Hampson en Rieger: vocaal topevenement

Concert: Thomas Hampson (bariton) en Wolfram Rieger (piano). Programma: liederen van Loewe, Schubert en Schumann. Gehoord: 3/12 Concertgebouw Amsterdam.

De Amerikaanse bariton Thomas Hampson, vorig jaar mei de revelatie van het Mahler Feest, was gisteren terug in Amsterdam voor een recital met de pianist Wolfram Rieger. Van een 'begeleider' mag men bij Rieger niet spreken, Hampson en Rieger vormen een vocaal-instrumentaal duo, waarbij beiden een geheel gelijkwaardig niveau tonen. Dat niveau bleek ook nu weer het hoogst denkbare. Hampson en Rieger vormen na het afscheid van zangers als Fischer-Dieskau, Schwarzkopf (van wie Hampson les had) en Ameling de top van de internationale serieuze liedvertolkingskunst, zodat wat mij betreft hier sprake was van het vocale evenement van het jaar.

Het programma was prachtig samengesteld: liederen van Carl Loewe, Franz Schubert en Robert Schumann - drie in stijl sterk verschillende componisten wier levens elkaar overlapten. Loewe, één jaar ouder dan Schubert, overleefde Schumann 13 jaar en Schubert 41 jaar. Van Schumann klonk hier de cyclus Dichterliebe in de oorspronkelijk bedoelde, maar nooit gedrukte vorm met 20 nummers in plaats van de nu 'normale' zestien.

Zo kwamen Hampson en Rieger tot een ongebruikelijk hoog totaal van dertig liederen op één avond, nog gevolgd door twee toegiften. Maar met hun fenomenaal gedetailleerde en afwisselende vertolkingskunst is dat geen probleem. Het eerste lied, Loewe's Die Überfahrt over het oversteken van de doodsrivier, was daar in opeenvolgende stemmingen en wisselende expressie in de voordracht al het voorbeeld van: eerst herinnering, dan de steeds heftiger vertelling over het wegvallen van geliefden, dan het trekken van lering en tenslotte vredige mijmering.

Hampson heeft werkelijk alles mee: zijn aangename persoonlijke aanwezigheid, zijn goede smaak, zijn ideaal breed geschakeerde timbre, zijn indrukwekkende tekstbegrip, zijn perfecte dictie. Hij zingt in prachtige tempi met een enorme beeldende kracht en een verbluffend gemak in kleuring en wendbare dynamiek, weloverwogen maar niet bestudeerd of maniëristisch. Zijn zangkunst heeft altijd een natuurlijke spontaniteit. In een frase als 'bald leuchten mir die Sterne' stipt hij 'leuchten' aan met plotse glans, maar hij blijft nooit hangen in dat soort effecten.

De zes Schubertliederen, alle met Grieks-antieke referenties, vonden hun hoogtepunt in Die Götter Griechenlands. Schillers verlate oproep tot de renaissance is toch al een van de allermooiste liederen en kreeg hier een verstilde uitvoering die met pure, eeuwige schoonheid milennia overbrugde en terugvoerde naar het 'Feenland der Lieder'.

Terwijl in Loewe en Schubert sprake was van veel detaillering binnen de liederen, zochten Hampson en Rieger het in Schumanns Dichterliebe meer in contrasten tussen de liederen, die Rieger met hun vaak zeer lange naspelen maximale présence gaven, zodat de pianopartij hier soms echt als nieuw klonk. Prachtig was het allemaal, het allervervoerendst Am leuchtenden Sommermorgen en Ich hab' im Traum geweinet. Verbazingwekkend is ook altijd dat een zanger al die teksten uit het hoofd kent. Opmerkelijk was het dus dat Hampson in zijn toegift, Meyerbeers versie van Du schönes Fischermädchen, er even uitraakte en hoe hij dat oploste met zijn ontwapenende flair.