Rob in retraite; Jacht, vissers en toerisme zijn moordend

DE MEDITERRANE monniksrob behoort tot het illustere rijtje diersoorten die mondiaal met direct uitsterven worden bedreigd. Hij heeft te kampen met toegenomen scheepvaart en kustbebouwing, maar in de eerste plaats met jacht en concurrentie door vissers.

Monniksrobben zijn de enige zeehonden van het wat warmere water. Van de drie soorten is de Caribische monniksrob (Monachus tropicalis) er hoogst waarschijnlijk al niet meer. De Hawaiiaanse monniksrob (M. schauinslandi) is onder meer door aanleg van militaire vliegvelden en door toerisme snel achteruitgegaan. De mediterrane monniksrob (M. monachus), zo genoemd vanwege zijn kleurschakering die aan een habijt doet denken, is al even gevoelig voor verstoring. Hij is op zoek naar rust, maar vindt die nog maar zelden.

“In de afgelopen twintig jaar is er een veelheid aan initiatieven geweest en zijn er in nationale en internationale fora vele plannen opgesteld, maar aan de werkelijke problemen is nog erg weinig gedaan”, zegt dr.ir. Peter Reijnders, onderzoeker bij het Instituut voor Bos- en Natuuronderzoek (IBN-DLO). Met zijn collega's voert hij onderzoekprogramma's uit naar het wel en wee van de monniksrob. Hij is tevens adviseur voor de Europese Commissie op het gebied van marine ecosystemen en voorzitter van de Seal Specialist Group van de World Conservation Union, die een internationaal beheersplan voor kustbeheer heeft ontwikkeld. Zeker wat de Middellandse Zee betreft, waar de monniksrob bijna overal voorkwam, is het daarvoor hoog tijd. Reijnders: “We hebben zojuist een rapport voor de Europese Commissie afgerond. Voor de hele Middellandse Zee, inclusief de Noordafrikaanse kust, kwamen we uit op nog zo'n vermoedelijk 350 tot 400 dieren. Maar dat is een schatting, veel is nog onbekend.”

Gelukkig heeft de soort een aardige dependance. De Atlantische Oceaan telt bij Marokko en Mauretanië zo'n driehonderd dieren, met als zwaartepunt een grote groep op de Mauretaanse Kaap Blanc. Maar bij Corsica zijn in minder dan veertig jaar de aantallen “volgens een rechte lijn naar beneden gegaan. Sinds de jaren zeventig zijn daar geen dieren meer. Ook bij Sicilië, aan de kust van Libanon en bij Cyprus zijn ze verdwenen. Van Sardinië komt nog heel af en toe een melding van een zwerver.”

Het is niet eens zozeer de vervuiling, zegt Reijnders. “Er zijn eenvoudigweg steeds minder plekken waar de dieren met rust worden gelaten, ze zijn er alleen nog op plekken waar weinig mensen komen. Binnen de Middellandse Zee speelt het opzettelijk doden van zeehonden een hoofdrol, voornamelijk door vissers. Dat is de voornaamste factor. Zolang die druk er nog is, kan de populatie zich niet herstellen. Naast de directe bedreiging door doodschieten of meevangen in netten is er een sterke voedselconcurrentie op plekken waar weinig vis is. En dan gaat het ook nog om een soort met een relatief langzame voortplanting.”

Er zijn maar een paar gebieden waar de trend niet dalend is. “Bij de noordelijke Sporaden in Griekenland en de Ionische Zee aan de westkant, zijn de aantallen de laatste vijf jaar niet sterk gedaald, maar daar wáren er al weinig. In de hele Ionisch Zee zitten zo'n dertig dieren. Onderverdeeld in kleine groepjes.” Het leven in kleine groepen is van recente tijden. Van oudsher hebben de monniksrobben niets tegen flinke samenkomsten, maar geschikte stranden voor het grotere clubverband werden onbruikbaar. Gevoelig voor verstoring, namen zij hun toevlucht tot afgelegen grotten met een beperkt aantal ligplaatsen.

Die fragmentatie breekt de dieren nu verder op en inteelt ligt op de loer. De vraag is in hoeverre nog uitwisseling mogelijk is tussen de kleinere vestigingen. Reijnders: “Als die hele groep van de Middellandse Zee bijvoorbeeld ergens in Griekenland zou zitten, zou dat natuurlijk nadelen hebben: een olieramp en je bent alles kwijt. Maar gezien vanuit de populatie-genetica zou je dan een kern van vitaliteit hebben die het opnieuw koloniseren van het verdere gebied mogelijk maakt. Het is echter de vraag of de huidige, sterk geïsoleerde groepen nog voldoende contact hebben voor mogelijk herstel.”

BEWUSTWORDING

In internationaal verband is langdurig gepraat over plannen voor fok in gevangenschap, met dieren die uit hun leefomgeving zouden moeten worden gehaald, maar die plannen zijn nooit uitgevoerd. Reijnders is daar in principe niet tegen, “maar als laatste redmiddel. Andere initiatieven zijn voorlopig interessanter. In Griekenland zijn inmiddels een paar dieren na opvang weer teruggezet. Getalsmatig stelt dat niet veel voor, maar het levert bewustwording bij het publiek op. Het belangrijkste is bescherming ter plaatse. Zorg dat je met de lokale bevolking, vooral de visserij, in gesprek komt, probeer alternatieven te vinden.”

Wat dat beteft kan Madeira, dat nog kan bogen op tegen de twintig monniksrobben, als voorbeeld gelden voor de Middellandse-Zeelanden. “Daar is die aanpak al uitstekend gelukt. Door subsidiëring van het overschakelen naar andere visserijmethoden bijvoorbeeld, zonder drijfnetten waar de dieren zich in verstrikken.” De kolonie moet, wat Reijnders betreft, nog wel uit haar isolement gehaald worden. “Een mogelijkheid is een beperkt aantal Atlantische dieren van de grote maar kwetsbare groep op Kaap Blanc over te brengen naar de Canarische eilanden, zodat ze daar opnieuw een kolonie kunnen stichten. Daarmee worden de risico's wat meer gespreid. Met die plannen zijn we volop bezig, met als eerste voorwaarde natuurlijk dat het halen van die dieren van Kaap Blanc die groep op geen enkele manier onder druk zet.”

Toch is er nog enige hoop. Reijnders: “In Turkije en Griekenland, de oostelijke kerngebieden in de Middellandse Zee, worden natuurclubs actief. Op den duur kan dat rendement geven. Bij Corsica is het geschikte leefgebied er nog steeds en dat geldt voor veel meer plaatsen in het Middellandse-Zeegebied. Maar de overheden moeten dan wel meewerken.”

    • Frans van der Helm