Pakpahan vervolgd om interview met NOVA

ROTTERDAM, 11 DEC. Een interview met de Nederlandse televisie kan een Indonesische oppositieleider de kop kosten. Morgen, ruim vier maanden na hun arrestatie, begint in de Indonesische hoofdstad Jakarta het proces wegens 'staatsondermijnende activiteiten' tegen Muchtar Pakpahan, voorzitter van de niet-erkende vakbond SBSI, en negen leden van de verboden Democratische Volkspartij (PRD). Het laatste punt van de aanklacht tegen Pakpahan betreft een kritisch vraaggesprek met het tv-programma NOVA.

Het gaat om vier rechtszaken die min of meer gelijktijdig dienen in de arrondissementsrechtbanken van Centraal- en Zuid-Jakarta. De tien werden opgepakt in de nasleep van de rellen die op 27 juli uitbraken in Jakarta, de ernstigste onlusten die de hoofstad in twintig jaar had gezien. Alle tien staan terecht op grond van de zogenaamde 'anti-subversiewet'. Die dateert uit 1963 en is al geruime tijd niet meer gebruikt. Deze 'politieke vergrijpen' kunnen worden bestraft met executie door een vuurpeloton.

De processen tegen de tien vormen het hoogtepunt van de repressie die volgde op de rellen van eind juli. Aanleiding voor die massale protesten was de door de autoriteiten geënsceneerde afzetting van de populaire Megawati Soekarnoputri, dochter van wijlen president Soekarno, als voorzitster van de semi-oppositionele Democratische Partij (PDI). Toen haar volgelingen weigerden het partijhoofkwartier in Jakarta te ontruimen, werd het gebouw bestormd door politiemannen en aanhangers van de door de regering naar voren geschoven opvolger van Megawati.

Marzuki Darusman, voormalig parlementariër, lid van regeringspartij Golkar en vice-voorzitter van de Nationele Commissie voor de Rechten van de Mens (Komnasham), liet zich vorige week in scherpe bewoordingen uit over de komende processen. Hij vindt dat nog steeds niet duidelijk is waarom de tien terechtstaan. “Er blijft één vraag onbeantwoord: wat is het verband tussen hun detentie en de gebeurtenissen van 27 juli?”

Het dossier dat de officier van justitie heeft opgesteld tegen Muchtar Pakpahan, de bekendste beklaagde, geeft slechts gedeeltelijk antwoord op deze vraag. Kernstuk van de aanklacht is overtreding van artikel 1.1 sub b van de anti-subversiewet, dat handelt over “omverwerping of ondermijning van de staatsmacht of het gezag van de legitieme regering en/of staatsdienaren”. Komnasham-woordvoerder Darusman verzet zich tegen een beroep op deze omstreden wet. “De artikelen zijn zo elastisch als rubber en stellen de autoriteiten in staat om elk willekeurig misdrijf als subversie te bestempelen”.

Volgens de aanklacht zou Pakpahan op 1 juli vanuit het secretariaat van zijn vakbond een vlugschrift hebben verspreid waarin de strijdkrachten van Indonesië worden beschuldigd van gestook in Megawati's PDI en in andere niet-gouvernementele organisaties, hetgeen de officier uitlegt als “het uiten van opvattingen die vijandig zijn jegens en kwetsend zijn voor de regering”. In de aanklacht wordt ook verwezen naar een verklaring die Pakpahan op 27 juli, na de bestorming van het PDI-kantoor, per fax heeft verspreid. Daarin meldde hij dat de politie de avond tevoren op de Kramat Jatimarkt in Jakarta-Oost “straatvechters en laad- en losarbeiders” had geronseld, die PDI-attributen kregen uitgereikt en werden gesommeerd om mee te doen aan de bestorming van het partijgebouw.

Punt 6 van de aanklacht tegen Pakpahan vermeldt een vraaggesprek dat de SBSI-voorzitter afgelopen juli zou hebben gegeven aan “een verslaggever van Nederland 3 (NOVA)”. Daarin zou hij hebben gezegd zich niets aan te trekken van het verbod dat de minister van Binnenlandse Zaken heeft uitgevaardigd op de activiteiten van zijn vakbond. Ook deze uitlating interpreteert de officier als vijandig jegens de regering. Een zegsman bij NOVA zei desgevraagd dat het openbaar ministerie kennelijk verwijst naar een vraaggesprek dat vorig jaar al heeft plaatsgevonden.

Morgen begint eveneens het proces tegen de ex-economiestudent Budiman Sudjatmiko, voorzitter van de in juli opgerichte en meteen daarna verboden Democratische Volkspartij (PRD), en acht medestanders. De PRD bestaat uit enkele honderden kaderleden, meest ex-studenten, bedient zich van marxistisch jargon en noemt zichzelf 'sociaal-democratisch'. Dat de PRD in haar beginselprogramma niet met zoveel woorden de staatsfilosofie Pancasila - in het huidige Indonesië hét waarmerk van politieke betrouwbaarheid - omhelst, acht de coördinerend minister voor politiek en veiligheid, generaal b.d. Soesilo Soedarman het beste bewijs dat “dit communisten zijn die aansturen op omverwerping van de regering”. De PRD verklaarde zich solidair met de in het nauw gebrachte Megawati en sprak “kritische steun” uit voor haar vleugel van de PDI. Toen de PRD eind juli de schuld kreeg van de politieke onrust ging de organisatie ondergronds.

Volgens de advocaat van Pakpahan, Lutfie Hakim, wil de regering de processen afronden voordat volgend jaar mei de campagne begint voor de vijfjaarlijkse parlementsverkiezingen.