ONSTUDEERBAARHEID

Wilt Idema laat in zijn column in W&O van 9 november niet veel over van de parlementariërs die besloten hebben dat de studeerbaarheid van het onderwijs nog zoveel te wensen overlaat dat de tempobeurs voorlopig nog niet op 70 procent van de jaarlast gelegd kan worden. Idema heeft dit in een voorbeeldig stukje verwoord: alle foutieve redeneringen die docenten plegen te gebruiken als het gaat om de prestaties van studenten staan erin.

Een academische studie geeft studenten noodzakelijk een vrij grote mate van vrijheid. Wat voor mogelijkheden we niet aanbieden voor herkansingen! roept Idema uit, daarmee onderstrepend hoezeer het de studenten naar de zin gemaakt wordt. Hoe meer tentamengelegenheden, hoe meer echter het studeren wordt uitgesteld. Toen wij in de medische faculteit in Groningen vele jaren geleden, onder fel verzet van de studenten, het aantal tentamengelegenheden terugschroefden, ging het rendement direct omhoog. Dat kwam doordat zowel studenten meer van de tentamengelegenheden gingen benutten, als doordat docenten beseften dat een afwijzing nu echt gevolgen had.

De kunst van een studieprogramma dat in hoge mate studeerbaar is en een hoog studierendement geeft, is studenten voortdurend bij de les te houden. Voor een belangrijk deel kan men dit bereiken door aanwezigheidsverplichtingen en -premies. Ook het veelvuldig vragen van actieve bijdragen in de vorm van werkstukjes en voordrachten is nuttig en bij uitstek passend in een universitair curriculum. Tentamens kan men het beste gebruiken om studenten een duidelijke prestatie te laten leveren en het gemiddelde niveau in de gaten te houden, maar tentamens dienen niet om grote aantallen studenten te laten afvallen en daarmee te vertragen.

Uit veelvuldig uitgevoerd empirisch onderzoek (o.a. van dr. J. Cohen-Schotanus van de medische faculteit van de RUG) blijkt dat de grote variaties in slaagpercentages die in alle studierichtingen van jaar tot jaar voorkomen, vooral samenhangen met zaken waar studenten als groep weinig aan kunnen doen: moeilijkheidsgraadvariaties, zowel als variaties in kwaliteit en tentamengerichtheid van het gegeven onderwijs. Het merkwaardige van het Nederlandse hoger onderwijs is dat de ene studierichting veel meer inspanning van studenten vraagt dan de ander, maar dat dit niet blijkt uit de percentages afgewezen en vertraagde studenten. Hoewel dus studenten als individu hun relatieve positie ten opzichte van hun jaargenoten kunnen verbeteren doormeer of minder hard te werken, is het zo dat wanneer de groep harder werkt (zoals bij exacte studierichtingen vergeleken met alfa of gamma vakken) dit niet leidt tot hogere slagingspercentages. Ook het gemiddeld veel hogere abstract intellectuele niveau van studenten in de exacte wetenschappenmaakt hen gemiddeld niet meer succesvol. Wel als ze kiezen voor eenvoudiger studies - en dat doen ze dan ook in zorgwekkende mate.

Idema (en met hem helaas een grote meerderheid van mijn collega docenten in het hoger onderwijs) is kennelijk volledig blind voor deze systeemkenmerken van het onderwijs. Het is heel goed mogelijk om studenten een normale werkweek te laten maken - in de exacte vakken kom je er meestal niet met 20 uur per week. Je moet er als docent bovenop zitten en voortdurend uitdagen om meer uit studenten te halen. Zonder individuele tutoring lukt dat niet en dat is een van de belangrijkste redenen waarom in Nederland de eerste twee studiejaren voor begaafde studenten op zijn zachtst gezegd minder adequaat zijn ingericht. De academische opinie in Nederland over het onderwijs bezondigt zich keer op keer aan varianten van het methodologisch individualisme: het onuitroeibare geloof dat als men op individueel niveau zijn positie kan verbeteren, dat dan ook het collectief zijn rendement kan verbeteren. Het denken over werkgelegenheid en onderwijsrendement is in deze zin verwant. De redenering van Idema dat uit het feit dat een deel van de studenten de propedeuse in een jaar haalt, volgt dat de propedeuse in overgrote meerderheid studeerbaar is, deugt niet.

Dat is pas het geval als studeren meer op werken lijkt, dus met een baas die een beetje stimuleert en oplet. Het is te hopen dat de Tweede Kamer zich niet laat intimideren door de kritiek van Idema, maar het hoger onderwijs dwingt tot verbetering, door de beste resultaten als norm op te leggen. Faculteiten dienen niet alleen op rendement betaald te worden, maar ook op te draaien voor de maatschappelijke kosten veroorzaakt door een langer dan noodzakelijke studieduur. Nu verdienen universiteiten aan studenten die te lang studeren: het collegegeld bedraagt veel meer dan de marginale kosten van een jaar langer ingeschreven zijn omdat duur onderwijs hoogst zelden herhaald wordt.

Naschrift Wilt Idema

De ironie van mijn stukje is collega Te Meerman blijkbaar ontgaan. Ik ben het namelijk grotendeels met hem eens: zachte heelmeesters maken stinkende wonden. In mijn eigen studierichting vertonen de slagingspercentages voor de propedeuse bij hetzelfde programma en dezelfde docenten van jaar tot jaar overigens wel aanmerkelijk verschillen, maar misschien is een studierichting als Talen en Culturen van China statistisch niet interessant.