VOETBAL TUSSEN ERNST EN SPIELEREI

Aan de hand van de Duitse trainer Hans Meyer vaart FC Twente, de nummer drie van de eredivsie, een standvastige koers. Dat moet wel te maken hebben met de wind die uit het oosten waait. Een man uit de DDR ontmoet de Nederlandse cultuur en ziet gemoedelijkheid, maar ook overdaad en gemakzucht.

Zo, een Duitser dus. Als dat maar een vriendelijke Duitser is. Niet zo'n zelfingenomen, onberispelijke man, zo een met bulderende stem, van Ordnung muss sein, zo'n Prinzipienreiter, zo'n conservatieve Duitser voor wie slechts arbeid, macht en Mercedessen telt. Niet zo een die beantwoordt aan de vooroordelen die veel Nederlanders over Duitsers koesteren. Hans Meyer heet hij - zo'n typisch Duitse naam. En hij komt zelfs uit de voormalige DDR, de staat die stond voor dwangmatig bewegen, voor prestaties ter meerdere eer en glorie van het systeem.

Meyer is correct, vriendelijk en verontschuldigt zich voor een klusje dat hij moet afhandelen. Ter overbrugging van de tijd reikt hij een boek aan. “Leest u intussen wat”, is het voor een voetbaltrainer ongebruikelijke advies. Aha, Stefan Zweig. Die Welt van Gestern. Erinnerungen eines Europäers. Een autobiografie van de Oostenrijkse schrijver die in 1942 samen met zijn vrouw “aus freien Willen und mit klaren Sinn aus dem Leben stieg”. Zweig had zich niet langer willen verenigen met de agressie en vijandigheid die na de eerste wereldoorlog de samenleving bleef beheersen en bevrijdde zichzelf en zijn vrouw door zelfdoding. Zo'n boek dus.

'Treden wij de tijd tegemoet, zoals hij ons zoekt' - met dat citaat van Shakespeare leidt Zweig zijn boek in. Is dit wat Meyer bezighoudt? Is dit wat hij zijn bezoek wil voorhouden? Een sportman en voetbaltrainer uit de voormalige DDR, die de zin van van het leven wil doorgronden en daarvoor de wanhoop van Stefan Zweig ter hand neemt?

Een gesprek over de zin van het leven zou het dus kunnen worden, over de zin en de zinloosheid van sport, over verschillen tussen mensen, over een Duitser in Nederland, over hoe Duitsers zich in Nederland voelen en gedragen. Welnu, Enschede is niet helemaal Nederland, blijkt Meyer te hebben ervaren. Na zijn aanstelling als trainer van FC Twente in januari van dit jaar heeft hij begrepen dat zelfs in zo'n klein land de verschillen in mentaliteit groot kunnen zijn. Enschede is geen Amsterdam, Twente is geen Holland.

Meyer, bij Twente aanbevolen door oud-manager Ton van Dalen, is teruggekeerd van zijn verplichting. Hij heeft zijn bureau op orde gebracht en schuift Stefan Zweig behoedzaam met twee vingers terzijde. Hij heeft het naar zijn zin aan de rand van Nederland, zegt hij in mooie, zorgvuldig gekozen Duitse woorden. “Als men in Holland iets minder open en minder communicatief is dan hier bij de boeren, dan nog is men meer open en meer communicatief dan in Duitsland.” Het woord boeren spreekt hij met respect uit in het Nederlands. “Mensen zijn sociaal, betrokken, voelen zich met elkaar verbonden. Wanneer ze vragen hoe het met je gaat, willen ze antwoord. Dat menen ze. Amerikanen en Engelsen vragen dat uit gewoonte en wachten het antwoord niet af.”

Hem is de gemoedelijkheid in Enschede opgevallen. De aanwezigheid van een twintigtal gepensioneerden dagelijks rondom het trainingsveld, beleeft hij zelfs als idyllisch. Ja, er heerst wel een beetje een 'kletscultuur', iedereen weet alles van elkaar. Maar: “In Nederland kunnen ze ook over niets praten. Dat is wel ontspannend, dat het leven buiten het werk ook belangrijk is en niet alles ernsthaft is. In de DDR zei men: 'In West-Duitsland werken ze om te leven, wij leven om te werken'. In Nederland heerst een tussenweg. Er wordt gevierd, er zijn gezinsfeesten. Men hecht aan familie, vooral in Twente. Dat is een verademing temidden van het egoïsme dat de wereld in zijn greep houdt. De meeste mensen kiezen voor zichzelf, voor hun eigen zaak. Warmte kennen ze niet. Ambitie gaat voor. Ik ben blij dat hier nog warmte is.”

Meyer stamt uit Jena, een stad in Thüringen, waar hij bij Carl Zeiss Jena een gewone voetballer was. Hij studeerde aan de universiteit geschiedenis en genoot een opleiding tot sportleraar en voetbaltrainer. Hij mag zich tot de meest succesvolle voetbaltrainers van de voormalige DDR rekenen, een status die hij bereikte door zo veel als mogelijk zijn eigen weg te kiezen. Van dwangmatige sportprestaties hield hij zich indien mogelijk afzijdig, van kunstmatig beïnvloede prestaties had hij een afkeer. Desondanks was hij als trainer succesvol met Carl Zeiss Jena, waarmee hij in 1981 de Europa-Cupfinale voor bekerwinnaars bereikte - en verloor tegen Dinamo Tbilisi. En in mindere mate met Rot Weiss Erfurt, FC Karl Marx Stadt en Union Berlin. “Ik heb me staande gehouden, bijna zonder compromissen. Laat ik eerlijk zijn: voetbal in de DDR was niet zoals het moest zijn, omdat voetbal niet van het hoogste belang was, maar ik bereikte er toch veel mee.”

Om misverstanden te voorkomen, er waren veel dingen slecht in de DDR. Maar wanneer hij de levensomstandigheden van voor die Wende vergelijkt met die van daarna, wenst hij er op te wijzen dat geld destijds gelukkig geen centrale rol speelde. “Er was geen extreme honger, niemand hoefde onder de brug te verhongeren. En er was geen extreme rijkdom, niemand buiten de autoriteiten had veel meer dan de ander. In het Westen zijn die verschillen wel heel groot. Daar liggen toch mensen op de straat te bedelen en is er armoede, terwijl de rijken rijker worden en zich te goed doen aan overdadige luxe. Neem voetbal, dat is toch een afspiegeling van kapitalisme. Doordat in de DDR de verhoudingen niet zo scherp waren was de onderlinge verstandhouding tussen de mensen beter. Mensen leefden dichter bij elkaar.”

De term socialisme valt zonder dat hij er met betrekking tot de DDR jubelend over wenst te doen. Meyer zegt zich te verbazen dat in de Westerse economie toch nog zoveel socialisme heerst. In termen van gelijkheid voor iedereen gaat men zelfs te ver, meent hij. “Het is vreemd dat de voetbalbond een contract met Sport7 sluit en vervolgens alle clubs bijna drie miljoen geeft. Ajax, PSV en Feyenoord krijgen bijna net zoveel als Zwolle. Daarmee ondermijn je toch het concurrentiebeding? Nu wordt iedereen verwend en gaan kleine clubs in onverantwoorde zaken investeren. Ook clubs en voetballers die het niet verdienen, baden in weelde.”

Voetballen is geen hobby meer, voetballer is een beroep. Het is Meyer opgevallen dat veel voetballers in Nederland zich rijk rekenen zodra ze een profcontract tekenen. “Het heeft me verbaasd dat in geen enkel contract melding wordt gemaakt van plichten voor de speler, alleen maar van rechten. Ze verdienen 200.000 gulden en ze hebben geen enkele plicht. Voetballers hebben het te gemakkelijk, zeker in Nederland. Ik heb spelers weggestuurd met vetbandjes op hun heupen, die elke morgen met dikke ogen op de training verschenen, omdat ze slecht hadden geslapen, niet de fysieke kracht hadden om twee keer per dag te trainen. Maar wat is de cultuur? Dat de pers en het publiek het 'dat rund uit de DDR' kwalijk nemen dat hij die talentvolle voetballer wegstuurt. Profvoetballers zijn artiesten, met privileges, is de opvatting.”

Het boek van Stefan Zweig ligt weer midden op het bureau. De wanhoop van het leven waait door het kantoortje. Meyer zou ter plekke de voetballers te verstaan willen geven dat ze domweg een beroep uitoefenen en niet een zeer goed betaalde hobby. “Het is mode zich te vereenzelvigen met Ajax. Zo van: wat zij kunnen kunnen wij ook, wij Nederlanders kunnen toch wat. Maar ze vergeten dat die jongens van Ajax niet de top hebben gehaald door voetbal als hobby te beschouwen. Voetballer zijn is als een arbeider, een kantoorbediende, een zakenman, gewoon een man die zijn beroep uitoefent en voor zijn gezin geld verdient. Het is nog veel belangrijker. Als hij straks 32 is, is het over met voetbal. Dat moet de voetballer zich realiseren.”

Natuurlijk is het niet alleen de schuld van de jongens. “Jongens van begin twintig die op handen worden gedragen kan weinig worden verweten. Het is de samenleving die hen verwent. Clubs moeten al in hun jeugdopleiding voetballers voorbereiden op het beroep voetballer. Het is heerlijk om talent te hebben, ik wou dat ik het had gehad, maar er iets mee te doen is moeilijk. Daar zijn voetbalorganisaties voor. In de DDR werd altijd aandacht besteed aan nevenactiviteiten, naast de sport studies te volgen die op latere leeftijd van pas kunnen komen. Voetballer zijn vraagt om zelfdiscipline. Het is een beroep met heel veel vrije tijd. Maar er zijn weinig voetballers die er iets zinnigs mee doen. De meesten genieten liever van hun verworvenheden.”

Waarom zou een beroepsvoetballer wel alles cadeau krijgen en een fabrieksarbeider niet, vraagt Meyer zich af. Misschien omdat talent voor voetbal als een gave wordt beschouwd die slechts weinigen ten deel valt. “Maar het is een misverstand dat je alleen op talent de top bereikt”, antwoordt Meyer. “Het is de samenleving die voetballers adoreert en daarmee een valkuil voor hen graaft. Wie niets met zijn talent doet, blijft een eeuwig talent. Er ligt een taak bij trainers om jonge voetballers niet alleen tactisch en technisch te scholen, maar ook mentaal. Een jeugdtrainer moet zijn als een vader die streng is maar toch altijd van zijn kinderen blijft houden.”

Hij voerde bij FC Twente rigoureuze veranderingen in de trainingsaanpak door. Lichamelijke fitheid heeft prioriteit. Want wie lichamelijk fit is, is mentaal weerbaar. Hij onderwierp zijn spelers aan medisch-wetenschappelijke testen, adviseerde hen cooling-down, na een wedstrijd uitlopen - ook wanneer er verloren is. Hij vraagt meer krachttraining en overweegt vitamine-preparaten te laten toedienen. Niets is zo conservatief als de trainingsmethode van voetballers, zou Meyer willen zeggen. “In elk geval trof ik hier in Enschede een amateuristisch boel aan, spelers die een slechte conditie hadden en zo verder. Van: laat maar, het gaat goed en gaat het niet dan gaat het niet.”

Bij FC Twente heerste de opvatting dat de club toch nooit kampioen kon worden, merkte Meyer. “Ajax, Feyenoord en PSV zijn de top, die hebben de beste spelers, de beste trainers, het meeste geld, de grootste stadions. Dat is toch niet voor Twente weggelegd. Wie de top wil halen gaat naar een topclub. Maar dat er mogelijkheden zijn om van FC Twente een topclub te maken, wordt vergeten. Te vaak hoor ik: het is altijd zo geweest, dan zal het ook wel zo blijven. Precies zoals ik het zei: gemakzucht en een minderwaardig gevoel ten opzichte van de clubs uit Holland. Ik ben 54, nog ambitieus. Ik hoop dat te kunnen veranderen. Jullie zeggen: het zit tussen de oren. Het moet daar weg. Nieuwe wegen inslaan, nieuwe uitdagingen aannemen.”

Dus toch die Duitse dadendrang die botst met Nederlandse vrijblijvendheid? Botsen is niet het juiste woord, vindt hij. “Ik geniet van Nederlanders als ze voetballen. Er is niet alleen zoals in Duitsland de wil om te winnen, ook plezier. Niet alleen Sturm und Drang, ook spielerisch voetballen. Dat is een mooie mengeling.”

Stefan Zweig lijkt niet toevallig aanwezig. Meyer probeert zich te verontschuldigen voor deze literatuur. “Ik lees zo af en toe een boek. Ik ben heus geen filosoof. Maar afstand nemen is belangrijk. Altijd met voetbal bezig zijn heeft zijn keerzijde. Soms pak ik een boek wanneer we 's avonds na een wedstrijd in de bus zitten. Dan is het zinvol te lezen wat andere mensen beweegt om te leven en te willen sterven. Lezen en leren heeft elke dag zin.”