Stembus vergrootte kloof in Karabach

Het is toeval, maar het lijkt wel afgesproken werk: in de Kaukasus zijn of worden in alle gebieden die zich de afgelopen jaren met geweld hebben afgescheiden en eenzijdig hun onafhankelijkheid hebben uitgeroepen, verkiezingen gehouden waarmee die afscheiding wordt gecementeerd.

Eerder deze maand hebben de Zuid-Osseten, die zich van Georgië hebben afgescheiden en zich het liefst bij Noord-Ossetië (dat deel uitmaakt van Rusland) willen aansluiten, een nieuwe president gekozen - tot woede van de Georgische leiding. In het westelijker gelegen Abchazië, dat zich ook van Georgië heeft losgevochten, is - eveneens tot woede van Tbilisi - een parlement gekozen. En Nagorny-Karabach, dat zich van Azerbajdzjan afscheidde, heeft zondag een president gekozen.

In Tsjetsjenië ten slotte wordt in januari gekozen - al zijn die verkiezingen, in tegenstelling tot de andere, het resultaat van een akkoord met het land waarvan de Tsjetsjenen zich hebben losgemaakt, Rusland.

De verkiezingen in Nagorny-Karabach zijn een streep door de rekening van de Europese Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking OVSE, die maandag en dinsdag in Lissabon bijeenkomt en die bij die gelegenheid heel graag een begin van een vreedzame oplossing van het al sinds 1988 slepende conflict had willen melden. Maar de zaak zit muurvast. Niet alleen zijn de betrokken partijen - Azerbajdzjan, Armenië, de Armeniërs van Nagorny-Karabach - in het vredesoverleg de laatste maanden geen centimeter dichter bij elkaar gekomen, de presidentsverkiezingen in Nagorny-Karabach hebben de kloof zelfs nog groter gemaakt. In de Azerbajdzjaanse hoofdstad Baku gaat menigeen ervan uit dat de oorlog tegen de Armeniërs van Karabach binnenkort wel eens zou kunnen oplaaien.

De Armeniërs van de enclave Nagorny-Karabach kwamen in 1988, nog ten tijde van het Sovjet-bewind, in opstand tegen de Azeri en vochten zich, materieel en moreel gesteund vanuit Armenië, in een bloedige oorlog vrij. In de laatste fase van de oorlog veroverden ze ook nog eens grote delen van Azerbajdzjan zelf. Dat gebied bezetten ze nog altijd; ze willen het pas ontruimen in het kader van een vredesregeling. Bij de oorlog vielen tussen 20.000 en 50.000 doden en werden één miljoen Azeri - een op elke zeven inwoners van het land - op de vlucht gedreven.

Sinds de wapenstilstand van mei 1994 heerst in het gebied een gewapende vrede, die de Armeniërs in staat heeft gesteld hun goeddeels verwoeste gebied en vooral hun leger weer op te bouwen. Het gaat op dit moment door voor het meest gedisciplineerde en het best georganiseerde leger van de hele vroegere Sovjet-Unie, veruit superieur aan het Azerbajdzjaanse leger, hoewel Karabach slechts 140.000 inwoners telt. Maar de Armeniërs van Karabach zijn vechtjassen die bouwen op een eeuwenoude militaire traditie: zij schonken het vroeger Sovjet-leger drie maarschalken en een admiraal. De hele economie van Karabach staat in dienst van het leger. De militaire successen zijn vooral te danken aan de opperbevelhebber, de 31-jarige generaal Samvel Babajan, en aan de naar de Armeniërs overgelopen Russische generaal Anatoli Zinevitsj. De militaire kracht van de Karabach-Armeniërs is vermoedelijk de enige reden waarom het bestand al ruim twee jaar stand houdt.

Het vredesoverleg zit muurvast op de Armeense eis van zelfbeschikking: de Armeniërs van Karabach willen onder geen beding nog bij Azerbajdzjan horen en hebben het aanbod van volledige autonomie afgewezen. Ze hebben in 1991 hun eigen republiek uitgeroepen - die door niemand wordt erkend, ook niet door Armenië - en voelen zich sterk genoeg om concessies te weigeren. Azerbajdzjan houdt van zijn kant vast aan de eigen territoriale integriteit en wil van losmaking van de enclave niets weten. Het heeft de Armeniërs van Karabach ook nooit als gelijkwaardige onderhandelingspartner geaccepteerd.

De OVSE zal dus maandag en dinsdag niet als gehoopt een doorbraak kunnen aankondigen. Sterker: het is de vraag of de OVSE in Lissabon überhaupt tot een verklaring over Karabach komt. Als die een clausule bevat over de territoriale onschendbaarheid van Azerbajdzjan, zal Armenië haar met een veto torpederen. Azerbajdzjan wil op zijn beurt een veto uitbrengen tegen een verklaring als daarin een verwijzing naar die territoriale integriteit ontbreekt.

De presidentsverkiezingen in Karabach hebben de situatie nog gecompliceerd. Robert Kotsjarian, de man die al in 1994 door het parlement tot president werd gekozen, versloeg twee tegenkandidaten en werd met 86,11 procent van de stemmen door de kiezers van zijn enclave herkozen. Azerbajdzjan protesteerde uiteraard in scherpe bewoordingen tegen de verkiezingen: ze waren “illegaal”, bedoeld om “het vredesproces te torpederen”, “de erkenning van Karabach als staat af te dwingen” en “een deel van Azerbajdzjan te annexeren”. Overal in Azerbajdzjan werd op de dag van de verkiezingen in Karabach kwaad gedemonstreerd. Ook Rusland - co-voorzitter van de uit vertegenwoordigers uit twaalf landen bestaande Groep van Minsk die namens de OVSE het overleg coördineert - protesteerde, omdat de verkiezingen een voldongen feit scheppen en het vredesproces doorkruisen.

Hetzelfde argument werd door de Amerikaanse en een aantal Westeuropese regeringen gebruikt. Ook is, vooral door Moskou, het argument gebruikt dat de Armeniërs in Karabach de Azerbajdzjaanse minderheid uit de enclave (50.000 Azeri, eenderde van de bevolking in 1988) hebben verdreven en dat verkiezingen pas kunnen worden gehouden als de vluchtelingen weer naar huis zijn teruggekeerd.

Robert Kotsjarian wilde van die door de hele buitenwereld (behalve Armenië) gedeelde argumenten niets weten en heeft de presidentsverkiezingen doorgedrukt: het vredesoverleg zal zich “nog jaren voortslepen” en daar kan men in Arzach, zoals het gebied in het Armeens heet, niet op wachten. Arzach is onafhankelijk en een onafhankelijk land heeft nu eenmaal een president. Aan de door Azerbajdzjan aangeboden autonomie bestaat geen behoefte meer: “We hebben vrijheid en onafhankelijkheid. Aan autonomie hebben we niets. Azerbajdzjan biedt ons wat het zelf niet heeft.”

    • Peter Michielsen