Spelonken van de geest; Prehistorische grotschilderingen ontstonden uit visioenen

Zo'n 300 grotten zijn er bekend met tekeningen uit de periode van 33.000 tot 10.000 jaar geleden. Volgens de Franse archeoloog Jean Clottes zijn ze de neerslag van visionaire ervaringen.

Jean Clottes, David Lewis-Williams: Les Chamans de la préhistoire. Transe et magie dans les grottes ornées. Seuil 1996, fl.93,-.

Jean Clottes: Les cavernes de Niaux. Art préhistorique en Ariège. Seuil 1995. FF 390,-.

Bert Schaap organiseert regelmatig studiereizen naar Franse en Spaanse grotten. (inlichtingen: 043-361.6193)

DOODSTIL IS HET, en aardedonker. Een halve kilometer ver in de grot van Niaux is zelfs het zachte waterdruppen opgehouden. Ooit stroomde er in deze spoortunnelachtige grot een rivier. Nu ligt slechts hier en daar een plasje op de zandige grond. De archeoloog Jean Clottes staat half in een kleine nis in de rechterwand. Zijn lantaarn is gedoofd. “Een ideale plaats om visioenen te krijgen”, zegt hij, “een perfect heiligdom”. Onverhoeds doet hij ook mijn zaklantaarn uit.

Daar staan we dan, in de leegte van de duistere berg. Achter ons in de nis heeft dertienduizend jaar geleden iemand twee bizons in de wand gegraveerd, ten tijde van de laatste IJstijd. Bizons, rendieren, paarden, steenbokken, mammoeten en oerrunderen liepen overvloedig rond op de Zuidfranse jachtvelden. Waarom zou een jager deze bizons hebben getekend, diep verborgen in een berg? Omdat hij of zij daar daadwerkelijk deze dieren heeft gezien, in een visioen op de wand - denkt Jean Clottes.

Aan weerszijden van de nis zijn op de tunnelwand rode en zwarte tekens aangebracht: strepen, punten en 'sleutelvormen' - een streep met een duidelijke uitstulping aan een kant. De stippen en geometrische patronen passen bij het eerste stadium van een hallucinatie, denkt Clottes. En de sleutelvormen? Ze zijn overal in Zuid-Frankrijk in grotten uit deze periode gevonden, niet in oudere. Misschien vormen ze een soort clan-symbool, “maar zeker weet ik het natuurlijk niet”.

Na een kort moment van bezinning in het aardedonker, ontsteekt Clottes zijn lantaarn weer en zwaait haar een beetje heen en weer. Met lichtflakkering op de grillige rotswanden imiteert hij het schijnsel van kleine vetlampjes. “Stel je eens voor hoe ze hier hebben gelopen. Zo totaal anders dan wij”, zegt hij, terwijl zijn stem nagalmt in de eindeloze donkere gang. “Die jagers hadden geen idee waarom er hier een grot was. Ze wisten niets van geologie. Via een gat in de grond kwamen ze in een totaal andere wereld: nat, donker, geen geluiden, geen wind. En geen dieren. Dat was misschien nog wel het vreemdst: geen dieren! In hun gewone wereld waren overal dieren. Het is logisch dat die dieren hier ook moesten zijn, desnoods in een andere gedaante.”

We lopen verder en even later schijnt Clottes op de rechterwand van de grot. Hij toont wat rode strepen en vlekken. Het lijkt nergens op, totdat hij er zijn lantaarn van opzij op laat schijnen. Uit de schaduw van een kleine oneffenheid ontstaat plotseling de rug van een verticale bizon. De rode strepen blijken de buik, poten en kop weer te geven. Clottes: “Deze figuur is cruciaal voor mijn theorie: de bizon komt hier direct uit de rots zelf te voorschijn. De wand was de verbinding met de Andere Wereld, vol diergeesten.” In een andere grot in Ariège, de Enlène, vond Clottes kleine botjes die in rotsspleten waren gestoken. Bedoeld om in contact te komen met de wereld achter de rotswand, denkt hij.

Om de hoek bereiken we de beroemde Salon Noir van Niaux, waar vele tientallen paarden en bizons op de wand zijn geschilderd. Clottes toont er nog een paar voorbeelden van het creatief gebruik van natuurlijk reliëf. In een spleet in de muur zagen de IJstijd-jagers kennelijk de kop van een steenbok en ze tekenden er twee hoorns bij. En een bobbelige rotsrand werd de rug van een bizon. “Belangrijk bij deze voorbeelden is dat het niet vreselijk voor de hand ligt om hierin dieren te zien, maar toch deden ze het. Ze wìlden het zien.”

Een paar weken geleden verscheen bij Editions Seuil in Parijs het boek Les Chamanes de la préhistoire, waarin Jean Clottes - samen met de Zuidafrikaanse archeoloog David Lewis-Williams die eerder een boek schreef over sjamanistische Bosjesmannen - de theorie presenteert van de prehistorische sjamaan, voor wie de grotten èn de tekeningen fungeren als verbinding met de geesteswereld. Ze betrekken daarbij vrijwel alle bekende, meest Franse en Spaanse grotten - van de onlangs ontdekte Chauvet-grot van circa 33.000 jaar geleden en de Lascaux-grot (vermoedelijk 18.000 jaar oud) tot aan de relatief late Niaux-grot (13.000 tot 11.000 jaar oud). “Want ondanks alle diversiteit getuigt de grote langdurige eenheid van deze grotkunst van een gemeenschappelijke kader”, aldus de archeologen.

Het gaat om een 'beschaving' die 20.000 jaar bestond, langer dan de tijd die er sindsdien verstreken is. En misschien is ze nog wel ouder ook, want de tekeningen in de stokoude Chauvet-grot tonen al een hoge graad van perfectie. Door de tijd heen variëren de afgebeelde dieren. In Chauvet zijn het vooral leeuwen, beren en neushoorns, in Niaux paarden en bizons. Maar altijd gaat het om individueel verschillende, realistische dierafbeeldingen, op verschillende schalen naast of over elkaar getekend, zonder enige achtergrond of omgeving, en in zij-aanzicht, vrijwel nooit in vooraanzicht - vaak in combinatie met lijnen, stippen, vlekken, handafdrukken en een enkel fantasie-beest.

Het gemeenschappelijke kader van die IJstijdcultuur was het sjamanisme, aldus Clottes. Het woord 'sjamaan' is afkomstig van Siberische stammen en duidt een medicijnman aan die in trance reizen kan maken door de wereld van de geesten. Aan die reizen ontlenen zij kracht en allerlei kennis. Vaak is er een bevriende geest die de sjamaan gidst door de Andere Wereld. Het zelfde gebeurde in de late Oude Steentijd, denkt Clottes: “Door de duisternis en de stilte gaf de grot zelf al aanleiding tot visioenen. Maar de grot was meer: het was ook ècht de andere wereld. Deze tekeningen zijn gemaakt door sjamanen die de afdaling in de grot werkelijk beschouwden als een tocht door de geestenwereld. De schilderingen zijn daarom meer dan afbeeldingen van wat ze zagen. Het schilderen in de grot was een manier om in contact te komen met de Andere Wereld achter de rotswand. Daarom vinden we ook zo veel verfafdrukken van handen op de muren.”

De schilderingen zijn géén afbeeldingen van de gewone werkelijkheid, beklemtoont de Franse archeoloog. “Het is de geestenwereld zelf. Omdat de jagers deze dieren zo goed kenden, zijn het zulke realistische schilderingen. Maar zonder enige achtergrond. Er zijn geen planten, bossen, bergen, zon, maan: niets.”

Kern in de theorie van Lewis-Williams en Clottes is dat in de grottekeningen - en zelfs in de verdeling ervan over de grot - de drie stadia te herkennen zijn van sjamanistische trance. In feite gaat het hier om de stadia van veel visioenen of hallucinaties, die kunnen ontstaan door isolement in een prikkelarme omgeving maar ook door drugs, hyperventilatie, ritmische dansen, vasten, eentonige zang of andere methoden. Veel bijna-dood-ervaringen en 'uittredingen' voldoen ook aan deze drie stadia. Dit vermogen tot hallucineren kan beschouwd worden als een universeel kenmerk van het menselijk zenuwstelsel.

In de eerste fase ziet de sjamaan geometrische patronen in felle kleuren: punten, zigzaggen, lijnen, cirkels. In het tweede stadium worden deze beelden gerationaliseerd tot duidelijk herkenbare objecten, afhankelijk van de cultuur. Een katholiek ziet al gauw een heilige, iemand die denkt te sterven ziet zijn reeds overleden vader. En de paleolithische hallucinant in een grot ziet dieren. De derde fase van bewustzijnsverandering treedt in met de ervaring van een tunnel of een draaikolk, waarin vaak de geometrische patronen terugkeren. Door die tunnel, achter de geometrische patronen ziet de visionair een volledig andere wereld. In deze fase kan de sjamaan - in zijn visioen - getransformeerd worden tot een dier of een fantasiewezen of gaan vliegen.

De eerste fase wordt vertegenwoordigd door de lijnen, stippen en andere geometrische patronen die vaak op strategische plaatsen in de grotten zijn aangebracht, bij de ingang bijvoorbeeld, of bij vernauwingen. In deze gangen bevinden zich vooral tekens, en een kleiner aantal 'losse' tekeningen. De meeste diertekeningen zijn geconcentreerd in een of meer centrale 'zalen'. Deze rijk beschilderde zalen waren bestemd voor grotere bijeenkomsten, mogelijk om de aanwezigen voor te bereiden op wat hen in de gangen te wachten stond of om de gemeenschap als geheel te laten delen in de ervaringen van de elite. Het bestaan van een sociale sjamanen-elite acht Clottes waarschijnlijk wegens de hoge kwaliteit van veel tekeningen. Alleen een getrainde elite kan daartoe in staat zijn geweest. Tijdens ceremoniën in zo'n zaal, ongetwijfeld met zang en dans, werd de fantasie van de aanwezigen onvermijdelijk geconditioneerd en de inhoud van de eventueel volgende visioenen al sterk ingevuld. En mogelijk fungeerde zo'n zaal ook als 'etalage' om naburige stammen te imponeren.

Fantasiedieren en 'getransformeerde' mensen die horen bij het derde stadium van de hallucinatie zijn amper afgebeeld. Is dat niet in strijd met de theorie? Clottes wijst erop dat ze voorkomen op belangrijke plekken. In een afgescheiden nis in de Salon Noir bijvoorbeeld is het onderlichaam van een mens afgebeeld, dat lijkt over te gaan in een dierenlijf. In de grot Trois-Frères bevindt zich op een centrale plek een beroemde afbeelding van een 'getransformeerde tovenaar'. En in de Salon Noir bevindt zich een bizon waarvan de penis te ver naar achteren is geschilderd: bijna tussen de achterpoten. Clottes: “Eerst dacht ik dat het gewoon een slordigheid was. Maar de laatste tijd begin ik me af te vragen of dat wel zo is. Misschien gaf de tekenaar subtiel aan dat het hier 'eigenlijk' om een man gaat. En hoeveel van de dieren zijn misschien niet ook getransformeerde sjamanen? Ik sprak in Californië met de spiritual keeper van Indiaanse rotstekeningen. Ik vroeg over een tekening: 'Dit is een beer, hè?'. 'Nee', zei hij, 'dat is een medicijnman'. 'Maar het is toch een beer?'. 'Ja, dat is het zelfde', zei hij toen. Het een sluit het ander niet uit.”

Aan het einde van de IJstijd, ca. 10.000 jaar geleden, veranderde het klimaat. De grote kudden koudeminnende dieren trokken weg of stierven uit en daarmee moesten ook de mensen hun manier van leven wijzigen. De paleolithische schilderstijlen verdwenen. De Midden Steentijd begon, het mesolithicum. Spoedig werd de landbouw ontdekt, en later het gebruik van metalen en nog later het schrift. Op de rotswanden verscheen een nieuwe stijl: mensen werden veel vaker afgebeeld en ook niet langer geïsoleerde afbeeldingen, maar scènes en gebeurtenissen. “Na het einde van de IJstijd veranderde het menselijk zelfbewustzijn. De paleolithische mens was in feite nog een dier onder de dieren: hij was niet sterker, niet sneller, niet groter. Maar daarna ging de mens dieren temmen en planten kweken. De mens zèlf kwam centraal te staan in zijn bewustzijn”, aldus Clottes.

De paleolithische grottekeningen zijn bij toeval bewaard gebleven, dankzij het stabiele klimaat in de grotten. De oude tekeningen en graveringen op rotswanden in de open lucht zijn vrijwel allemaal verweerd en verdwenen. Daardoor lijkt het nu alsof de grotten een centrale rol speelden in het prehistorische leven. “Maar de tekeningen daar vormden maar een zeer klein deel van het totaal, misschien minder dan vijf procent”, denkt Clottes. In de buitenkunst die wel bewaard is gebleven worden dezelfde thema's afgebeeld als in de grot, al komen er iets meer mensen op voor. “Het is het zelfde systeem. Er zijn analogieën. De sjamanistische cultuur in Noord-Amerika speelt zich niet af in grotten. Grotten zijn niet noodzakelijk, maar ze voegen wel wat toe. Ze zijn een plus.”

Juist de laatste tijd worden in Noord-Spanje en -Portugal veel paleolithische rotstekeningen ontdekt in de openlucht. Clottes was de eerste die namens UNESCO de rotstekeningen in het Portugese Foz Coâ dateerde als paleolithisch. Een en ander leidde onlangs zelfs tot de afgelasting van de bouw van een stuwdam die de hele Foz Coâ-vallei onder water zou hebben gezet.

Clottes benadrukt dat de sjamanen-theorie niet te bewijzen of te weerlegggen valt. “Ja, als je tekeningen zou vinden van sjamanen die duidelijk hallucinerende paddestoelen opeten. Of overblijfselen van die paddestoelen op de bodem van een grot. Maar dan nog zegt zoiets alleen iets over die periode, niet over de rest van de 20.000 jaar. Ik zie onze theorie meer als een verklaringsmodel, als een hypothese die het best past op de bekende feiten.”

Les Chamanes de la préhistoire is het gevolg van een veeljarige discussie. Lewis-Williams publiceerde in 1989 samen met een andere Zuidafrikaan een boek over sjamanistische rotstekeningen van Bosjesmannen. Op congressen sprak Clottes er regelmatig over met Lewis-Williams. “Het kostte me enige tijd om zijn ideeën tot me door te laten dringen”. Tweeëneenhalf jaar geleden nodigde Clottes hem “in een opwelling” uit naar Frankrijk te komen en “in de grotten zelf verder te discussiëren”. Het leidde tot wat Clottes noemt “een behoorlijk belangrijk boek”: “Het is voor het eerst in 30 jaar dat er een nieuwe veelomvattende these over de paleolitische tekeningen verschijnt.”

Clottes overdrijft niet. Want zo fascinerend als het mysterie van de betekenis van de grottekeningen wordt gevonden door de meeste mensen die er mee in contact komen, zo verrassend weinig theorieën ter verklaring zijn er geweest, sinds eind vorige eeuw de eerste tekeningen in het Noordspaanse Altamira werden ontdekt. De eerste verklaring was dat het hier om zuivere art pour l'art ging, gecreëerd door 'nobele wilden'. Vervolgens ontstond de 'magische-jachthypothese', met de Franse archeoloog Henri Breuil als belangrijkste protagonist die vanaf ca. 1900 tot zijn dood in 1961 het Franse grotonderzoek volkomen beheerste. De gedachte was dat de prehistorische jagers door het schilderen van hun prooi macht over de dieren konden krijgen. Maar lang niet altijd zijn dieren geschilderd die het meest gegeten werden. De vele 'tekens' in de grotten deed Breuil meestal af als 'lignes parasitiques'.

Na de dood van Breuil verscheen vrij snel de 'structurele benadering' van de Franse archeoloog André Leroi-Ghouran, die op grond van enorme inventarisaties een bewuste structuur wilde zien in de verdeling van de verschillende dieren en 'tekens' over de grot. In de meeste grotten zijn vooral bizons en paarden te zien, die volgens Leroi-Ghouran een seksuele polariteit weergaven, met de bizons als vrouwelijk en de paarden als mannelijk element. Een probleem was dat Leroi-Gourhan vaak maar een enkel paard als gelijkwaardige tegenhanger van een grote hoeveelheid bizons kon presenteren - of andersom. Op nieuw gevonden grotten waren de ingewikkelde schema's vaak al helemaal niet toepasbaar. Maar in Frankrijk bleven deze ideeën overheersen, tot na de dood van Leroi-Gourhan in 1986.

“De Franse archeologie is niet zo theoretisch”, geeft Jean Clottes toe, als we na het bezoek aan de grot wat eten in een restaurant in de buurt. “Het is dus niet zo gek dat de vernieuwing nu uit de Angelsaksische wereld komt. Die zijn veel theoretischer. Wij zijn toch vooral bezig met opgravingen, met monografieën vol aandacht voor details.”

Clottes is uitermate geschikt om de verbinding te leggen met de niet-Franse traditie. In tegenstelling tot de meeste Franse archeologen spreekt hij vloeiend Engels. En hij neemt ook een vooraanstaande plaats in in het doorgaans nogal hiërarchische Franse wetenschapswereldje. In de jaren zeventig en tachtig was hij als directeur des antiquités préhistoriques verantwoordelijk voor behoud en wetenschappelijke studie van de tientallen belangrijke prehistorische grotten in de Zuidfranse regio Midi-Pyrenées. Sinds een paar jaar is hij adviseur van de Franse regering inzake prehistorische rotstekeningen. Als zodanig was hij nauw betrokken bij vrijwel alle belangrijke ontdekkingen van de laatste tijd.

Ook persoonlijk was de zestiger Clottes toe aan nieuwe theorie: “Ik heb mijn hele leven opgravingen gedaan en me beziggehouden met de vraag 'hoe', niet met 'waarom'. Ik graaf al een paar jaar niet meer. Nu is de tijd gekomen om me in het waarom te verdiepen. En ik heb ook niets meer te verliezen.”

In Nederland is de belangrijkste - en ook zo ongeveer de enige - rotskunstdeskundige de kunsthistoricus en prehistoricus Bert Schaap, van het Studiecentrum voor prehistorische kunst in Maastricht. Hij is sceptisch over de nieuwe sjamanen-theorie. “Ik kan haast niet geloven dat volwassen academici en vooraanstaande rotskunstonderzoekers zich zo laten meeslepen door zo'n los idee. Het sjamanisme is erg in de mode, maar zelfs voor het visionaire karakter van de Zuidafrikaanse tekeningen zijn de bewijzen niet altijd overweldigend.”

Schaap vindt te weinig aanwijzigen voor visioenen in de tekeningen zelf. “Het enige dat we hebben zijn toch die plaatjes. Ja, er is een tekening in Lascaux van een mannetje dat ligt voor een bizon waarvan de buik is opengesneden. Ernaast staat een soort vogelkop op een stok afgebeeld. Dat zou kunnen wijzen op sjamanisme, maar even goed op wat anders. We weten het gewoon niet.”

Toch wijken Schaaps eigen ideeën niet sterk af van die van Clottes. “Mijn verklaring is dat het gaat om cultusplaatsen, waar diergeesten of -goden zijn afgebeeld. In de grotten zijn waarschijnlijk religieuze 'seizoenshappenings' gehouden.” Verder wil hij niet gaan in zijn interpretatie. “Want of het hier gaat om jachtsymboliek, sjamanistische visioenen of seksuele tekens, valt op grond van het beschikbare materiaal niet te zeggen. Het kan allemaal, maar het kan ook niet.”

    • Hendrik Spiering