Blunderende vrienden

Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes: Arthur Schopenhauer. Een oorlogsverklaring aan de geschiedenis. Wereldbibliotheek, 206 blz. ƒ 29,50

Een optimist is iemand die zegt: 'Onze wereld is de beste van alle mogelijke werelden.' Een pessimist is iemand die antwoordt: 'Je hebt gelijk.' De Duitse filosoof Arthur Schopenhauer (1788-1860) was een pessimist. Niet alleen onze wereld, maar alle mogelijke werelden zijn slecht. Schopenhauer beweerde dat de wereld op twee manieren bekeken kon worden: als wil en als voorstelling. Om hem te begrijpen moeten we een beroep doen op een door Kant gemaakt onderscheid: tussen de werkelijkheid, zoals wij die waarnemen, en de werkelijkheid, zoals die op zichzelf is. Die laatste kunnen wij niet kennen. Schopenhauer was een grote bewonderaar van Kant, maar bestreed de opvatting dat de ware werkelijkheid voor ons verborgen was. Kant heeft gelijk, indien hij het heeft over de uiterlijk waarneembare werkelijkheid: dat is de wereld als voorstelling. De mens moet echter ook bij zichzelf te rade gaan. Indien hij dat doet, treft hij in zichzelf een wil aan die, of hij zich daar nu van bewust is of niet, bepaalt wat hij in zijn leven doet. Die wil is nu volgens Schopenhauer het eigenlijke ding op zichzelf. De wil is de ware werkelijkheid.

Gaat de mens eerlijk bij zichzelf te rade, dan moet hij ook vaststellen dat die wil ten diepste een wil tot overleven is en daarom van kwaad tot erger leidt. De wil en dus de ware werkelijkheid is slecht. 'Er is geen druppel water die niet boosaardig is.' Onze werkelijkheid is er één van lijden en verdriet, waar slechts kunst en ethiek ons tijdelijk uit kunnen verlossen. Eén geschiedenisboek volstaat om deze opvatting bevestigd te zien. Leed is van alle tijden. Historici zijn echter blind voor deze wil en beschrijven niet de ware werkelijkheid, maar irrelevante details over toevallige individuen. Hun vak, geschiedenis, is derhalve een inferieure wetenschap.

Uit onvrede met hun studie-keuze hebben twee voormalige geschiedenis-studenten het boek Arthur Schopenhauer. Een oorlogsverklaring aan de geschiedenis geschreven. Het doel van dit werk van Bindervoet en Henkes is tweeledig. Ten eerste willen zij aantonen dat geschiedenis een nutteloos vak is. 'Geschiedenis is geen zoeken naar de waarheid, maar eerder een vlucht voor de waarheid.' Ten tweede willen zij Schopenhauer uit handen van de historici redden. De talloze legendes over hem behoren tot de geschiedenis en leiden af van zijn werk.

Om hun doel te bereiken gebruiken de auteurs niet het wapen van de dwingende en logische redenering maar de polemiek. Voor de doelstellingen van het boek is deze keuze rampzalig. Om Schopenhauer te verdedigen moeten Bindervoet en Henkes een beroep doen op historische feiten. Zodra zij dat proberen, weerspreken zij hun doelstelling: blijkbaar is het vak geschiedenis in ieder geval nuttig om legendes te ontkrachten.

Het boek bevat een reeks citaten van vooral negentiende-eeuwse auteurs die aantonen dat er over Schopenhauer onheuse legendes de ronde doen: hij zourancuneus, bekrompen en een vrouwenhater zijn. Aangezien historische feiten niet bestaan moet het feit dat Bindervoet en Henkes tegen deze dode auteurs ten strijde trekken vooral gezien worden als l'art pour l'art, polemiek om de polemiek.

Door de geestdrift waarmee die gevoerd wordt, is men geneigd enige feilen door de vingers te zien. Wat echter niet door de vingers gezien kan worden, is de stijl waarin dit boek geschreven is. Die kan men het best aanduiden met de term 'ketelmuziek'. Zinsneden als 'wat een beest was het' en 'op de snelweg van zijn geest', 'zachtvruchtig', 'wat je zegt ben je zelf met je kont door de helft' - daarvan word je na een aantal pagina's 'hypergevoelig'. Iedere lust tot vergevingsgezindheid verdwijnt dan. Sterker nog, je gaat partij kiezen voor de tegenstander.

Bindervoet en Henkes maken het de lezer daarbij gemakkelijk. Zo verwijten zij Goethe dat hij Schopenhauer 'streken zou hebben geleverd'. Wat voor streken? Na ontvangst van het hem ten geschenke gegeven exemplaar van Schopenhauers hoofdwerk Der Welt als Wille und Vorstellung zou Goethe het boek 'aan stukken hebben gesneden'. Allemachtig, die Goethe moet wel een grote hekel aan Schopenhauer gehad hebben. Bindervoet en Henkes bestrijden onheuse legendevorming, dus zelf zullen ze geen leugentjes verkopen. Of toch? Waar halen ze deze legende over een woest boeken aan stukkenrijtende Goethe eigenlijk vandaan? Volgens hen blijkt dit uit een brief waarin Schopenhauers zuster Adèle de reactie van Goethe op de ontvangst van het boek beschrijft. En wat lezen we daar? 'Goethe ontving het boek met grote vreugde, sneed meteen het gehele boek in tweeën en begon er onmiddellijk in te lezen.' Maar natuurlijk! In die tijd werden alle boeken onversneden verkocht, dus met pagina's die op eenzelfde moedervel gedrukt waren nog aan elkaar, zoals dat nu nog met sommige Franse boeken het geval is. Goethe moest het boek dus wel eerst opensnijden, anders kon hij het niet lezen. Goethe moet juist erg geïnteresseerd zijn geweest. Hij sneed het hele boek zelfs in één keer open.

Met dit soort blunders bereiken Bindervoet en Henkes uiteindelijk toch één van de doelstellingen van hun 'oorlogsverklaring aan de geschiedenis'. Er zullen weinig vijanden van Schopenhauer meer opstaan. Immers: 'with friends like these, who needs enemies?'