Een plek voor een zonderling

Willem Brakman: Het groen van Delvaux. Querido. 216 blz. ƒ 37,50.

Dit voorjaar werd Willem Brakman geïnterviewd in het radioprogramma 'Opium', naar aanleiding van het verschijnen van zijn novelle Interieur. Het was een gesprek zonder al te veel diepgang, waarin interviewer en ondervraagde elkaar niet veel nader leken te komen. Brakman reageerde wat zuchterig op de vaststelling dat hij nogal veel schreef en dat dat vele bovendien nogal moeilijk werd gevonden. Na afloop mocht hij blijven zitten en luisteren naar de gesprekken met de overige gasten, zoals in dat programma te doen gebruikelijk. Toen hem onverhoeds om een mening werd gevraagd over een juist ter sprake gekomen maatschappelijk onderwerp, moest hij het antwoord schuldig blijven. 'Ik was er met mijn hoofd even niet bij', zei hij, tot hilariteit van alle aanwezigen.

Dit is een tragikomische illustratie van het al veel langer bestaande wederzijdse onbegrip tussen Brakman en 'de anderen'. Zíj kunnen zijn boeken maar met moeite lezen en híj kan zich niet goed concentreren op hun gepraat. Het lijkt wel of deze ongemakkelijke situatie als inspiratiebron voor zijn nieuwe roman heeft gediend. Het groen van Delvaux staat, meer nog dan anders bij Brakman, in het teken van de strijd tussen collectief en individu. Een schrijver met de wat hulpeloze naam Quilp vertegenwoordigt het individuele standpunt, terwijl een socioloog, steeds voluit Tuub Tigges geheten, meer de stem van de massa vertolkt.

Hoewel de sociologie bij uitstek een wetenschap is die door een aartsindividualist als Brakman gewantrouwd zal worden, heeft hij van deze Tuub Tigges geen karikatuur gemaakt. Hij is voor Quilp een tegenstander van formaat, niet alleen intellectueel, maar ook in het algemeen menselijke. Hij is beter toegerust voor het leven, heeft meer succes bij vrouwen, ziet er eleganter uit en heeft bij dit alles, aldus de jaloerse Quilp, een hoofd 'waarop men een leven lang kan rekenen'.

Maar hun wedijver speelt zich vooral af in de taal. Waar Tuub Tigges overal helder omlijnde structuren en systemen ziet opdoemen, onder uiteenlopende sociologische noemers, ziet Quilp, terzijde gestaan door zijn rijke verbeelding, vooral de verborgen binnenkant van het omringende. Omdat hij, als verteller, als rechterhand van Brakman zogezegd, het eerste en het laatste woord heeft, domineert in Het groen van Delvaux toch het individuele bewustzijn. Wel moet hij zich steeds weer een weg zien te banen door het collectieve denken en zijn wankele positie onder ogen zien. Zo woont Quilp een lezing bij waarin gepleit wordt voor een nieuwe mens in een wrijvingsloze samenleving. Deze nieuwe, aangepaste mens spreekt bij voorkeur een sterk vereenvoudigde taal. 'Wanneer we zien hoe het woord ingekort en afgeknot nog uitstekend functioneert op het sportveld, in armee of gezin, dan is het zonder meer begrijpelijk hoe dit ook in grotere verbanden kan worden geïntegreerd', aldus de spreker. Angstig vraagt de schrijver zich af waar in dit grotere verband zijn plek mag zijn. 'Nergens', is het meedogenloze antwoord, 'hoogstens als zonderling.'

Alleen in die hoedanigheid (als zonderling, als een uitstervende menssoort, als studieobject) wordt de schrijver getolereerd in De Wildenborch, het vroegere landgoed van de dichter Staring in het Gelderse Vorden, waar het verhaal zich afspeelt. Daar wordt aan een onduidelijke groep studenten les gegeven in al even onduidelijke vakken. Een gezellige boel is het niet in 'de borg'. Haat en nijd vieren er hoogtij, intriges worden er aan de lopende band uitgebroed met behulp van haarstukjes en opgeplakte snorren. Er komen zelfs complete gedaanteverwisselingen voor en steeds dreigt er een studentenoproer, al weet niemand precies tegen wie. Een weinig fraaie rol spelen ook de vrouwen, die zich verleidelijk voordoen, maar onbereikbaar blijven voor de verliefde Quilp. Delvaux-vrouwen worden ze genoemd, 'tot poppen verstard', die genoeg hebben aan zichzelf, al suggereren ze het omgekeerde. Zulke vrouwen zijn te zien op Delvaux' schilderij 'Acropolis' (1966) dat geregeld ter sprake komt en op het omslag van de roman staat afgebeeld. Een griezelig plaatje is het, met hol wegstarende naakte en halfnaakte vrouwen in een magisch-realistische omgeving. Het kille groen van Delvaux, die met zijn buitenkantige en veel te aangeharkte schilderijen misschien wel tot de sociologen onder de kunstenaars gerekend mag worden, draagt bij aan de sombere ondertoon van de roman, hoezeer ook verlicht door Brakmans spirituele manier van vertellen. Wat moet een schrijver beginnen in een samenleving die steeds meer weg lijkt te zinken in 'het realistische geneuzel van deze tijd'?

Het antwoord is aan de lezer, die plezier moet hebben in een wereld waarin niets vastligt en alles steeds omgedraaid kan worden: een wereld waarin vrienden tot de ergste vijanden behoren, diensters uitblinken door ondienstbaarheid, de doden niet tot zwijgen zijn te brengen, dankbaarheid zomaar kan omslaan in wrok, hartelijkheid in nijd en bewijsmateriaal niet nodig is om iemand schuldig te kunnen verklaren. Brakmans sterk verinnerlijkte en beeldende manier van kijken zorgt altijd voor verrassende typeringen. Een man is bij hem niet gewoon lang, maar 'overdreven lang'. Een vrouw is niet gewoon groot, maar 'groot als een bos'. Iemand kan er bij hem, en zelfs 'meer dan ooit', uitzien 'als een samenscholing'.

Het zit bij Brakman niet alleen in de malle situaties en de mooie formuleringen. Er vormt zich bij de lezer een hinderlijk vermoeden dat het 'in het echt' misschien wel net zo erg is als in het boek: het akelige besef dat er duisterheden zijn in de mens en in zijn omgang met anderen die alleen op deze dubbelzinnige manier aan het licht kunnen worden gebracht.