De taal van Jan Steen

Een schilderij van Jan Steen waar de mensen al drie eeuwen niet op uitgekeken raken, heet Soo voer gesongen, soo na gepepen. De voorstelling omvat tien mensen en een hond.

De grootmoeder is met kennelijk plezier iets aan het voorlezen maar zo te zien luistert niemand. Een man, de zoon of aanstaande schoonzoon, is met hart en ziel en grote virtuositeit bezig een wijnglas vol te gieten. Een vader brengt zijn zoon op het verkeerde pad door de jongen uit zijn pijp te laten roken. Links in de hoek zit de aartsvader het allemaal vergenoegd aan te kijken. De hond is tijdloos. Zoals de ouden zingen, piepen de jongen. Het rijmpje gaat dan nog verder. 'Ik zing u voor. U volgt ons na, van een tot honderd jaar.' Ik geef het weer in hedendaags Nederlands.

Zoals altijd bij schilderijen waarop een verhaal wordt verteld, zou je er geluid bij willen hebben. Soo voer gesongen, soo na gepepen: dat zeiden de mensen toen tegen elkaar en ze wisten precies wat ze bedoelden. Kijkend kunnen we nog goed begrijpen welk verhaal Jan Steen heeft geschilderd, maar luisterend naar de gesprekken, zouden we er waarschijnlijk geen touw aan vast kunnen knopen, zeker in het begin niet. Er is driehonderd jaar voor nodig geweest om van so na gepepen het piepen de jongen te maken.

Wij hebben geluk. We horen tot de eerste generaties die kunnen luisteren naar het Nederlands (of welke taal dan ook) van die er geweest zijn. Het vroegst bewaarde gesproken woord is het officiële: van de ministers en dictators die hun redevoeringen uitspreken en van degenen die daar in een filmjournaal hun verklaring aan toevoegen. Niet zo lang geleden hoorde ik minister-president Hendrik Colijn: naar taal, intonatie en klank een stem uit een andere wereld. Het leek wel of binnen een halve eeuw het Nederlandse strottehoofd een mutatie had ondergaan. Daarna minister Beel: al heel wat moderner maar toch nog een vreemdeling in dit heden. Zelfs als ik de stem van Philip Bloemendal hoor, op een bandje de volgende halte van de Amsterdamse metro aankondigend, krijg ik al een beetje het gevoel dat ik in de trein van eergisteren zit. En dat terwijl hij maar vijf of zes woorden zegt: 'Het volgende station is - Nieuwmarkt'.

Van het vroegste begin der beschaving hebben de mensen elkaar geschilderd zodat ze zichzelf ook zonder spiegel konden zien. Voor hun eigen stem hadden ze, grof gezegd, alleen de Echoput. De gramofoonplaat-single-lp-cd is er voor de kunst. Pas door de bandrecorder is de gewone mens in staat gesteld, in een soort audio-spiegel te luisteren. Een paar seconden later kun je al horen wat je hebt gezegd.

Na de bandrecorder zijn het zakdicteerapparaat en het antwoordapparaat voor de telefoon gekomen, en nu staan we op de drempel van de voice-mail voor het hele volk. Praktisch onophoudelijk zijn we in staat te horen wat we hebben gezegd en zelfs om de haverklap kunnen we onze eigen woorden niet eens meer vermijden. Populair-fenomenologisch uitgedrukt: ons eigen ik zit steeds op onze eigen lip. Dit kan niet zonder gevolgen voor de taal blijven.

De mens gebruikt de spiegel om zichzelf te controleren en daarna vooral om zich mooier te maken: zich visueel fraaier uit te drukken. De manier waarop dit gebeurt is sterk onderhevig aan de smaak van het jaar, de mode. Zo zal het ook met de taal gaan. Natuurlijk: mode-uitdrukkingen zijn zo oud als de massacommunicatie. Maar hier gaat het om de snelheid waarmee de ene uitdrukking de andere vervangt, en meer nog om de kleine veranderingen die niet tot de categorie uitdrukkingen horen, en dan vooral hun mate van duurzaamheid.

Wie nu goed luistert en zich nog kan herinneren hoe het niet langer dan tien jaar geleden was, zal bijvoorbeeld vaststellen dat het lidwoord langzamerhand verdwijnt. In bepaald verband gaat het spoorloos (niet meer de KLM, maar KLM; niet meer de vakbonden maar vakbonden) en in andere gevallen wordt de vervangen door die zonder dat de gebruiker daarmee een aanwijzing bedoelt. (Beste bron: de Handelingen van de Tweede Kamer). Ook de tegenwoordige tijd is op de terugtocht. (Niet 'Wilt u, maar wilde u mevrouw X spreken.')

Dan kan het zijn (ook zo'n uitdrukking: het mag niet zo zijn dat...) dat de frik in ons zich voelt aangesproken en dat die tegen de mens van de telefooncentrale zegt: 'Nee, ik wilde niet, ik wil nu mevrouw X spreken'. Doe dat niet, want het is vechten tegen de bierkaai. Wie denkt daarmee de ontwikkeling van de taal tegen te houden is bij wijze van spreken uitgepepen.

P.S.: Vorige week heb ik hier het liedje van Dirk Witte, Het meisje van de zangvereniging geciteerd, 'met wie ik wandeld' in het laantje'. Betrouwbare bronnen melden dat het niet laantje maar maantje is. Het blijft een mooi liedje, zoals het omhakken van de bomen aan het Amsterdamse Museumplein verwoesting van poëzie blijft.