale honden, met wijd opengesperde muilen, grote ogen en oren en merkwaardig langgerekte lijven. Sommige waterspuwers hebben met vleermuisvleugels en horens duivelse trekken gekregen. Aan de zuidzijde van de kerk zit een serie duivelse gargouilles met mensenhoofden onder zich. Ertussen duikt plotseling het omgekeerde op, een mensengestalte met een duivels hoofd onder de voeten. De Notre-Dame kent trouwens wel meer menselijke gargouilles. Sommige hebben alleen mensengezichten maar aan de noordzijde is, niet ver van een plastic buis die als provisorische gargouille dient, ook zonder verrekijker een oude, kromme man met stok te zien.

De ontstaansgeschiedenis van de gargouilles is eenvoudig. Voor 1190 bestonden gargouilles niet, pas omstreeks 1210 kregen gotische kerken aan de uiteinden van afvoergoten langwerpige holle beelden met dierlijke trekken om het water zo ver mogelijk van de muren te laten wegstromen. Om de kracht van de waterstralen te verminderen, werden in de loop van de tijd steeds meer gargouilles aan de afvoergoten bevestigd. En om het water zo ver mogelijk van de muren te laten neerkletteren, werden hun lijven steeds langer en verfijnder. Zo zitten aan de Saint-Chapelle, niet ver van de Notre-Dame, langgerekte monsters die hun kop afwenden en soms zelfs een hand aan hun keel houden, alsof ze op ons kotsen. Aan de Notre-Dame verschenen in 1225 de eerste gargouilles, vanaf 1240 werden ze systematisch toegepast.

Veel onduidelijker is de betekenis van de gargouilles. Een gebruikelijke opvatting is dat ze dienen om demonen die de kerk belagen, schrik aan te jagen. Maar zeker is dit niet, want waarom zijn sommige gargouilles dan bijvoorbeeld gewone mensenbeelden? Een andere theorie is dat ze juist dienen om voorbijgangers te herinneren aan hun zonden en aan de mogelijke verschrikkingen die hen op de Dag des Oordeels staan te wachten. Tenslotte zien veel gargouilles er als duivels uit. Tegen deze theorie pleit weer dat de meeste gargouilles hoog zitten en de angstaanjagende duivelse trekken met het blote oog nauwelijks waarneembaar zijn: waarom dan zoveel moeite voor zo weinig effect, een gedachte die je wel vaker bekruipt bij het zien van gotische kerken. Een derde mogelijkheid is dat ze zowel demonen als mensen angst in moesten boezemen en dus, als zovele dieren in de Middeleeuwen, een dubbele of zelfs tegengestelde betekenis hadden.

Maar misschien moet er eenvoudigweg niet teveel achter de gargouilles worden gezocht. In ieder geval was ook veel Middeleeuwers lang niet altijd duidelijk wat al die beesten betekenden. Bernardus van Clairvaux, voorman van de Cisterciënzers en pleitbezorger van eenvoudige, onversierde kerken en kloosters, noemde ze 'absurd'. 'Hier ziet men een beest dat van voren paard en van achteren geit is, daar ziet men een wezen dat van voren gehoornd is en van achteren paardachtig', schreef hij in 1125, toen er weliswaar nog geen gargouilles bestonden, maar kerken wel al werden versierd met soortgelijke beelden van dieren. 'Er is, kortom, overal zo'n overvloedige en verbazende variëteit aan tegengestelde vormen te zien, dat men liever in het marmer leest dan in de boeken en liever de hele dag doorbrengt met het bewonderen van elk van hen dan met het overpeinzen van de wetten van God. Goede God! Als men zich dan niet schaamt voor de absurditeit, dan moet men zich toch zeker bezwaard voelen over de kosten ervan.'

Misschien maakten de anonieme gotische beeldhouwers slechts zoveel werk van de gargouilles, omdat ze zich er in konden uitleven en bedoelden ze er verder niet veel mee. Voor de uitbeelding van heiligen bestonden allerlei voorschriften, maar bij het vervaardigen van de gargouilles en andere beestenbeelden hoefden ze zich hiervan niets aan te trekken. In het stenen dierenrijk heerste artistieke vrijheid, hier kon de beeldhouwer God de Schepper nadoen en dierenonderdelen naar willekeur samenvoegen tot nooit geziene, nieuwe wezens.

Steunberen

Voor de gargouilles van de Notre-Dame is de vraag naar de precieze middeleeuwse betekenis ervan trouwens onbelangrijk. Maar een paar waterspuwers dateren uit de Middeleeuwen en die zijn in de vorige eeuw grondig gerestaureerd en veranderd. Vrijwel alle gargouilles zijn, net als de chimères op de galerij, niet middeleeuws maar negentiende-eeuws. Ze zijn ontworpen door Eugène Viollet-le-Duc (1814-1879), de belangrijkste Franse voorvechter van de neogotiek die vele kerken en kastelen in Frankrijk heeft gerestaureerd. Er is altijd veel kritiek geweest op zijn rigoureuze opvattingen. Zeker nu aan het eind van de twintigste eeuw authenticiteit bij restauraties de norm is geworden, is het verbazend om te zien hoeveel vrijheden Viollet-le-Duc zich permitteerde. Er bestaan foto's van de zijkanten van de Notre-Dame van voor en na Viollet-le-Ducs restauratie en de verschillen zijn verbluffend. De Notre-Dame uit 1845 maakt de indruk van een kale kip. Armoedig zijn de muren, bouwvallig de steunberen en schaars de gargouilles. Maar in 1865 hebben alle steunberen pinakels gekregen, zijn alle kapellen voorzien van rijk geornamenteerde tympanen en zijn de gargouilles niet te tellen. Zelfs de grote rozetvensters heeft Viollet-le-Duc grondig onder handen genomen. Authentiek zijn de restauraties vast en zeker niet, maar overtuigend zijn ze wel: ja, zo hoort een gotische kerk te zijn, denk je bij het zien van de foto uit 1865.

Al tijdens zijn leven was er veel kritiek op de talloze grote veranderingen van de Notre-Dame. Viollet-le-Duc had hierop een eigenzinnig antwoord. 'Een gebouw restaureren - dat is niet het onderhouden, het repareren of het opnieuw maken. Restaureren - dat is het brengen van een gebouw in een volledige staat die misschien nooit heeft bestaan', schreef hij.

Viollet-le-Duc is een van die kunstenaars die zoveel hebben gemaakt en gedaan dat ze je het gevoel geven dat je je leven aan het verknoeien bent. Niet alleen maakte hij honderden ontwerpen voor nieuwe gebouwen en restauraties, ook formuleerde hij een rationalistische architectuurtheorie die hem tot de belangrijkste negentiende-eeuwse voorloper van de modernistische architectuur maakte. Bovendien is hij de auteur van de Dictionaire d' architecture française, een kolossaal, tiendelig werk dat in tekst en vele gravures de hele Franse architectuurgeschiedenis behandelt. Geen detail blijft ongenoemd: alles, van keukengerei tot meubels, van preekstoelen tot kathedralen, heeft hij onderzocht en beschreven.

Ook aan gargouilles wijdt Viollet-le-Duc een hoofdstuk. Hij schetst de ontwikkeling van korte, gedrongen waterspuwers tot langgerekte mensen- en dierengestalten en merkt op dat ze eerst uit twee delen bestonden en later uit één hol geheel. Ze kunnen allerlei vormen aannemen, schrijft hij. Dit laat hij zien met illustraties van gargouilles uit heel Frankrijk, maar vooral uit Parijs want daar kon men de mooiste vinden. Het zijn deze voorbeelden die de basis vormden voor de gargouilles van de Notre-Dame.

Voor de gargouilles van zijn tijdgenoten had Viollet-le-Duc weinig goede woorden over. 'Bij de moderne pastiches die men bij de moderne, gotische gebouwen heeft gemaakt, ziet men zeer zelden gargouilles die zich op een gelukkige wijze verbinden met de architectuur', schrijft hij. 'Ze zitten op de verkeerde plaatsen, of zijn te zwaar of te spichtig of te week van vorm. Het zijn povere verzinsels zonder karakter. Ze missen dat wat de oude voorbeelden zo opmerkelijk maakte: onmogelijke wezens, vaak belachelijk, grove karikaturen, ontdaan van stijl.' Maar net zoals Clairvaux' pleidooi voor sobere kerken weinig effect had, zo heeft ook Viollet-le-Ducs afkeuring weinig geholpen: tot op de dag van vandaag worden gargouilles gemaakt. Vooral in Engeland is de traditie hardnekkig en worden gotische kerken nog vaak voorzien van nieuwe gargouilles, meestal in de vorm van niet spuwende mensenkoppen. Onlangs werd er zelfs een proces gevoerd over een aantal 'spitting images', die een parochie in het Engels plaatsje Oundle op hun St. Petrus Kerk wilde aanbrengen. Enkele conservatieve parochianen vonden het ongepast om de vroegere bisschop van Peterborough en een ex-dominee als gargouille te vereeuwigen, omdat beide personen nog leefden. Dit was afgoderij, vonden zij, maar de kerkelijke rechtbank van het diocees Peterborough oordeelde in een 87 pagina's tellende uitspraak dat het was toegestaan om de 10 centimeter grote hoofden van de twee kerkelijke leiders op een hoogte van ruim 5 meter aan te brengen op de dertiende-eeuwse kerk.

Gloeiend lood

Ook in Victor Hugo's roman Notre-Dame de Paris komen gargouilles voor. Zo laat Quasimodo gloeiend lood uit de spuwers stromen als de Parijse meute de van moord beschuldigde Esmeralda opeist, die door de klokkenluider verborgen wordt gehouden. Maar tot een echt verbond der verstotenen, zoals in de Walt Disney-film, komt het niet. Wellicht was Hugo niet op het idee gekomen om Quasimodo vriendschap te laten sluiten met de gargouilles van de tekenfilmmakers, omdat de Notre Dame in 1832, toen hij zijn roman publiceerde, nog niet zo gek veel gargouilles had.

Wel gebruikte hij het boek om te klagen over de staat waarin de Notre-Dame verkeerde. 'Het is moeilijk om niet te zuchten en zich boos te maken over de talloze vernederingen en verminkingen, die de tijd en de mensen het eerbiedwaardige monument hebben aangedaan. (-) Er zijn beslist weinig mooiere bladzijden in de architectuur dan deze kerk, een omvangrijke symfonie van steen.' Deze verzuchting was geen toeval: Victor Hugo was een fanatiek verdediger van de middeleeuwse gebouwen die in de negentiende eeuw plaats moesten maken voor stadsvernieuwing. La Guerre aux demolliseurs was de duidelijke titel van een pamflet dat hij schreef tegen de Parijse sloopwoede. Zijn oorlog had succes en leidde tot de oprichting van een comité voor de restauratie van middeleeuwse bouwwerken, waarvan Hugo zelf prominent lid was. In 1844 werd ten slotte een prijsvraag uitgeschreven voor het herstel van de Notre-Dame, die, waarschijnlijk niet toevallig, werd gewonnen door Hugo's vriend Viollet-le-Duc en diens collega Lassus. Twintig jaar duurde de verbouwing van de Notre-Dame, die na het overlijden van Lassus in 1857 door Viollet-le-Duc alleen werd voltooid. Zo werd Hugo de grootvader van de gargouilles en chimères van de Notre-Dame, en zo heeft de schrijver van Notre-Dame de Paris zelf gezorgd voor de inspiratiebron van verreweg de grappigste figuren in de tekenfilm die Amerikanen 164 jaar later naar zijn boek maakten.