Geobsedeerd door Flipper en Melville

De Revisor, nr.5, 1996. Uitg. Querido, 104 blz. Prijs ƒ 20,90.

'De ongekende Melville' staat met grote lila letters op het omslag van de nieuwste Revisor, en daarnaast: 'Vijf liefdesverklaringen aan een meester'. Dan kan het ook niet anders, denkt de lezer, of die dikke, kale vis op de voorkant moet wel een walvis zijn - die hoort tenslotte net zoveel bij Melville als een dooie hond bij Lowry of een regenwulp bij Maarten 't Hart.

Na even turen blijkt echter dat de ingevallen oudemannetjesbek op de foto die van een dolfijn is - een dikke weliswaar maar: een dolfijn. Wat heeft die in vredesnaam met Melville te maken?

Het schijnbare antwoord staat in het artikel van Kees 't Hart, een van de vijf auteurs die in deze Revisor een eerbetooon aan de Amerikaanse schrijver Herman Melville (1819-1891) brengen. Hij associeert Melville om verder onnaspeurbare redenen met een dolfijn en zingt al op de eerste bladzijde van zijn stuk de tekst van Flipper: 'Daar heb je Flipper, Flipper / hij is geweldig / wat een dolfijn / om trots op te zijn'. Hoe onzinnig die associatie ook lijkt, hij past wel goed in het stuk, dat van alle bijdragen aan dit nummers het meest los geschreven is. Hij beschrijft in dagboekvorm zijn tijdelijke Melville-obsessie, die zich uitstrekte van 5 tot 21 juni 1996 en die hem de gelegenheid biedt van alles over Melville te berde te brengen zonder pretentieus te worden. Zo beschrijft 't Hart de reis die Melville in 1857 door Nederland maakte, leest hij een onleesbare Melville-biografie en stelt hij ook vast dat Clarel, Melville's finale epos, een op 'veel plaatsen onverdraaglijk gedicht' is: 'saai, treiterig slepend, betweterig en ongeloofwaardig', wat Melville tussen alle loftuitingen weer tot menselijke proporties terugbrengt.

Blijkbaar heeft de Revisor-redactie van tevoren afgesproken het in dit Melville-nummer niet over Moby-Dick te hebben, Melville's meesterwerk over de witte walvis, die door een geobsedeerde Captian Ahab de wereld wordt overgejaagd. Iedereen houdt zich daar keurig aan. Voor Anneke Brassinga is dat makkelijk, omdat ze aan het nummer deelneemt met een vertaling van twee hoofdstukken van Melville's roman The Confidence-Man. De andere auteurs, Jacob Groot, René Huigen en Dirk van Weelden, hebben allemaal een relatief onbekend werk van Melville opgepakt. Groot heeft het voornamelijk over Pierre, or the Ambiguities, de roman die Melville na Moby-Dick publiceerde en die een fiasco was. Huigen beschrijft Billy Bud, een roman waarin een matroos die de verpersoonlijking van de onschuld lijkt een moord pleegt; Van Weelden neemt The Piazza Tales ter hand, een verzameling verhalen die Melville uit geldnood schreef voor het diep-burgerlijke tijdschrift Monthly magazine.

Het zijn allemaal interessante stukken in deze Revisor, waarbij vooral Van Weelden goed weet duidelijk te maken waarom zijn keus prikkelende lectuur is. Toch sluimert door ieder artikel ook een probleem; stuk voor stuk lijken de auteurs niet te weten wat ze werkelijk met Melville aanmoeten, hoe ze hem kunnen samenvatten of vangen - door de diversiteit van zijn oeuvre laat Melville zich nergens op vastpinnen. En dat roept vragen op. Hoe kan een schrijver van Moby-Dick een zin van 'hysterische gratie' (Groot) schrijven als: 'Zoals harten op harten slaan galmden die stemmen, en een seconde lang, in de helder zwijgende ochtend, stonden die twee elkaar stil maar hevig te bekijken, wederzijdse weerkaatsing van een grenzeloze bewondering en liefde in ogenschouw.' Hoe kan het dat een man die in elf jaar (tussen 1846 en 1857) tien dikke romans en verhalenbundels schreef er vervolgens twintig jaar min of meer het zwijgen toe deed, om vervolgens een gedicht van bijna 500 bladzijden te publiceren? En hoe om te gaan met Melville's grootse, bedwelmende stijl?

Zo blijven de vier auteurs in deze Revisor een nummer lang als verdwaasde planeten om hun zelfgekozen zon heencirkelen. Nergens krijg je het gevoel dat een van hen de essentie van Melville weet te raken. Misschien komt dat door die zelfgekozen beperking en had een goed artikel over Moby-Dick die leemte kunnen vullen. Anderzijds maakt het ontbreken van zo'n kern de lezer van dit Revisor-nummer wel nieuwsgierig - ik heb Moby-Dick in ieder geval onmiddellijk weer uit de kast gehaald.