Nederland kan zendingsarbeid in Europa verrichten

Het proces van globalisering vergt een krachtig, dynamisch en op de burger gericht Europa, meent R.F.M. Lubbers. Dat is gediend met een Europese top die de afspraken van Maastricht nakomt en de daarin aanwezige mogelijkheden beter benut. Het komende Nederlandse voorzitterschap kan bijdragen aan een Europa met één munt, één uniform en één rechtsruimte.

Nederland staat aan de vooravond van het Europese voorzitterschap. De top van Amsterdam ligt in het verlengde van het Verdrag van Maastricht dat totstandkwam in 1992. Op het Nederlandse voorzitterschap rust de zware verantwoordelijkheid om de lopende Intergouvernementele Conferentie (IGC) succesvol af te ronden. De IGC behelst, aldus het kabinet in zijn brief over het voorzitterschap, een herziening van het Verdrag van Maastricht die de Europese Unie gereed moet maken voor de 21ste eeuw. Dit omvat zowel institutionele hervormingen met het oog op de uitbreiding van de Unie met andere Europese landen alsook aanscherping van politieke doelstellingen, bijvoorbeeld inzake criminaliteitsbestrijding en immigratie. Het is echter de vraag of daarvoor een wijziging van het Verdrag van Maastricht nodig is. De vorming van de Economische en Monetaire Unie (EMU), het gemeenschappelijke veiligheids- en defensiebeleid en de vraagstukken van recht en samenleving zijn belangrijke onderwerpen waarover in Maastricht afspraken zijn gemaakt, maar vragen in Amsterdam om een vervolg. Dat antwoord zal rekening moeten houden met de betekenis die de toenemende 'globalisering' - het wereldwijd worden én maken van technologie, economie en politiek - heeft voor deze onderwerpen.

Door de snelheid van dit proces is het moeilijk te besturen, laat staan op democratische wijze. Beleid per land verliest aan effectiviteit. Samenwerking is dus geboden, maar dat levert een 'democratisch tekort' op. Door het ontbreken van voldoende parlementaire controle op supranationaal niveau is het wel erg moeilijk, zo niet onmogelijk om dit tekort op te vullen. Bovendien zijn er fricties op grond van verschillen tussen de landen. Verschillen die te maken hebben met politieke prioriteiten, fasen van ontwikkeling en culturele en historische achtergronden. Door de meer en meer grensoverschrijdende economie enerzijds en de bestuurlijke fricties tussen landen anderzijds gaat globalisering gepaard met de vorming van regionale handelsblokken.

In het Verdrag van Maastricht werd besloten tot één Europese munt, als onderdeel van de vervolmaking van de interne markt, de eerste pijler van het verdrag. De landen die op weg naar de Europese munt voldoen aan de daarvoor afgesproken convergentiecriteria, worden straks beloond met een lagere rente. De vertrouwensfactor speelt in dit proces een belangrijke rol. Daarom is het noodzakelijk om aan die criteria vast te houden.

Op dat gebied hebben we dit jaar opvallende ontwikkelingen gezien. Duitsland blijkt het moeilijker te hebben met de criteria dan we dachten. Frankrijk heeft het, zoals verwacht, moeilijk maar blijft vastbesloten. Spanje en Italië zijn begonnen met een inhaalslag. En het Verenigd Koninkrijk blijkt een minder dogmatische tegenstander te zijn dan tot voor kort het geval leek. Ook daar beseft men dat de ene munt er hoe dan ook komt. Het is nu zaak vast te houden aan het tijdschema en de convergentiecriteria. De kritische massa is voldoende. Lidstaten die nog niet zover zijn, kunnen met een beperkte vertraging volgen. Dat is geen drama, mits het vertrouwen bestaat dat ook zij snel zullen aansluiten. Om de Europese top in Amsterdam tot een succes te maken, doet men er goed aan de Europese munt centraal te stellen.

Ook wat betreft economische groei en werkgelegenheid kan het Nederlandse voorzitterschap zendingsarbeid vervullen. Hoe bevordert men groei en werkgelegenheid in een tijdvak van globalisering? In de eerste plaats moet het misverstand worden weggenomen dat voldoen aan de convergentiecriteria de groei zou beperken. Dat is een keynesiaanse dwaling die voorbij gaat aan de positieve effecten van een lage rente en van vertrouwen in de toekomst.

In de tweede plaats - en dat is misschien nog belangrijker - moet worden aangetoond dat globalisering noodzaakt tot flexibilisering van de arbeidsmarkt en tot voortgezette loonmatiging. In beide opzichten heeft Nederland een geloofwaardig beleid gevoerd. In de derde plaats moet worden uitgedragen dat een open economie, die zich bewust wil integreren in de wereldeconomie, het beter doet dan een economie die zich afschermt en die traditionele sectoren wil beschermen.

Voor dit alles is geen wijziging van het Verdrag van Maastricht nodig maar wel een snellere verwezenlijking van de EMU met een gelijktijdige oriëntatie op de wereldeconomie. De economieën zijn steeds meer onderling verweven. Naast flexibilisering vergt dit deregulering om concurrerend te zijn. Maar ook de belastingstelsels in Europa moeten bij steeds minder grenzen anders ingericht worden: naast lastenverlichting een verschuiving van lasten op arbeid naar lasten op consumptie, zoals bepleit in het CDA-rapport 'Nieuwe wegen, vaste waarden'.

Het Nederlandse voorzitterschap kan duidelijk maken dat naast de ene munt ook een economisch, sociaal en fiscaal beleid nodig is dat rekening houdt met globalisering. Dat proces vormt geen bedreiging, maar biedt kansen voor werkgelegenheid en groei. Dit betekent een 'globaliseringsbewust' beleid per land en een nauwere afstemming van economisch beleid tussen de EMU-landen, ook door voorbeeldwerking.

Wat betekent globalisering voor de pijler van het Verdrag van Maastricht, het Gemeenschappelijk Buitenlands en Veiligheidsbeleid (GBVB) annex de Europese defensie-identiteit? In Maastricht werd volstaan met enkele globale oriëntaties en met de afspraak hier in 1996 op terug te komen. In de afgelopen vier jaar is duidelijk geworden dat de harde kern van het veiligheidsbeleid thuishoort in de NAVO. De Fransen zijn - onder voorwaarden - bereid gebleken tot de NAVO terug te keren. De Amerikanen hebben zich niet aan hun verantwoordelijkheid voor Midden-Europa onttrokken. Dat geldt niet alleen voor de gebeurtenissen in Joegoslavië, maar ook voor hun deelname in het Partnership for Peace, waarmee de NAVO haar bemoeienissen naar Oost-Europa uitbreidt. In de Europese Politieke Unie (EPU) moet de eigen defensie-identiteit van onderop groeien door de geleidelijke vorming van gemeenschappelijke legerkorpsen en door het meer gezamenlijk dragen van de defensielasten. Maar voorlopig staan - ondanks de betekenis van de WEU - de uitbreiding van de NAVO en het Partnership for Peace centraal.

Globalisering biedt een zekere ruimte voor een regionaal veiligheidsconcept, maar dat vindt zijn begrenzing in het Amerikaanse leiderschap. Belangrijk is dat de grote landen in de EU - Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk - samen leiding geven, maar daarvoor is geen verdragswijziging nodig. Het gaat veel meer om hun politieke wil om op praktische wijze de Europese veiligheidstrojka te vormen die nodig is. De as Parijs-Bonn voldoet in dit opzicht niet.

Dat de VS het bij de vervulling van hun leidersrol niet kunnen stellen zonder een beter functionerend Europa is intussen wel duidelijk, gelet op de wrijvingspunten. De vraag is nu hoe om te gaan met de Amerikaanse neiging om een extraterritoriale werking van nationale wetgeving - ook op economisch vlak! - te bedingen.

Met erkenning van het leiderschap van de VS heeft Europa een dubbele eigen verantwoordelijkheid. Ten eerste op het gebied van de zogeheten 'preventieve defensie' (wapenbeheersing en non-proliferatie van nucleaire, chemische en bacteriologische wapens). Ten tweede moet Europa grenzen stellen aan de Amerikaanse machtsuitoefening voor zover die op gespannen voet staat met internationale rechtsregels en erop toezien dat de multilaterale afspraken door de VS worden nageleefd.

Europa zal, evenals China en Japan, inhoud moeten geven aan 'mitigering' van het Amerikaanse leiderschap. Dat is een stevige opdracht, waarvoor de top van Amsterdam de basis kan leggen. Zowel door een politieke uitspraak hierover als door het bieden van organisatorische ondersteuning. Tegelijkertijd moet een nadere vormgeving van de Europese defensieidentiteit haalbaar zijn. Die moet van onderop groeien; steeds meer gemeenschappelijke legerkorpsen - op weg naar Europa met één uniform - en een afnemend beroep op neutraliteit of geschiedenis om geen veiligheidsinspanningen te hoeven leveren; en een meer Europese in plaats van nationale defensie-industrie.

Onderwerpen van Binnenlandse Zaken en Justitie vormden de derde pijler van het Verdrag van Maastricht. De globalisering heeft het identiteitsbesef van regio's en volkeren versterkt. In Maastricht werd nog volstaan met het beginsel van subsidiariteit, politiek zo dicht mogelijk bij de burger. Intussen weten wij dat naast territoriale ook functionele decentralisatie nodig is. Politici en bestuurders moeten opnieuw leren rekening te houden met de samenleving en haar verbanden.

De roep om een slagvaardiger Europese politiek kan in die behoefte niet voorzien. Integendeel, door dit te forceren zal de waardering voor Europese politiek en Europese democratie juist verminderen. Bovendien kent ieder van de lidstaten lange tradities van grondwettelijke waarden en normen. Evenzo hebben hun organen van rechtspleging een lange ervaring met het bewaren van het delicate evenwicht tussen bescherming van de individuele burger enerzijds en effectieve rechtshandhaving in het belang van alle burgers anderzijds.

Hierdoor is de derde pijler van het Verdrag van Maastricht bij uitstek het domein van de lidstaten. Op dit gebied bestaat nog geen grensoverschrijdende traditie. Juristen gaan ervan uit dat de rechten van burgers alleen door de eigen, nationale constituties goed gewaarborgd zijn. Een stapsgewijze vooruitgang in Europa is echter ook hier geboden.

Globalisering wordt gekenmerkt door een mengeling van minder grenzen en meer besef van eigen identiteit en tradities, door meer individualisering en pluralisme en door een permissive society en tegelijk een roep om meer binding aan normen, minder gedogen en minder verfloddering. Dit vergt een modernisering van de economie en een versterking van de samenleving. Zij die met een beroep op federalisme en efficiënte besluitvorming denken deze problemen te kunnen oplossen met een wijziging van het Verdrag van Maastricht, vergissen zich. Afgezien daarvan maken zij geen kans bij de Europese burger die zo'n wijziging zou moeten accorderen.

Dat betekent intussen niet dat het werken aan een Europese rechtsruimte stil zou moeten vallen. Het is zaak te komen tot een praktische samenwerking op deelterreinen en tot een verdieping en uitwisseling van ervaringen. Dit betekent concreet: een eenduidige opvatting over de kern van het recht en een onderlinge afstemming van de fundamentele bedoelingen van onze constituties.

Tegelijkertijd moet de civil society opnieuw rijpen. De neo-liberale bezweringsformule van 'markt en democratie' moet worden aangevuld met het laten gedijen van instituties waarin burgers opkomen voor waarden. Zulke verbanden immers vormen het onmisbare cement van een democratische samenleving. Ook over de grenzen heen zullen zij Europees noodzakelijk blijken. Wat begint met 'jumelages' en 'netwerken' zal uitgroeien tot het delen van waarden en doelen. Alleen zo zal het komen tot één Europese rechtsruimte.

Globalisering vergt een krachtig, dynamisch en op de Europese burger gericht Europa, meent R.F.M. Lubbers. Dat zou wel eens het beste gediend kunnen zijn met een Europese top die de afspraken van Maastricht nakomt en de daarin aanwezige mogelijkheden beter benut. Het gaat er bovenal om Europa weer een ziel en vertrouwen te geven. Juist vanwege de globalisering kan Europa 'in zijn eigen waarde' gewenst zijn. De 'waardenvolheid' van Europa gebiedt ons ook oplossingen te vinden voor de uitbreiding naar Midden-Europa. Dat is een morele opdracht.

Kleine stapjes in het opschonen van Europese besluitvormingsprocedures kunnen nuttig zijn. Het is goed om dat handwerk voort te zetten. De feitelijke integratie van oude en nieuwe leden van de EU en de verdieping van de EPU vragen een Europa dat erin slaagt de realiteit van globalisering te vertalen in een dynamische economie en arbeidsmarkt. Een Europa ook dat laat zien dat markt en democratie niet zonder de kracht van de samenleving kunnen.