Het liberalisme vertoont totalitaire trekken

Het liberalisme is van origine voor alles de beweging voor vrijheid en democratie. In de liberale praktijk draait het volgens J.D. Dengerink echter vóór alles om economische macht. Deze machtsstrijd vormt een bedreiging voor de vrijheid van de burgers en het publieke belang.

Heeft het liberalisme totalitaire trekken? Op het eerste gezicht lijkt dit een puur retorische vraag. Immers, het liberalisme is voor alles de beweging voor vrijheid en democratie.

Hoe heeft deze beweging echter uitgewerkt? Van het laatste hebben we een voorproefje in de negentiende eeuw. Het vrijheidsdenken heeft geleid tot een verzwakking van het in veel landen overheersende, autocratische vorstendom. Daarnaast heeft het evenwel vooral vorm gekregen in het vrije ondernemerschap, dat zich in het bijzonder uitleefde in de industriële revolutie. Het resultaat was een verpaupering van een groot deel van de bevolking, waarvoor van vrijheid geen enkele sprake was.

Gelukkig zijn er tegenbewegingen opgekomen, de sociaal-democratie en de christelijk-sociale beweging, terwijl ook in liberale kring een meer sociale beweging kwam. Dit heeft geleid tot een groeiend systeem ter bescherming en ondersteuning van de zwakken, met als uitloper de inmiddels uit zijn voegen gebarsten verzorgingsstaat.

De laatste tien jaar is het tij evenwel snel gekeerd, waarbij soms zeer radicale geluiden worden gehoord. Verzelfstandiging en privatisering zijn de wachtwoorden voor de toekomst geworden. Daarbij valt op dat het streven naar verzelfstandiging en privatisering steeds meer tot een doel in zichzelf wordt, dat wil zeggen zonder dat men zich afvraagt of het publiek belang daarmee gediend is.

De verzelfstandiging, eventueel zelfs privatisering, van typische overheidsdiensten, leidt uiteraard tot instellingen met een monopoliepositie, zonder dat van enige politieke controle sprake is, met alle mogelijke corruptieve gevolgen daarvan, en daarmee in feite tot ontbinding van de staat als gemeenschap van burgers en overheid tot behartiging van het algemeen of publiek belang.

Met de in gang zijnde of reeds voltooide privatisering van een aantal staatsbedrijven (Postbank, KPN, openbaar vervoer, openbare nutsbedrijven) heeft de overheid bij voorbaat belangrijke instrumenten voor de ontwikkeling van een integraal politiek beleid uit handen gegeven. Het lijkt of de vraag naar het algemeen belang in deze zelfs niet is gesteld. De overheid verkeert terzake blijkbaar in een dwangneurose. De president-directeur van de Nederlandse Spoorwegen spreekt zelfs van een onomkeerbaar proces.

Inmiddels hebben als gevolg van deze typische liberale politiek - waaraan helaas ook CDA-ministers tijdens de kabinetten-Lubbers ijverig hebben meegewerkt - enkele van genoemde instellingen reeds hun weg gevonden in het hoog-kapitalistische circuit. Dat in dit circuit geen plaats is voor waarachtige vrijheid en democratie voor de burgers, zal de enigszins serieuze krantenlezers inmiddels wel duidelijk zijn. Als ergens machtsconcentratie plaatsvindt, is het wel daar.

De leiders van de grote ondernemingen gedragen zich dikwijls als halfgoden, die hun eigenlijke werk verrichten in de volstrekt ontoegankelijke, hemelse gewesten van de directiekamers. Daar vallen telkens weer de eigenlijke beslissingen over het lot van honderden, ja duizenden mensen, die als schaakstukken fungeren, alsook over miljoenen, ja miljarden guldens. Economische motieven zijn daarbij volstrekt alleenheersend.

De enige tijd geleden afgetreden president-directeur van Elsevier, gevraagd naar de doelstelling van zijn onderneming, antwoordde onverbloemd: “Winst, winst, winst”. De president-directeur van de NS spreekt van het leveren van een produkt dat winst moet opleveren. Deze winst is op het ogenblik nog te klein en moet worden opgevoerd om de beoogde beursgang mogelijk te maken.

Blijkbaar is niet, als vrucht van de nodige verbeeldingskracht, de mogelijkheid overwogen de NS te laten doorgaan als een bedrijf dat onderdeel vormt van een goed geïntegreerd openbaar-vervoerssysteem dat gericht is op het welzijn van alle burgers. Dit zou ook in strijd komen met het ideaal van de minister voor Verkeer en Waterstaat, die met ware hartstocht een volledige privatisering van het openbaar vervoer voorstaat, ons zo in naam van een progressief liberalisme terugvoerend, naar de situatie van voor 1930.

Het getuigt alles van een zorgwekkend verkokerde denk- en belevingswereld, waarin geen open oog meer is voor een samenleving in allerlei verbanden, in welke wij in verscheidenheid van functies en daarbij horende talenten het als mensen met elkaar moeten doen en in welke zelfs de hoogstgeplaatsten niet meer zijn dan de hoogste dienaren. In het liberalisme gaat het echter vóór alles om de economische macht.

Als gevolg van dit beginsel zien we een intensieve machtsstrijd zich ontwikkelen tussen de grote ondernemingen. Uiteindelijk leidt deze tot dikwijls gigantische fusies en dus machtsconcentraties, die volstrekt oncontroleerbaar zijn. Ook hier zijn het de enkelingen die als halfgoden achter gesloten deuren de grote beslissingen nemen.

Het maximum wat de gewone burger kan doen is toekijken. Voorzover hij dit nog enigszins doet, wordt hij dikwijls met schrik bevangen. In dit proces openbaren zich namelijk typische totalitaire tendensen, nu niet in de vorm van de politiek, maar in die van de internationale machten van het grootkapitaal. Deze gaan een bedreiging vormen van de burgers en, mede als gevolg van de voortgaande commercialisering, van de niet-economisch gekwalificeerde verbanden.

Hier dient ook genoemd te worden het hondsbrutale opdringen van de reclame in alle uithoeken van de samenleving. Zij zijn ook een bedreiging voor het noodzakelijk onafhankelijk optreden van de staatsoverheid als behartiger bij uitstek van het algemeen belang. Eén en ander als direct gevolg van het feit dat niet het centrale, de mens van zichzelf bevrijdende gebod tot dienstbaarheid, maar het volstrekte zelfbeschikkingsrecht van de individuele mens als fundamentele drijveer wordt aanvaard.

Het liberalisme vertoont echter ook andere totalitaire, te weten etatische trekken. Ik noem slechts twee gebieden: onderwijs en omroep. In het onderwijs is sprake van een onmiskenbare centralistische tendens. Deze betekent naar de kern een aanval op de eigen identiteit van de instellingen. De vraag kan gesteld worden of die instellingen die inderdaad aan eigen identiteit hechten (helaas is dit niet steeds het geval) niet, als in de negentiende eeuw, opnieuw een schoolstrijd tegemoet gaan.

Wat de omroep betreft, het gaat de Nederlandse overheid blijkbaar niet om een zorgvuldige bescherming tegen allerlei commercieel geweld van wat via niet-commercieeel gekwalificeerde organisaties in deze eeuw op unieke wijze is opgebouwd. De voorstellen van de staatssecretaris, die volgens VVD-leider Bolkestein nog niet ver genoeg gaan, leiden onmiskenbaar in de richting van een staatsomroep. Daarin wordt nog wel enige vrijheid gelaten voor diverse geestelijke richtingen, maar het geheel wordt centraal georganiseerd.

Ook hier openbaart zich weer de verkokering in de liberale visie op de samenleving. Daarin is slechts plaats voor twee fundamentele grootheden: het individu, met als verlengde de vrije markt, en de staat. De ogen blijven gesloten voor een werkelijk vrije, plurale samenleving, waarin plaats is voor een grote verscheidenheid van samenlevingsverhoudingen en -verbanden, welke elk haar eigen normatief bepaalde taak hebben.

Deze verkokering komt ook hierin tot uitdrukking, dat het liberalisme 'democratie' en 'vrije markt' aanvaardt als de criteria bij uitstek, aan de hand waaraan de samenleving in Oost-Europa en elders in de wereld moet worden opgebouwd. Dit standpunt getuigt van een fundamentele miskenning van de complexiteit en de in veel opzichten historische bepaaldheid van de menselijke persoonlijkheid en van de samenleving waarin deze haar plaats heeft. De werkelijkheid waarvan wij deel uitmaken, is gelukkig veel rijker geschakeerd en gestructureerd dan het liberalisme ons doet vermoeden.