De prijs van het bestuur

TOPFUNCTIES IN de publieke sector moeten goed beloond worden. Het management van ministeries, overheidsdiensten en verzelfstandigde bestuursorganen doet niet onder voor dat van grote ondernemingen. De publieke sector is een factor van gewicht in de nationale economie en speelt op veel terreinen een sleutelrol.

Hoewel een topfunctie bij de overheid altijd een element van dienstbaarheid aan de 'publieke zaak' heeft, vraagt dat voor een aantal functies ook om een beloning die een vergelijking met de salariëring in de private sector kan doorstaan.

Volgens een vorige week gepubliceerd onderzoek werken in Den Haag drieënvijftig ambtenaren die meer verdienen dan hun minister en tellen de zelfstandige bestuursorganisaties ongeveer honderd functionarissen die een hoger inkomen hebben dan ministers. Tot de ZBO's behoren niet alleen uitvoeringsorganisaties, maar ook instellingen die met opzet op afstand van de overheid zijn geplaatst, zoals de Kiesraad en De Nederlandsche Bank.

Aanleiding voor het kabinet-Kok om benoeming, beloning en ontslag van topfunctionarissen in de (semi)publieke sector te onderzoeken, vormde de afvloeiingsregeling die minister Sorgdrager (Justitie) met de Amsterdamse procureur-generaal Van Randwijck heeft getroffen en het salaris van voormalig bestuursvoorzitter Van Leeuwen van het College van Toezicht Sociale Verzekeringen (CTSV).

Het hoogste salaris dat op een departement wordt uitbetaald bedraagt 290.000 gulden - 70.000 gulden boven het salaris van de minister. Volgens minister Dijkstal (Binnenlandse Zaken) moet het salaris van een minister in beginsel het hoogste zijn dat een departement betaalt, maar soms moet men pragmatisch zijn. Bij ZBO's kunnen de salarissen oplopen tot maximaal 790.000 gulden. Dijkstal noemde dat te riant. Differentiatie in beloning bij ZBO's is soms noodzakelijk, maar de grenzen moeten door de politiek worden bepaald.

HET KABINET GAAT het rapport gebruiken om de ministeriële verantwoordelijkheid voor benoeming, beloning en ontslag van topfunctionarissen die bij een ZBO werken, te herstellen. Uit het onderzoek blijkt dat dit niet altijd formeel is geregeld. Onder voorwaarde van een transparant en controleerbaar systeem is het niet verwerpelijk dat de entrepreneurs van de vierde macht een hoog salaris weten te bedingen. Maar het vraagt wel om openbaarheid van de afwijkingen van de formele beloningsschalen en er moet tegenover staan dat de zetelvastheid van topambtenaren tot het verleden behoort. Uiteindelijk moeten ministers te allen tijde aan het parlement verantwoording kunnen afleggen over hun beloningsbeleid.