Het Kikkerservies van Catharina de Grote; Eten met uitzicht

Het Kikkerservies van liet Catharina de Grote (1729-1796) door Wedgwood maken voor haar Kekerekeksinsky-datsja - de 'Kikkerpoel'. Het dier speelt als kleuraccent een bijrol, want elk onderdeel biedt een ander fraai uitzicht op het 18de-eeuwse Groot-Brittannië.

'Catharina, de keizerin en de kunsten.' Van 17/12 tot 13/4 in de Nieuwe Kerk in Amsterdam. Boek: Cacklegoose Press Ltd. Londen, ISBN 0 9526584 0 2. Prijs: 185 pond.

Er ontbreken enkele honderden stukken. Misschien zijn ze gesneuveld tijdens de afwas. Of misschien heeft een liefhebber er een paar in zijn eigen keukenkastjes neergezet. Want in zo'n tweehonderd jaar van oorlogen, revoluties en kleinschalige confrontaties doen zich behalve met mensen ook met het net zo kwetsbare aardewerk nogal wat calamiteiten voor.

Toch bezit het museum de Hermitage in Sint Petersburg nu nog 750 delen van het ooit 944 stukken omvattende Green Frog Service, het Groene Kikkerservies, dat zich als zodanig laat kennen omdat op elke pan, kom of dekschaal een groen kikkertje staat afgebeeld. Het dateert uit 1773-1774 en de Britse firma Wedgwood zette destijds alle zeilen bij om het mooiste 'creamware' af te leveren dat in zijn vermogen lag. De opdrachtgeefster was namelijk niemand minder dan Catharina de Grote, die van 1762 tot 1796 vanuit Sint Petersburg het Russische rijk bestierde. De van oorsprong Duitse prinses, op veertienjarige leeftijd uitgehuwelijkt aan de Russische troonopvolger Peter III, kwam in haar zomer- en winterpaleizen graag dezelfde jurken tegen, maar ook dezelfde kwalitatief hoogstaande serviezen.

Dankzij de omvangrijke tentoonstelling 'Catharina, de keizerin en de kunsten' die koningin Beatrix aanstaande maandag opent in de Nieuwe Kerk in Amsterdam, kan men straks, behalve met veel schilderijen, sculpturen en sieraden uit de Hermitage, ook kennismaken met enkele van de 680 diner- en 264 dessert-onderdelen van het Kikkerservies. Dat het ontwerp van weleer nog steeds in de smaak valt, bewees vorig jaar een oplage van drieduizend replica's die Wedgwood bij een Londense tentoonstelling lanceerde. De bordjes waren voor bedragen tussen de tachtig en honderdtachtig gulden in 'no time' uitverkocht.

Of dit servies in de keizerlijke keukens ooit ècht is gebruikt of alleen als siergoed dienst deed - zonder servies was iemand niemand - is onbekend. De Hermitage stelt doorgaans zo'n tachtig stukken tentoon; de rest ligt in de depots opgeslagen. En dat is ook het lot van het meer flamboyante, in blauw, roze en goud uitgevoerde Sèvres-servies, dat eveneens in de Nieuwe Kerk zal zijn vertegenwoordigd. De rekening hiervan was zo gepeperd - ruim vijf ton destijds - dat het Russische hof een afbetalingsregeling over vijftien jaar trof. Anderen beweren dat de keizerin teleurgesteld was over de vormgeving en daarom de Sèvres-fabriek flink liet bloeden. Het scheelde niet veel of het faillissement had zich, inderdaad, over het Franse Sèvres voltrokken.

Het Kikkerservies was bestemd voor de Kekerekeksinsky-datsja - de 'Kikkerpoel'zoals Catharina dit buitenhuis noemde -, en wie het snel uitspreekt herkent in de eerste lettergrepen, met enige welwillendheid, de roep van de bronstige kikker. Het dier speelt als grappig kleuraccent een bijrolletje. Want waar het servies zijn bekendheid aan dankt, is het feit dat elk onderdeel - van sauskom tot soepbord - steeds weer een ander uitzicht biedt op het 18de-eeuwse, pastorale Groot-Brittannië, waar elke Brit er blijkbaar nog jachtterreinen op kon nahouden.

Alle riviergezichten, dorpsscènes en fabriekjes die de Russische gasten tussen de steur en aardappelen met zure room te zien kregen, werden geschilderd in 'delicate black', met af en toe donkerbruine toevoegingen. Op het eerste gezicht vallen die sobere schilderingen een beetje tegen, alsof het 20ste-eeuwse oog meer goud en glitter verwacht van keizerlijke dessertbordjes. Maar wie de moeite neemt om de tentoonstellingsexemplaren goed te bekijken of wie het overvloedig geillustreerde en kostbare boek The Green Frog Service doorbladert, dat Cacklegoose Press in Londen vorig jaar publiceerde, die kan zich meteen voorstellen dat Catharina daar geen afwasploeg op losliet.

Terwijl het pre-industriële tijdperk zich aandiende en tussen glooiende hellingen en onafzienbare landerijen steeds meer fabriekspijpen de kop dreigden op te steken, voelde de tekenaar Thomas Bentley, die nauw met aardewerkfabrikant Josiah Wedgwood samenwerkte, zich geroepen om nog één keer het onbedorven Engeland, naar bestaande prenten en schilderijen, te bejubelen. Elk vergezicht kreeg een sierrand van eikeblad of klimop, symbolen voor macht en kracht.

En zo kon de keizerin, door intriges aan het hof gebonden, reizen langs de voorname kastelen en gothische abdijen van Suffolk en Yorkshire, de ruïnes en landgoederen van Sommerset en Staffordshire en langs de ruigste kuststroken van Schotland. Ze kwam onderweg watervallen tegen, maar ook lieflijke bruggetjes, vijvers en arcadische parken. Vanuit een rotsholte tuurde ze naar Alnwick Castle dat tussen bosrijke hellingen gevangen ligt. En peinzend langs de hoge roomkommen en soepterrines kon ze zich in de onafzienbare tuinen wanen van landladies die in welstand niet onderdeden voor welke koninklijke familie dan ook. De borden van Stonehenge zijn verloren gegaan, maar de neolithische bouwsels van Morvah laten zich nog op een dessertbordje bezichtigen. Op alle 1 222 panorama's heerste pais en vree. En Catharina de Grote, onophoudelijk in de weer met grote denkers, stiekeme hovelingen en nieuwe minnaars, had daar af en toe ongetwijfeld behoefte aan.