Huizinga en het lijden aan de tijd

In de Leidse Pieterskerk werd gisteravond voor de 25 ste keer de Huizinga-lezing gehouden. Reden voor de spreker van dit jaar, de historicus H.L. Wesseling om de rede aan Huizinga zelf te wijden. Zoekt professor Huizinga eigenlijk niet zichzelf, was indertijd de vraag. Een aanzet tot het antwoord.

Dit is een bekorte versie van de Huizinga-lezing van prof. H.L. Wesseling.

Zes weken voor het verschijnen van Huizinga's In de schaduwen van morgen viel het Martinus Nijhoff op dat de aankondigingen ervan al in de boekhandels hingen. Jan Romein vertelt ergens dat een deftige dame tegen een andere dame zou hebben gezegd: “Heb je het nieuwste boekje van Huizinga al gelezen, zeg, snoezig gewoon.” Jacques de Kadt dreef er de spot mee in het stuk dat hij onder de niet onaardige titel De deftigheid in het gedrang over 'De Schaduwen' schreef. De Kadt zag niet veel in dit werk van Huizinga en hij vroeg zich dan ook af of dat geen reden was “het boek te laten voor wat het is: een modeprodukt dat één seizoen als bestseller' wedijvert met Vrouw Jacob en met al die andere geweldige romans, die na een maand reeds vergeten zijn (...) Het is onmogelijk, want Huizinga's geschrift, ofschoon van nature geen blijvertje, is met alle mogelijke middelen tot een couveusekindje van de roem gemaakt - het wordt kunstmatig in het leven gehouden en het wordt snel opgekweekt omdat er behoefte is aan een wonderkind van Nederlands geestesmerk - althans fabrikaat”.

Jacques de Kadt had in beide opzichten gelijk: 'In de schaduwen van morgen' zou inderdaad geen blijvertje blijken te zijn, maar het boek werd wel een onverbiddelijke bestseller. De eerste druk verscheen in oktober 1935 en was in één week uitverkocht. In januari 1936 waren er al twintigduizend exemplaren van verkocht. Het boek verscheen nog in hetzelfde jaar (1935) in Bern, in het Duits, vertaald door de trouwe Kaegi. Het volgend jaar kwam het uit in het Engels, vertaald door zijn zoon J.H. Huizinga, alsmede in het Spaans, vertaald door zijn dochter M. de Meijere-Huizinga: een echt familiebedrijf dus! Vertalingen in het Zweeds, Italiaans, Noors, Hongaars, Tsjechisch en ten slotte ook in het Frans volgden. In 1936 schreef een Engelse vriendin aan Huizinga dat zij gehoord had dat hij 'the most famous man in Holland' was. Dat was nauwelijks overdreven.

Dit alles heeft voor ons niets verbazingwekkends, Huizinga is immers nog steeds wereldberoemd. Er verschijnen aan de lopende band studies en dissertaties over hem. Er worden instituten en lezingen naar hem genoemd. Ja, er is een ware wedren om zijn naam aan iets verbonden te krijgen. Hij wordt thans op dit gebied alleen nog overtroffen door Huygens, Erasmus, Grotius, Spinoza en de Almachtige zelf.

Huizinga's hedendaagse roem berust vooral op Herfsttij der Middeleeuwen, een omvangrijk boek van grote geleerdheid, waaraan hij vele jaren heeft gewerkt. Dit boek werd echter aanvankelijk met grote aarzeling ontvangen en raakte pas na geruime tijd in het buitenland bekend. 'In de schaduwen van morgen' daarentegen, een boek van nauwelijks tweehonderd bladzijden, dat hij in enkele maanden tijds schreef, maakte hem tot een man van wereldfaam en tot een van Europa's bekendste intellectuelen.

Tegenwoordig is het precies andersom. Huizinga geniet thans faam als cultuurhistoricus, maar als cultuurcriticus is hij vergeten. Toch is het over dit aspect van zijn werk dat ik het wil hebben. De reden daarvoor is dat het een interessant licht werpt op de tijd waarin het ontstond en op de verschillen tussen die tijd en de onze.

'In de schaduwen van morgen' is ongetwijfeld Huizinga's bekendste cultuurkritische studie, maar het is noch zijn eerste noch zijn enige werk op dit gebied. In oktober 1933 hield hij voor het Comité voor Kunst en Letteren van de Volkenbond een voordracht over de toekomst van de Europese geest. Men kan deze voordracht, die gevolgd werd door een discussie met vooraanstaande Europese intellectuelen als Julien Benda, Aldous Huxley, Paul Valéry en anderen, beschouwen als Huizinga's eerste schrede op het pad der contemporaine cultuurkritiek. In feite zijn de twee hoofdthema's van de 'Schaduwen' in de laatste alinea van dit betoog reeds terug te vinden. In de eerste zin van deze alinea lezen wij de waarschuwing: “Europa staat heden ten dage bloot aan meer dan een kracht die het bedreigt met een terugvallen in de barbarie.” En in de laatste zin staat de aanbeveling: “Alleen het praktiseren van de moraal, zowel door de gemeenschap als door het individu, zal onze arme wereld, die zo rijk is maar ook zo ziek, kunnen genezen.” Heel het latere werk is niet meer dan een uitwerking van deze twee thema's.

De titel van het boek, 'In de schaduwen van morgen', die waarschijnlijk door Henriette Roland Holst is gesuggereerd, geeft al een indicatie. Het gaat om de toekomst van de cultuur en die ziet er niet goed uit. De ondertitel Een diagnose van het geestelijk lijden van onzen tijd, maakt dit nog duidelijker. Het boek gaat over lijden en de schrijver beschouwt zichzelf kennelijk als een arts die dit lijden wil diagnosticeren. Ziehier de hoofdidee van het boek die in eenentwintig korte, soms zeer korte, hoofdstukken nader wordt uitgewerkt. In elk van die hoofdstukken wordt een van de kwalen van de toenmalige cultuur beschreven. Sommige thema's zijn uit het voorafgaande al enigszins bekend: de verzwakking van het oordeel (geïllustreerd aan cinema en reclame), de daling van de kritische behoefte (blijkend uit de rassentheorie en de ideeën van Freud), het misbruik van de wetenschap (tot uiting komend in geboortebeperking en bacteriologische oorlogvoering - op het eerste gezicht een verrassende combinatie), de verzaking van het kennisideaal (door de wil boven het weten te plaatsen), de cultus des levens (die resulteert in de overschatting van het aardse geluk en de desinteresse voor het hiernamaals), de verzwakking van de morele norm in de internationale gemeenschap (zoals die tot uiting komt in de leer van de amorele staat), het verval van morele normen in het particuliere leven (onkuisheid, verheerlijking van de ondeugd, romantisering van de misdaad), de cultus van het heroïsme (aangeduid als de “oppervlakkige vogue van Nietzsche's philosophie”), het puerilisme' (dat wil zeggen de verheerlijking van records, sport, spelletjes en van de jeugd), stijlloosheid en andere verkeerde kanten van de moderne kunst (Huizinga noemt het “de aesthetische expressie in haar verwijdering van rede en natuur” en dat klinkt aanzienlijk ingewikkelder, maar komt op hetzelfde neer).

Ten slotte bespreekt Huizinga de kansen op herstel. Sociale, politieke en economische hervormingen alleen zijn niet genoeg. Deze kunnen wel enkele problemen oplossen, maar als dezelfde geest blijft heersen als er heerst, zal de cultuur niet hersteld worden: “Een nieuwe geest is nodig”, “een inwendige loutering”, “de geestelijke habitus van de menschen zelf moet veranderen”. Zo staat het in het laatste hoofdstuk, dat 'Katharsis' heet. Om die katharsis te bereiken is een nieuwe ascese nodig, een “overgave (...) aan dat wat als hoogste te denken valt”, niet aan staat of volk of klasse of individueel geluk, maar aan “Hem die sprak: 'Ik ben de weg, en de waarheid, en het leven'.”

Zo zou het moeten gaan, maar zal het ook echt zo gaan? Daarover laat Huizinga zich niet uit. Het boek werd immers alleen als een diagnose gepresenteerd en een prognose of therapie mag men van hem dus niet vragen. Toch valt er wel iets van een prognose in te lezen (de patiënt is wel ziek, maar niet ten dode opgeschreven) en ook van een therapie (ascese en herbezinning worden voorgeschreven).

De hoofdgedachte van de 'Schaduwen' komt er dus op neer dat de cultuur in verval is en dat alleen een geestelijke, innerlijke regeneratie door de hervinding van een absolute, in het metafysische verankerde moraal dit verval kan keren. Deze opvatting vormt ook de kern van zijn tweede grote werk over de cultuurcrisis van zijn tijd, Geschonden wereld, dat tijdens de oorlog in moeilijke omstandigheden ontstond en kort na het einde van die oorlog, kort ook na zijn eigen levenseinde, in 1945 verscheen.

De reacties op 'Schaduwen' waren talrijk, maar lang niet altijd positief. Die van Jacques de Kadt hebben wij al gezien. Hij vond vrijwel alles fout aan Huizinga's boek. Diens cultuurkritiek werd volgens hem slechts ingegeven door de benauwdheid van de deftige burger die zijn voorrechten in gevaar gebracht zag. Soortgelijk commentaar kwam uit de mond van Jan Romein, wat niet verwonderlijk is, want hij en De Kadt behoorden, toen althans, min of meer tot hetzelfde linkse kamp. Romein schreef dat Huizinga “in zijn welbekende 'Schaduwen' (...) in een helaas ietwat roestige wapenrusting tegen de goden dezer eeuw' was opgetrokken”.

Ook Menno ter Braak, om een andere kritische geest te noemen, dreef de spot met het werk van zijn verre neef met wie hij, net als Romein, een wat moeizame relatie onderhield. “Het is ongetwijfeld hier en daar een belangrijk en boeiend boek”, schreef hij in een brief aan zijn vriend Du Perron, “maar de toon van de Leidse papa blijft intens hinderlijk.” In het openbaar was Ter Braak positiever, zoals uit zijn recensie in Het Vaderland blijkt. Er zijn zelfs passages in de 'Schaduwen' die hij “onvoorwaardelijk” bewondert.

Al deze kritiek betrof het conservatieve karakter van Huizinga's cultuurkritiek. Ook de dichter en mede-Gids-redacteur Martinus Nijhoff vond dat Huizinga zijn tijd niet goed begreep en met name de mechanisatie ten onrechte afwees.

Naast kritiek uit linkse hoek was er ook kritiek van rechts, althans als wij de nationaal-socialist dr. R. van Genechten zo mogen aanduiden. Deze schreef een groot stuk in Nieuw Nederland, dat hij ook als brochure publiceerde bij de Nederlandse Nationaal Socialistische Uitgeverij onder de titel Tegen Huizinga - Uit de nevelen van gisteren. Het is niet zo vreemd dat deze nationaal-socialistische intellectueel zich tegen Huizinga keerde, want deze had in zijn boek het fascisme en nationaal-socialisme krachtig bekritiseerd. Het is wel interessant te zien dat Van Genechtens kritiek op Huizinga eigenlijk niet zoveel verschilt van die van De Kadt, Romein en andere linkse auteurs, omdat ook hij betoogt dat Huizinga zijn eigen tijd niet begreep.

'Schaduwen' is eerst en vooral een boek dat karakteristiek is voor de tijd waarin het ontstond. Huizinga's boek over het geestelijk lijden van zijn tijd was er een uit vele. Er bestond in de jaren dertig veel echt leed, met name in de vorm van armoede en werkloosheid. Maar er werd ook veel geleden aan de tijd. Die tijdskritiek begon al in de jaren twintig, terwijl die jaren toch geacht worden vrolijk, zo niet 'roaring', te zijn geweest. Zo hield Bolland in 1921 zijn vermaarde lezing over 'De teekenen des tijds'. Bollands conclusie was: “Eene beschaving die zoo is verlopen moet bestemd zijn om door zelfverkankering aan haar einde te komen, een einde vol smerigheid, stank en verrotting.” Dat was forse taal, maar dit was nog maar het begin. Er verschenen over dit thema tal van grote werken, met Oswald Spenglers Der Untergang des Abendlandes als bekendste.

Men kan zonder overdrijving zeggen dat de jaren dertig een ware explosie van crisisstudies te zien hebben gegeven. Dit was beslist geen 'tandeloze tijd'. Integendeel, het was een tijd die zijn tanden liet zien. W.J. Aalders (om met Nederland te beginnen) publiceerde in 1934 zijn De nood des tijds. Albert Verwey schreef in 1936 in Het Kouter over 'Het lijden aan de tijd', waarin hij overigens juist betoogde dat het lijden aan de tijd 'het eigenlijke kwaad' van die tijd was. De bekendste auteurs op dit gebied waren waarschijnlijk Ortega y Gasset en Julien Benda, maar er waren er meer. Ernst Jünger gaf zijn visie op de moderne mens in Der Arbeiter uit 1932. Henri Bergson publiceerde in datzelfde jaar zijn Les deux sources de la morale et de la religion en Jacques Maritain in 1936 zijn Humanisme intégrale. Henri Massis, een uitgesproken rechtse ideoloog, schreef zijn Défense de l'Occident. Massis stelde hierin het Westen tegenover het Oosten en verdedigde het Westen. Hij wilde volgens Menno ter Braak in feite terug naar de Middeleeuwen.

Ook bij dichters en schrijvers als Yeats en Eliot vindt men klachten over het verval van de beschaving en opvattingen over de oorzaken hiervan, alsook over de mogelijkheden tot herstel door de introductie van autoritaire en/of aristocratische stelsels. Men kan de jaren dertig dan ook de gouden tijd van het intellectuele engagement noemen. Sommige van deze schrijvers engageerden zich aan de communistische ideologie en de Sovjet-Unie, anderen aan het fascisme of nationaal-socialisme. Maar er waren er ook die in deze bewegingen geen bevrediging vonden en zochten naar nieuwe oplossingen. Vandaar dat in deze jaren een rusteloos zoeken naar nieuwe wegen en vormen te zien was, dat met het begrip 'L'esprit des années trente' is gekarakteriseerd.

Voor sommigen was de crisis van de jaren dertig primair een sociaal-economische crisis, een crisis van het kapitalisme. Zij zochten naar nieuwe vormen van sociaal-economische ordening en organisatie. Anderen zagen er een crisis van de democratie in. Zij zochten naar nieuwe vormen van leiderschap en politieke organisatie. Weer anderen - het een sluit het ander overigens natuurlijk niet uit - hadden vooral oog voor de internationale crisis, de crisis van het Europese statenstelsel, die een gevolg was van het dolgedraaide nationalisme. Zij zochten naar nieuwe vormen van internationale organisatie, zoals de Volkenbond, Pan-Europa en dergelijke.

Er waren er echter ook die de crisis in essentie als een cultuurcrisis opvatten. Zo iemand was Huizinga. Voor het sociaal-economische had hij weinig belangstelling. Ook de politiek had niet zijn eerste interesse, al had hij hier wel ideeën over. Zo vond hij de democratie alleen aanvaardbaar met “de bijmenging van een element aristocratie” en achtte hij het stelsel van evenredige vertegenwoordiging “de onnozelste vergissing (...) die een doctrinaire staatstheorie ooit heeft kunnen begaan”. Veel aandacht had hij voor de gevaren van het nationalisme en de internationale rivaliteit. Internationale moraal en bovenstatelijke organisatie achtte hij noodzakelijk. Al deze thema's komen in zijn werk aan de orde, maar waar het hem toch vooral om ging, was de crisis van de cultuur.

Huizinga's cultuurkritiek behoort tot de aristocratische richting. Hiermee - en ook in de aard van zijn analyses - kwam hij soms in de buurt van sommige fascistische en reactionaire cultuurcritici. Zijn boutades over het irrationele karakter van de democratie, zijn zorg over “het uitsterven van den inheemschen menschenvoorraad” in West-Europa, zijn klacht over “den voozen halfbeschaafde” mens die de heilzame remmen van eerbied voor de traditie niet kent, zijn afkeer van de moderne kunst en van het algemeen onderwijs dat 'onder-wijs' maakt, zijn zorgen over de mechanisatie, urbanisatie, het verval van het landschap, de lelijkheid van de voorstad en zoveel meer herinneren ons aan reactionaire auteurs als Yeats, Eliot, Bernanos, Massis en anderen. Het zou dan ook niet moeilijk zijn een bloemlezing samen te stellen van uitspraken en oordelen van Huizinga die ook zijn te vinden bij de vele reactionaire en fascistische schrijvers die in het interbellum actief waren. Maar het zou ook niet moeilijk zijn een soortgelijke bloemlezing samen te stellen met uitspraken van Huizinga waarin deze opvattingen juist worden afgewezen. Dat laatste is minder verrassend dan het eerste, maar het is belangrijker, want het gaat nu juist, gegeven de invloed van de tijdgeest op al deze schrijvers, om de onderlinge verschillen. Dat zijn er een aantal en ze zijn van betekenis.

In de eerste plaats vergelijkt Huizinga impliciet vaak het heden met een al dan niet geïdealiseerd verleden - dat moet ook wel want anders kan men geen verandering en dus ook geen verval vaststellen. Maar hij wil niet terug naar dat verleden, althans hij beseft dat dit onmogelijk is. Huizinga is teveel historicus om in zo'n terugkeer te geloven. De beschaving heeft zich ontwikkeld en zal zich verder ontwikkelen. Wij moeten niet terug, zo betoogt hij, maar verder. Wij moeten door de crisis heen, al weten wij niet waar wij dan uitkomen. Wij moeten, zoals hij zegt, hoe dan ook cultuur blijven scheppen. Huizinga was dus niet reactionair.

Het tweede verschil met ten minste een aantal van de reactionaire denkers uit die tijd komt voort uit Huizinga's geloof. Hij toont zich in zijn werk een echte christen en stelt zijn hoop op een herstel van de christelijke waarden. Dit is een belangrijk, maar ook een gecompliceerd punt in zijn denken over de cultuurcrisis, waarop ik in mijn conclusie nog zal terugkomen.

Het derde verschil is dat Huizinga zich nooit politiek of anderszins heeft willen engageren. In dat opzicht lijkt hij op Julien Benda, die in zijn La Trahison des clercs dat engagement juist als de grote zonde van de moderne intellectueel aanwees. Ook ten opzichte van het Comité van Waakzaamheid van Anti-Nationaal-Socialistische Intellectueelen, waarmee hij zeker sympathiseerde, behield hij een zekere afstandelijkheid, om niet te zeggen waakzaamheid.

Het vierde verschil ten slotte komt voort uit de wezenlijke gematigdheid en oprechte burgerlijkheid van zijn aard en ideeënwereld. Huizinga had in zijn afkeer van de moderne cultuur iets uitgesproken aristocratisch' van geest. Hij was in zijn bezorgdheid over de verschijnselen van zijn tijd en van de opkomst van de half-beschaafde mens ongetwijfeld oprecht. Maar hij was ook te nuchter om te geloven in 'de nieuwe mens' van de fascisten en communisten, te erasmiaans om geen afkeer te hebben van fanatisme en radicalisme, te veel historicus om niet doordrongen te zijn van relativiteitsbesef en te veel christen om zich niet bewust te zijn van de beperkte mogelijkheden van de mens om zijn lot in handen te nemen. En hij - een Groninger tenslotte - was bovendien een zeer nuchter man. Van iemand die de dag om tien uur 's avonds placht af te sluiten met de woorden: “Ik weet niet wat jullie doen, maar ik ga naar bed”, hoeft men geen al te vurige inzet voor de schepping van de nieuwe mens te verwachten.

Intussen is Huizinga onderwerp van academische studies en dissertaties geworden. In het kader van de hernieuwde studie krijgt ook zijn cultuurkritische werk weer aandacht, maar ook nu geniet het niet veel waardering. De schrijver W.F. Hermans prees Huizinga's historische werk, maar sprak een vernietigend oordeel uit over zijn cultuurkritiek. Andere auteurs, zoals Guggisberg, Lademacher en Van Deursen, in zijn Huizinga-lezing van twee jaar geleden, oordeelden genuanceerder, maar niet veel positiever. Huizinga's werk op dit gebied lijkt te hebben afgedaan.

Men zou kunnen zeggen dat dat logisch is, omdat juist dit werk zo tijdgebonden was. Men zou echter evengoed het omgekeerde kunnen zeggen en betogen dat er tegenwoordig nog veel meer reden is voor de klachten die Huizinga uitte dan toen. De verschijnselen die hij afkeurde, zijn immers niet verdwenen, doch alleen maar verergerd. Laat ik een paar voorbeelden noemen.

Huizinga had zich al in de 'Schaduwen' beklaagd over de stupiditeit van radio, bioscoop en reclame. In 'Geschonden wereld' ging hij nog een stap verder en sprak de volgende verwachting uit: “Het schijnt toch bijna onvermijdelijk, dat de menschheid eindelijk meer dan verzadigd zal zijn van de bazelende oppervlakkigheid der moderne publiciteits-machine. (...) De reclame, hetzij politiek of commercieel, dat monster uit den schoot van het technische tijdperk geboren, moet toch ééns door den weerzin van een oververzadigd publiek haar werking verliezen.” Die verwachting is niet bepaald uitgekomen en er zou nu meer dan ooit aanleiding zijn om te klagen over de stupiditeit van de reclame. Maar het gebeurt niet.

Nog een voorbeeld: “De overmatige organisatie van het sportleven” en de “overmatige betekenis” van het sportnieuws, die Huizinga bekritiseerde, die zijn niet minder geworden. Integendeel, die aandacht is alleen maar groter en dwazer geworden. De rijken besturen de wereld thans vanuit de skyboxen van het nieuwe Ajax-stadion en de gewone man kan zijn as laten uitstrooien op de 'heilige grond' van het oude. De “roekelooze bevordering van jeugdige promiscuïteit”, die volgens Huizinga velen “wellicht (...) uit een louter eugenetisch oogpunt onbruikbaar [heeft] gemaakt voor gezonde voortplanting van hun volk”, die promiscuïteit van jong en oud is, zo komt het mij althans voor, alleen maar sterker geworden, al speelt de voortplanting in de hiertoe leidende overwegingen doorgaans geen rol meer.

Huizinga klaagde over het “vulgaire radiogebruik: het luisteren zonder aandacht, de beuzelachtige wispelturigheid” van de radio. Tegenwoordig zal geen huisschilder een kwast ter hand nemen zonder zich te hebben omgeven met helse machines waaruit geen verf komt, maar lawaai. Geen tienerkamer is meer denkbaar zonder radio, cd en stereotoren.

Huizinga klaagde over het verval van de beeldende kunst. Hij heeft niet meer meegemaakt dat twee ontklede Engelse mannen in een van onze belangrijkste musea zichzelf en hun uitwerpselen als kunst presenteerden. Huizinga was volgens veel critici te somber, te pessimistisch. Het is maar hoe je het ziet. Huizinga heeft vast niet verwacht dat zijn geliefde vaderland, dat hij door God gezegend achtte, een wereldreputatie zou verwerven als centrum van drugs, prostitutie en kinderpornografie. Evenmin heeft hij voorzien dat minister-presidenten zouden rondhossen met voetballers bij het Catshuis, terwijl honderden politie-agenten in de weer zijn om te verhinderen dat de supporters elkaar en de spelers doodslaan. Dat politieke leiders zouden optreden in quizzen en babbelprogramma's was voor hem ondenkbaar, al was het maar omdat die dingen toen nog helemaal niet bestonden. Wie de maatstaven van Huizinga aanlegt, zou met veel meer reden dan hij de beroemde openingswoorden van de 'Schaduwen' kunnen uitspreken: “Wij leven in een bezeten wereld. En wij weten het.” Alleen zou hij dat laatste moeten weglaten, want dat is nu juist het verschil: wij weten het niet. Of liever gezegd: het interesseert ons niet.

Hoe is dat gekomen? Dat is de vraag waarover wij het ten slotte moeten hebben. Het is een moeilijke vraag en ik heb geenszins de pretentie er een antwoord op te kunnen geven, maar misschien zijn de volgende observaties van enige betekenis. Wij leven thans in een radicaal andere wereld dan die van vóór 1940-'45. En wij hebben dat aanvaard. De tijd tussen 1914 en 1945 was inderdaad, zoals velen het toen zagen en beschreven, een crisis- of althans een overgangstijd. De plaats van Europa in de wereld, die in de voorafgaande eeuw zó dominerend was geworden dat het soms leek alsof er niets anders meer bestond, was aan het veranderen. Het koloniale tijdperk liep op zijn einde. Amerika nam na 1914-'18 informeel het leiderschap van de wereld op zich, na 1940-'45 ook formeel. Daarmee correspondeerde een verandering in de samenleving, die niet voor niets vaak als veramerikanisering' is aangeduid. Het was in feite niets anders dan de afbraak van de oude standenmaatschappij, die in Europa ook na de Franse Revolutie was blijven voortbestaan.

De crisis die deze sociale en mondiale veranderingen met zich meebrachten, is thans voorbij en verwerkt. De massa heeft zich niet aangepast aan de elite, maar andersom: de elite heeft de smaak van de massa overgenomen. Daarom is een typisch jaren-dertigonderwerp als dat van elite-versus-massa niet meer actueel: het onderscheid bestaat niet meer. Vaak is naar aanleiding van het succes van boeken als Huizinga's 'Schaduwen' en Ortega's 'Opstand der horden' gezegd dat boetepredikaties nu eenmaal populair zijn. Maar ook dat is thans niet meer het geval. De overheersende stemming is er niet een van pessimisme, maar van optimisme.

Het verrassende is dat deze ontwikkeling al terstond na 1945 viel waar te nemen. Men zou kunnen verwachten dat wereldoorlog en holocaust, atoombom en Koude Oorlog die crisisstemming alleen maar zouden hebben versterkt. Maar dat is niet zo, althans niet voor zover het de toekomst van de Europese beschaving betreft. Er verschenen in de tweede helft van de jaren veertig heel wat crisis-van-Europa-en-de-beschaving-boeken, maar daarin viel, ondanks vele zorgen, toch vooral een zeker optimisme te bespeuren: de democratie had gezegevierd, de Westerse beschaving had haar vitaliteit bewezen, er was weer toekomst voor onze cultuur. Die gevoelens zijn in latere jaren nog versterkt. Wij zijn thans over het algemeen gesproken tevreden met onze welvaart, met onze samenleving en zelfs met onze cultuur. Wij beleven, net als in de jaren vóór 1900, een fin de siècle , maar ditmaal zonder veel crisisgevoelens. Wij weten, lezend over of - meer waarschijnlijk - op de televisie kijkend naar andere continenten, dat het ook anders kan en wij zijn daar niet jaloers op, noch op de gedisciplineerde levenswijze van het rijke Japan noch op de armoede van Afrika en al evenmin op het gesluierde en alcoholvrije bestaan onder het regime van de ayatollahs. Wij leven misschien in een bezeten wereld, maar wij hebben het niet slecht.

Toch kennen ook wij natuurlijk onze twijfels. Vertoont onze samenleving geen tekenen van ontbinding? Kan zij bestaan zonder algemeen aanvaarde moraal? Kan zo'n moraal vast zijn, als zij niet in iets anders en hogers is verankerd? Dat zijn vragen die vaak in NRC HANDELSBLAD worden gesteld - en niet alleen daar. Het zijn ook de vragen waar Huizinga het over had. Voor hem was immers de moraal de basis van de cultuur en kon die moraal niet anders dan metafysisch verankerd zijn. Maar Huizinga gaf geen antwoord op de vraag hoe zo'n situatie zou kunnen worden bereikt of hersteld. Hij concludeerde dat de katharsis, de zuivering, die hij wenselijk achtte, alleen kon ontstaan als gevolg van een morele regeneratie en dat voor dat laatste een herstel van het godsdienstig besef nodig was. Hij constateerde vervolgens dat dit verschijnsel zich waarschijnlijk niet zou voordoen en sprak ten slotte zijn hoop uit in “de mensen van goede wil”. Daar bleef het bij.

Intellectueel bevredigend is het antwoord van Huizinga niet. Toch zullen wij het ermee moeten doen, vrees ik. Daarvoor zijn twee redenen. De eerste is een praktische. De terugkeer naar een absolute, in het christendom verankerde moraal is onmogelijk, wanneer de deconfessionalisering een onstuitbaar proces is. Dat laatste was de veronderstelling van Huizinga en het ziet er naar uit dat hij daarin gelijk had. Zo'n oplossing is dan niet meer dan een gedachtenspel. De tweede reden is principiëler: ook een nauwe koppeling tussen godsdienst en moraal geeft in de praktijk geen zekerheid over hoe te handelen. Zelfs de eenvoudige vraag of de hongerige medemens een brood mag stelen wordt door belijders van dezelfde godsdienst op zeer verschillende wijzen beantwoord. Zo is het altijd geweest. De woorden van de Schrift blijven dezelfde, maar de opvattingen over hun betekenis verschillen hemelsbreed. De geschiedenis laat zien dat in naam van die ene onwrikbare christelijke moraal de slavernij, de slavenhandel, het verbranden van ketters, het uitroeien van ongelovigen, het radbraken, vierendelen en martelen van tegenstanders, het kolonialisme, het antisemitisme, de apartheid, de discriminatie van vrouwen en wat al niet meer, zowel zijn verdedigd als bestreden. Zo'n verankering is er een waaraan men zelfs zijn kleinste scheepje niet zou willen toevertrouwen.

Huizinga zal zich als historicus hiervan bewust zijn geweest. Hij besefte dat logischerwijs de moraal alleen maar vast kan zijn, als zij aan iets anders is vastgemaakt dan zichzelf. Maar hij wist ook dat men er alleen met logica niet altijd uitkomt. Zo schreef hij in 'Homo ludens': “Wie in de eeuwige wenteling van het spel - ernstbegrip - zijn geest voelt duizelen, vindt het steunpunt dat hem in het logische ontzonk, terug in het ethische”. En hij voegde hieraan toe dat, bij de vraag of men iets wel of niet moet doen, het zedelijk geweten 'den onmiddellijken toets' geeft. Volgens zijn zoon Leonhard zei hij eens over zichzelf: “Ik ben een zwak christen.” Maar zijn ethische opvattingen waren niet wankelmoedig.

Het antwoord dat Huizinga gaf, moge niet bevredigend zijn, het voorbeeld dat hij gaf, was dat wel. Toen het erop aankwam, koos hij, de relativerende en aarzelende niet-partijganger, de aestheticus en studeerkamerman, duidelijk partij, zowel tijdens de oorlog als daarvóór. Huizinga had een moeizame relatie met zijn neef Menno ter Braak. Net als deze kwam hij uit een predikantengeslacht. Ter Braak nam Afscheid van domineesland en van het geloof. Huizinga deed dat niet. Tussen Van oude en nieuwe christenen en 'In de schaduwen van morgen' bestaan dan ook grote verschillen. Toch moet ik bij Huizinga vaak denken aan de woorden die Kossmann schreef als conclusie van zijn beschouwing over Ter Braak en 'Van oude en nieuwe Christenen': “Het hele boek is een lang, moeizaam gesprek met zichzelf over de zin van de democratische en humanistische idee; het hele schitterende betoog bedoelt te tonen dat ook een man die alle illusies heeft afgeschud en alle dogma en systeem heeft prijsgegeven, de 'liberale' democratie en haar stelsel van waarden met eerlijkheid en zonder frasen kan verdedigen.”

Huizinga volgde niet dezelfde weg, maar hij kwam wel aan bij hetzelfde eindpunt.