Wim Duisenberg op de drempel van het Europees Monetair Instituut; De hoeder van de euro

Op de Europese top in Dublin volgende maand zal dr. W.F. Duisenberg worden benoemd tot president van het Europees Monetair Instituut. Hij heeft geen lobby voor zichzelf hoeven voeren, er is ook geen duw- en trekwerk van de Nederlandse regering aan te pas gekomen. Duisenberg, de man met het 'fliegendes Haar' is gevraagd. Portret van een gematigd monetarist en een Europeaan zonder bevlogenheid.

Vertrouwenwekkend kijkt Wim Duisenberg in de televisiecamera. De Nederlandsche Bank heeft zojuist zijn rentetarieven gewijzigd en de president licht die beslissing toe. De bovenmeester geeft een lesje economie aan het volk: goed voor het land, vertrouwen in de gulden, lage inflatie.

Het klinkt begrijpelijk. Duisenberg, met zijn bonkige verschijning en gearticuleerde stem, heeft een sterke media-presentatie. Zijn gevoel voor het politieke moment en voor communicatie zijn perfect ontwikkeld. Bij De Nederlandsche Bank is hij wel eens vergeleken met Ronald Reagan. Evenals de Amerikaanse great communicator heeft Duisenberg meer belangstelling voor de grote lijn dan voor details en is hij er zelden op betrapt dat hij zich moe maakt. Duisenberg is zeker van zichzelf, ook in crisissituaties. “Hij kruipt niet weg als er iets aan de hand is en hij raakt nooit in paniek”, zegt een medewerker. “Duisenberg, dat is een koele.”

Eigenlijk wilde Wim Duisenberg (61) volgend jaar vervroegd met pensioen gaan. Na vijftien jaar taande de belangstelling voor zijn werk op het Frederiksplein. Hij was vaak afwezig. In kleine kring gaf 'de president' zoals hij zich laat noemen, te kennen dat hij op 1 juli 1997, direct na de afsluiting van het Nederlandse voorzitterschap van de Europese Unie in het gebouw van De Nederlandsche Bank, wilde aftreden.

Maar ongeveer een jaar geleden werd minister van Financiën Gerrit Zalm benaderd door het Comité van Gouverneurs, de club van centrale bankpresidenten van de Europese Unie. Of hij Duisenberg wilde polsen om in de zomer van 1997 de Belgische bankier Alexandre Lamfalussy op te volgen als president van het Europees Monetair Instituut (EMI) in Frankfurt. Het EMI gaat halverwege 1998 over in de Europese Centrale Bank die het monetaire beleid zal voeren over de gemeenschappelijke Europese munt die in 1999 moet worden geïntroduceerd.

Duisenberg aarzelde. In 1993 had hij de kans laten lopen om de eerste president van het EMI te worden. Maar geleidelijk was hij er van overtuigd geraakt dat de Economische en Monetaire Unie (EMU) zou lukken. Het presidentschap van het EMI was een prachtige afsluiting van zijn carrière en er werd sterke aandrang op hem uitgeoefend. Door zijn collega-centrale bankiers, in het bijzonder door Hans Tietmeyer van de Bundesbank, en ook door de Duitse bondskanselier Kohl persoonlijk. De Duitsers wilden dolgraag dat Duisenberg naar Frankfurt kwam. Niet alleen om het laatste jaar bij het EMI te vullen, maar ook om daarna door te schuiven naar het presidentschap van de Europese Centrale Bank.

“Duisenberg is uitstekend gekwalificeerd omdat hij een overtuigd voorstander van prijsstabiliteit is. Hij heeft een onafhankelijke instelling. Als het nodig is heeft hij de moed om conflicten aan te gaan”, zegt Tietmeyer. “We hebben een persoonlijkheid nodig bij het EMI. Dat is Duisenberg, met zijn indrukwekkend uiterlijk en zijn 'fliegendes Haar'.” De steun van de lijvige Westfaler is van groot belang voor Duisenberg. Tietmeyer behoort tot de drie machtigste centrale bankiers in de wereld en hij onderhoudt niet met al zijn collega's nauw contact. Maar Duisenberg, zegt hij, is anders. “Meer dan de gouverneurs van andere kleine landen behoort hij tot een belangrijke groep mensen.”

Samen met Lamfalussy, de vertrekkende president van het EMI, heeft Tietmeyer de benoeming van Duisenberg doorgezet. Nederland heeft daarbij geen rol gespeeld. Evenmin heeft Duisenberg - anders dan eerder Ruding, Lubbers en Braks - persoonlijk geijverd voor zijn internationale benoeming. De Europese centrale bankiers informeerden de ministers van Financiën en die sondeerden hun regeringsleiders. In alle hoofdsteden werd instemmend gereageerd. Alleen in Frankrijk lag het politiek gevoelig. De Fransen hadden hun heimelijke ambitie om de eerste president van de ECB te leveren nog niet opgegeven.

Bij zijn collega's heeft Duisenberg een gezaghebbende reputatie opgebouwd. Dat komt voor een deel doordat hij al zo lang meeloopt: Duisenberg is de langst zittende centrale bankier van alle geïndustrialiseerde landen. Centrale bankiers vormen een besloten club waarvan de leden elkaar geregeld treffen. Zo ontmoet Duisenberg maandelijks in Bazel, bij bijeenkomsten van de centrale bankpresidenten van de belangrijkste industrielanden, de voorzitter van de Federal Reserve Bank van New York, William McDonough. De Fed van New York is binnen het Amerikaanse stelsel van centrale banken belast met de internationale contacten.

“Duisenberg is een begaafd centraal bankier”, zegt McDonough. “Hij pakt de essentie van ingewikkelde onderwerpen snel op en hij heeft nooit lang nodig om tot een conclusie te komen.” Bovendien, zegt McDonough, staat Duisenberg open voor nieuwe informatie. “Hij straalt zelfvertrouwen uit en dat stelt hem in staat om zich flexibel te kunnen opstellen.”

McDonough deelt met Duisenberg een passie voor klassieke muziek. Duisenberg heeft een vaste plaats bij de befaamde donderdagavondserie van het Amsterdamse Concertgebouworkest.

De slûge

Niet bekend

Na vier jaar stafmedewerker bij het Internationale Monetaire Fonds (IMF) in Washington te zijn geweest, kwam Duisenberg in 1969 in dienst bij De Nederlandsche Bank. Een jaar later werd hij hoogleraar macro-economie aan de Universiteit van Amsterdam, 35 jaar oud en lid van de PvdA. In 1973 trad hij toe als minister van Financiën tot het kabinet-Den Uyl, het radicaalste kabinet dat Nederland gekend heeft. Drie maanden later braken met de oliecrisis andere economische tijden aan.

Zoals de meeste economen van zijn generatie was Duisenberg een 'Keynesiaan', opgeleid met de gedachte dat de bestedingen in tijden van recessie gestimuleerd dienen te worden. Toen door de verviervoudiging van de olieprijzen zich een koopkrachtdaling aftekende, stelde hij dan ook voor om aan alle Nederlanders per postcheque een tientje over te maken.

Het 'tientje van Duisenberg' is er nooit van gekomen, maar het kabinet-Den Uyl voerde wel de overheidsbestedingen op. Later zou Duisenberg zeggen dat Nederland zich in de tijd van het kabinet-Den Uyl “in de puree heeft gestimuleerd”. In de zomer van 1975, de minister was aan het zeilen in Friesland, kwam het Centraal Planbureau (CPB) met alarmerende cijfers. De collectieve lasten stegen te hard, de werkloosheid dreigde op te lopen naar vierhonderdduizend mensen.

Duisenberg zag in dat het economische beleid omgebogen moest worden en kwam met zijn 'één-procentsnorm': de stijging van de collectieve uitgaven moest beperkt worden tot één procent per jaar. Hij noemde het “een linkse bezuinigingsnorm”, maar stuitte op verzet, niet alleen in het kabinet maar ook bij zijn eigen partij, de vakbeweging en de samenleving. Het geloof in de collectieve maakbaarheid had bezit van Nederland genomen. Pas zeven jaar later, honderdduizenden werklozen en een financieringstekort dat naar de tien procent liep verder, begon Nederland politiek rijp te worden voor ombuigingen.

Duisenberg was toen allang weg. Na de val van het kabinet-Den Uyl (1977) was hij kortstondig Kamerlid, daarna lid van de hoofddirectie van de Rabobank Nederland en in 1981 keerde hij terug naar de centrale bank. Op 1 januari 1982 volgde hij de populaire Jelle Zijlstra op als president.

Na vijftien jaar op het Frederiksplein staat Duisenberg bekend als gereserveerd en moeilijk toegankelijk voor de staf, met uitzondering van zijn vertrouwelingen in de directie. Zijn managementsstijl wordt als 'achterover leunend' omschreven: van het imago dat hij een beetje lui is en tijd over heeft om te golfen, trekt hij zich niets aan. Duisenberg delegeert gemakkelijk en in sommige taken, zoals Kroonlid van de Sociaal Economische Raad (SER), had hij al helemaal geen zin. De laatste jaren kwam hij nauwelijks meer opdagen bij de SER.

Prijsstabiliteit

Het presidentschap van De Nederlandsche Bank is in normale tijden een gewichtige, maar niet zo'n zware functie. De Nederlandsche Bank heeft geen directe verantwoordingsplicht aan het parlement. De belangrijkste taak is te zorgen voor prijsstabiliteit, het behoud van de waarde van de munt. Maar met de gulden op de automatische piloot van een vaste koers van 1,12673 gulden voor een D-mark is het monetaire beleid sinds 1983 in feite uitbesteed aan de Bundesbank.

Verder is de centrale bank belast met de binnenlandse geldcirculatie en met het toezicht op de financiële instellingen in Nederland. In het begin van zijn presidentschap kreeg Duisenberg te maken met het bankroet van de Tilburgsche Hypotheekbank en later met de wildgroei van louche geldwisselkantoren in Amsterdam, met enkele omstreden bankiers bij de voormalige NMB-Bank en met grote fusies in het Nederlandse bankwezen. Hij stelde zich daarbij op als de toezichthouder op de degelijkheid van het Nederlandse bankwezen, een voorstander van een gezonde, sterke particuliere financiële sector. Een bankcrisis heeft Nederland al heel lang niet meegemaakt.

Grotere problemen had Duisenberg met de onevenwichtigheid tussen het monetaire beleid en het financieel-economische beleid van de overheid. De Nederlandsche Bank trapte voortdurend op de rem, terwijl het kabinet en parlement liever het gaspedaal indrukten. Vanuit de toren van De Nederlandsche Bank klonk Duisenberg in opeenvolgende jaarverslagen steeds gedecideerder. De bezuinigingen van het kabinet-Lubbers, orakelde Duisenberg, gingen lang niet hard genoeg. Onno Ruding, in die tijd minister van Financiën, herinnert zich de waarschuwingen van Duisenberg als “een steun in de rug” bij de ombuigingen. “De Nederlandsche Bank was altijd een graad strenger”, zegt hij. “Maar in zekere zin had die ook makkelijker praten.”

In maart 1983 gingen Ruding en Duisenberg zij aan zij ten onder tegen een meerderheid in het kabinet. Het ging om de gulden in het wisselkoersmechanisme van het Europese Monetaire Stelsel (EMS). Het EMS verkeerde in een diepe crisis. De Duitsers eisten van Frankrijk aanvaarding van de discipline van de D-mark. De confrontatie eindigde in een herschikking van de koersen. De vraag was wat de gulden zou doen: mèt de D-mark in waarde stijgen ten opzichte van de overige munten, of niet?

De kwestie kwam aan de orde in een onderraad van het kabinet waarbij ook de president van De Nederlandsche Bank aanwezig was. Jan de Koning, minister van sociale zaken, stelde voor om de gulden te laten achterblijven bij de D-mark. Gezien de deplorabele staat van de economie kreeg het voorstel warme steun van premier Lubbers en een meerderheid van de aanwezigen. Alleen Ruding, Van Aardenne (Economische zaken) en Duisenberg pleitten voor koppeling aan de D-mark. Tevergeefs. De stemming was vijf tegen drie. De gulden steeg ten opzichte van de Franse franc maar bleef iets achter bij de D-mark.

Het zit Ruding nog altijd dwars. “Helaas was de overtuigingskracht van Duisenberg en mij onvoldoende om de collega's over de streep te trekken.” Het besluit om achter te blijven bij de D-mark leidde, zoals Duisenberg en Ruding hadden voorspeld, tot een hogere Nederlandse rente. Dat heeft de schatkist in de daaropvolgende jaren miljarden guldens gekost aan hogere rentebetalingen over de staatsschuld.

Lunch op dinsdag

In beginsel één keer in de week, op dinsdag, lunchen de minister van Financiën, de thesaurier-generaal en de president van de centrale bank met elkaar. Vroeger gebeurde dat in Corona of Des Indes in Den Haag, tegenwoordig in Seinpost met uitzicht op de Noordzee aan de Scheveningse boulevard. Het zijn informele gesprekken over lopende zaken, praktische punten en beleidsafwegingen. Over gevoelige kwesties kan Duisenberg daar in vertrouwen meer zeggen dan hij publiekelijk in speeches doet. In de loop der jaren is de nadruk verschoven van discussies over het binnenlandse economische beleid naar internationale en vooral Europese kwesties zoals de voorbereidingen voor het Verdrag van Maastricht en de invoering van de euro. Maar nooit over rente en wisselkoersen. Dat is de autonome bevoegdheid van de centrale bank, vastgelegd in de Bankwet van 1948. Al heeft Duisenberg, zoals Ruding zegt, “wel de beleefdheid om de minister van Financiën vijf minuten voor vier te bellen met de mededeling dat er een renteverandering aankomt”.

“De lunches zijn bedoeld om elkaar bij te praten en soms om praktische beslissingen te nemen”, zegt Wim Kok, van 1989 tot 1994 minister van Financiën in het derde kabinet-Lubbers. “Over het financieel-economische beleid vormen de opvattingen van De Nederlandsche Bank voor de minister van Financiën één van de afwegingen. De Nederlandsche Bank zal bijvoorbeeld altijd kiezen voor verlaging van het financieringstekort en nooit voor lastenverlichting.”

De verstandhouding tussen Lubbers en Duisenberg, die elkaar al kenden uit de tijd van het kabinet-Den Uyl, is nooit erg hartelijk geweest. De premier kwam openlijk met hem in botsing in oktober 1990. “De bladeren vallen van de bomen en daar komt de boodschap van de president van De Nederlandsche Bank”, sneerde Lubbers na kritiek van Duisenberg op de gaten in het begrotingsbeleid. Een half jaar later kwam het kabinet met de Tussenbalans. Nog later sloeg Duisenberg terug door Lubbers 'versloffing' van de begrotingsdiscipline te verwijten.

Met Kok klikte het beter. al had Duisenberg in 1994 openlijk kritiek op het 'tandje minder' in de ombuigingen van Kok. Met Kok werkte hij ook samen bij de Europese monetaire eenwording die vanaf 1989 in een stroomversnelling kwam. Terwijl Duisenberg zich in het Comité van Gouverneurs bezig hield met de statuten van de Europese Centrale Bank, bereidde Kok in de Ecofin (de raad van ministers van Financiën) de Economische en Monetaire Unie voor. Het mondde uit in het verdrag van Maastricht (december 1991).

Crisisbeheersing

In 1992 werd het Europese wisselkoersmechanisme geteisterd door speculatieve aanvallen. Het Britse pond en de Italiaanse lire verdwenen uit het wisselkoersmechanisme, de Franse franc kwam onder zware druk te staan. Juli 1993 was het weer raak, nu met de Franse franc. In allerijl moesten de ministers van Financiën en centrale bankiers naar Brussel komen voor het zoveelste crisisberaad.

Kok was met vakantie in Zwitserland. Daarom is Duisenberg vanuit Amsterdam eerst langs het huis van Kok in Slotervaart gereden om een pak op te halen, zodat de minister, die in Brussel in vakantiekleding verscheen, zich voor de vergadering kon verkleden. “We hebben toen heel nauw samengewerkt”, bevestigt Kok. De Nederlanders gingen de vergadering in met het vaste voornemen om zich niet van de Duitsers te laten losspelen. Dat zou, tien jaar na het echec van 1983, opnieuw de geloofwaardigheid van de gulden schaden. “Vanaf het begin van de bijeenkomst was het duidelijk dat Nederland en Duitsland bij elkaar zouden blijven”, herinnert Bundesbank-president Tietmeyer zich.

Toen onder druk van de opening van de financiële markten in het Verre Oosten op maandagochtend voor de munten van het EMS een verruiming van de koersbewegingen werd aanvaard, maakten Nederland en Duitsland in een verklaring bekend dat de gulden en D-mark aan elkaar gekoppeld zouden blijven. Frankrijk was daar niet blij mee, maar een middag en een nacht van onderhandelingen waren voor Nederland met succes afgerond. Kok: “Het was fysiek uitputtend, je staat op scherp om oplossingen te vinden. Al die tijd hebben Wim en ik als koppel geopereerd.”

Op een lunchbijeenkomst in september van dit jaar in Washington, tijdens de jaarvergadering van het IMF, was Duisenberg de gastspreker. Als gast was ook Hans Tietmeyer van de Bundesbank aanwezig. Hij zat instemmend te knikken bij Duisenbergs betoog over de EMU. Behalve toen de Nederlander zei dat de euro niet zo hard als de D-mark moet worden, maar zo hard als de hardste Europese munt, de gulden.

Hardste munt

Dat was een compliment aan zichzelf, want centrale bankiers kunnen eigenlijk maar op één monetaire maatstaf beoordeeld worden: slagen ze er in om de waarde van de munt te handhaven? Duisenberg heeft wat dit betreft een uitstekende staat van dienst. De gulden behoort tot de hardste munten, de inflatie tot de laagste in de wereld. Daardoor kan de rente in Nederland laag zijn en profiteert de Nederlandse economie van relatief goedkope importgoederen.

In de loop der jaren heeft Duisenberg de verschuivingen in het financieel-economische klimaat haarfijn aangevoeld. Hij liep daarop steeds een stapje vooruit. Keynesiaan in de jaren zeventig, maar al in 1975 bekeerd. Monetarist in de jaren tachtig, maar pragmatisch. Europeaan in de jaren negentig, maar zonder bevlogenheid.

De combinatie van zijn monetaire nuchterheid en vertrouwenwekkende persoonlijkheid hebben Duisenberg gebracht waar hij nu is - op de drempel van een van de interessantste, belangrijkste en moeilijkste banen in Europa. Het presidentschap van het Europees Monetair Instituut zal meer inspanning vergen dan zijn bezigheden de laatste jaren bij De Nederlandsche Bank. En in 1998 kunnen de Europese regeringsleiders Duisenberg benoemen tot de eerste president van de Europese Centrale Bank. Hij is dan 63 jaar, een stevige roker en drinker. Aan zijn functie als hoeder van de euro zal hij nog een zware dobber krijgen. Maar Duisenberg blijft uiterlijk onbewogen. De slûge raakt nooit in paniek.

    • Roel Janssen