Recycling van afval is vorm van overleven in Calcutta

In Calcutta kunnen tienduizenden mensen overleven door het sorteren van afval. Daarbij gelden strenge hiërarchische regels. Voor de voddenrapers aan de onderkant van de sociale ladder is het inzamelen van oud papier en plastic flessen taboe.

CALCUTTA, 30 NOV. Vlak naast een vuilstortplaats in het oosten van Calcutta die misselijk makende geuren verspreidt, toont de zesjarige Munna voldaan zijn oogst van die ochtend. Behalve de gebruikelijke gore plastic zakken en wat glasscherven heeft hij ditmaal ook de smoezelige hand weten te leggen op een afgedankte kapotte slipper.

Dan nadert er een man met een karretje met vers vuil en, als was het manna, hollen Munna en een handvol andere voddenrapers op hun blote voeten naar hem toe, hun onafscheidelijke verzamelzak over de schouder geslagen. De stank van het vuil deert hen nauwelijks, zij ruiken iets anders: geld.

De roemruchte Britse schrijver Rudyard Kipling, geen vriend van Calcutta, vergeleek de chaotische expansie van de stad eind vorige eeuw al met die van een schimmel. “En, boven de volgepakte en met pest besmette stad, keek de dood neer”, dichtte hij. Over de stank in de stad merkte hij op: “Die is zwak, ziekelijk en onbeschrijfelijk.”

Calcutta mag nog steeds een smerige stad zijn, men weet het afval hier op waarde te schatten. Elk schilfertje oud papier, leer, rubber, plastic, textiel, glas of metaal kent zijn prijs en wordt meteen door grijpgrage handen uit vuilnisbakken, goten of zelfs direct van de straat verwijderd. Rondlopende koeien, straathonden en ratten ontfermen zich over oude schillen en andere eetbare resten, hoewel hongerige mensen hen soms voor zijn.

De stad, die een van de grootste concentraties armen ter wereld herbergt, is tegelijkertijd een paradijs voor aanhangers van recycling. Anders dan in het welvarende Westen, waar recycling meestal meer is ingegeven door de wens het milieu te beschermen dan door economische noodzaak, is recycling in Calcutta echter een zuiver economische kwestie.

In totaal verdienen enige tienduizenden van de ruim twaalf miljoen inwoners tellende megastad een boterham in de afvalsector, zij het meestal een karige. Zoals overal elders in de Indiase samenleving heerst ook in deze branche een strenge hiërarchie. Munna zou er bij voorbeeld niet over peinzen zomaar een nette wijk binnen te lopen en lokale bewoners te vragen of ze nog oud papier, lege flessen of ander waardevol 'schoon' afval voor hem hebben. Dat werk is voorbehouden aan lieden die iets hoger op de sociale ladder staan. Aan mannen die over een fiets beschikken en met stentorstemmen rondbazuinen dat de oud-papierman er weer is. Waarop huishoudelijk personeel uit allerlei hoeken toesnelt om het oud papier, oude flessen en ander afval van hun 'meneer' en 'mevrouw' voor een habbekrats te verkopen. De rest van het afval gaat naar een naburige stortplaats.

Dan bereiken we het arbeidsterrein waarop Munna en zijn collega's zich bewegen. Nog ruim voor zonsopgang wroeten ze dikwijls al door de stortplaatsen in hun omgeving. Velen hebben een metalen staaf bij zich waarmee ze het eerste wroetwerk verrichten. Soms zijn ze met hun moeder of een ander familielid, soms ook alleen. Doorgaans zetten ze hun zoekwerk door tot een uur of negen, wanneer ze een eetpauze inlassen. 's Middags volgt dan een tweede ronde.

Het is een gevaarlijk werkje. Dikwijls snijden ze zich aan stukken glas of metaal en allerlei infecties treden gemakkelijk op, te meer omdat ze hun handen zelden wassen en al helemaal niet met zeep.

Zoals bijna overal in Calcutta heerst ook binnen deze bedrijfstak een felle concurrentie. Soms raken jongens of ook volwassenen met elkaar in gevecht over hun 'voddenterritorium'. Ook veel vrouwen en meisjes doen overigens dit werk. Hoewel sommige voddenrapers zweren bij een paar vaste plaatsen, zwerven anderen juist steeds op de bonnefooi rond.

Eenmaal thuis volgt het sorteren van de buit van die dag. Rasheeda Bibi, een jonge vrouw, zit in haar hutje in de illegaal opgetrokken sloppenwijk Tiljala in het halfduister een forse hoop vodden en afval uit te zoeken. In het minder dan één meter brede steegje is daarvoor geen plaats. “Ik ga altijd om drie uur 's ochtends van huis”, zegt deze moeder van zes kinderen. “Dan ben ik de anderen voor.” Ze verdient zo'n 30 tot 40 rupees per dag, een kleine twee gulden. Naar de maatstaven van de sloppen van Calcutta, waar zo'n 40 procent van de inwoners van de stad leeft, geen slecht inkomen.

Anderen spreiden de inhoud van hun zakken uit op en naast het spoor aan de rand van de wijk. Daar liggen netjes bij elkaar enigszins schoon gewassen plastic zakken, stukjes rubber, glas en zelfs de schillen van kokosnoten, die nog waarde hebben als brandstof. Slechts enkele meters verderop ligt het vol menselijke uitwerpselen, want de rails dienen tegelijkertijd als openbaar toilet voor de sloppenwijk. Mensenpoep is een van de zeldzame dingen die niet worden gerecycled in Calcutta.

Een pretje is het leven tussen het vuilnis voor de meesten niet. De 16-jarige Rani Bibi, die al zes jaar als voddenraapster werkt, zegt dat ze vaak schoon genoeg heeft van de permanente stank om haar heen en in haar eigen kleren. “Soms beneemt die me wel eens de eetlust”, zegt ze in een hutje, tussen twee spoorlijnen in. “De mensen uit de buurt hier schelden ons vaak uit voor viezeriken en soms vallen spoorwegbeambten ons lastig.” Het liefst zou ze ergens een winkeltje beginnen.

De meeste voddenrapers in Calcutta zijn moslims of hindoes van de laagste kasten. Bijna niemand van hen kan lezen of schrijven. Velen zijn van het platteland naar Calcutta getrokken omdat daar ondanks de hevige concurrentie toch nog altijd meer valt te verdienen dan in het dorp thuis. Ze staan echter helemaal aan de onderkant van de sociale piramide.

Een recent onderzoek wees uit dat veel jonge voddenrapers hun bestaan als uitzichtloos beschouwen. Velen raken aan goedkope drugs, soms al vanaf vijfjarige leeftijd. Meisjes lopen reeds vanaf jonge leeftijd het gevaar te worden verkracht, ook als ze al zeer vroeg trouwen. Sommige kinderen sluiten zich aan bij kinderbendes.

In een iets beter deel van de sloppenwijk Tiljala - waar men zelfs een ventilator aan het plafond heeft tegen de hitte - woont Mohammed Shafiq, die oud papier en lompen van de voddenrapers koopt. Voor zijn luxe krot staan dikke stapels samengebonden oud papier. Hij betaalt zijn leveranciers een rupee per kilo en verkoopt het daarna voor 1,30 rupee per kilo aan een groothandelaar.

Shafiq, een voormalige goochelaar en apendresseur, is een geplaagd man. Hij heeft nog flink wat geld te goed van de groothandelaar en die betaalt maar niet. Daags tevoren deed zich nog een andere alarmerende gebeurtenis voor. “Mijn concurrent van een eindje verderop gooide een bom naar een andere opslagplaats van me hier in de buurt en er brak bijna brand uit.”

Een groot deel van het nog bruikbare afval belandt na talrijke omzwervingen in de wijk Tangra. Daar worden de plastic zakken van dezelfde kleur bij elkaar gevoegd en in stukjes gesnipperd, die daarna in kleine smerige fabriekjes worden gesmolten tot nieuw plastic. Ook is er een smelterijtje vol dichte dampen, waar een hevig bezwete opgeschoten jongen stukjes zwart rubber in een oven schuift. Ook metaal en glas worden in Tangra weer voor hergebruik geschikt gemaakt.

Om de hoek zitten de batterijenkloppers. Hier komen gebruikte batterijen uit de wijde omgeving terecht. Enkele tientallen volwassenen en kinderen tikken er dag in dag uit van zonsopgang tot zonsondergang oude batterijen kapot. De koolstof, stukjes metaal en plastic worden weer doorgesluisd naar gespecialiseerde fabriekjes in de buurt. Alle werknemers zijn pikzwart.

De allerlaatste resten van het afval komen ten slotte terecht op een enorme vuilnisbelt even buiten Calcutta. Ook daar wemelt het nog van de mensen, zowel volwassenen als kinderen, die een groot deel van hun leven doorbrengen met het doorzoeken van vuil. Ze delen hun arbeidsterrein met duizenden gieren, kraaien, kraanvogels, varkens, koeien en honden. Ze wonen in nederige hutjes aan de rand van de belt en verkopen van tijd tot tijd hun 'oogst' in de stad.

Als ook zij niets bruikbaars meer vinden op de belt, worden de laatste resten gebruikt als compost voor de landbouw. Met succes. Vlak naast de centrale vuilnisbelt staan reeds uitgestrekte koolvelden, op grond die nog duidelijk waarneembaar vol vuil zit. De kolen vinden weer gretig aftrek onder Calcutta's almaar uitdijende en altijd hongerige bevolking.

    • Floris van Straaten