Klein is fijn

IN HUN STUK 'Hoe fijn is klein?' in W&O van 23 november raden de Amsterdamse economen Oosterbeek en Webbink de staatssecretaris van onderwijs aan het rapport Klassenverkleining goed te lezen. Dat is een verstandig advies. Want als je dat niet doet, zoals zij, ontstaan er alleen maar misverstanden.

'Dat kleinere klassen leiden tot betere leerprestaties is geenszins bewezen' is de polemische stelling waarmee zij hun kritiek op het rapport samenvatten. Maar helaas voor deze critici, dat is ook de mening van de commissie. Klassenverkleining is niet een voldoende voorwaarde voor betere prestaties, schrijven wij. En de commissie schrijft niet, zoals de auteurs de lezer willen doen laten geloven, dat het een noodzakelijke voorwaarde zou zijn. Want als je daarin gelooft, dan kan één onderzoek je van je geloof brengen, namelijk als in dat geval grotere klassen het beter doen.

Klassenverkleining biedt een kans die scholen vervolgens moeten verzilveren. Dat is nogal evident, en wie daar anders over denkt ontbeert elke realiteitszin - alsof klassenverkleining automatisch tot betere prestaties zou kunnen leiden.

Vervolgens proberen Oosterbeek en Webbink aan te tonen dat er op de uitkomsten van onderzoek valt af te dingen, dat onwelgevallige uitkomsten verzwegen worden, en dat hun heranalyse van de internationale gegevens over leesvaardigheid de conclusies van de commissie ondergraaft.

Nu moeten we, voordat er een verkeerd beeld ontstaat, eerst even uiteenzetten wat de commissie gedaan heeft. In het commissierapport wordt een overzicht gegeven van het onderzoek naar klassengrootte. Het gaat in hoofdzaak om vijf belangrijke bronnen, die alle hebben meegewogen in het uiteindelijk advies: 1. een (statistische) meta-analyse van al het tot 1979 verrichte klassengrootte onderzoek en een kritiek daarop; 2. het Amerikaanse Prime Time onderzoek naar klassenverkleining in Indiana; 3. een samenvattend overzicht van de onderwijseconoom Hanushek en een kritiek daarop met een hernieuwde (statistische) meta-analyse; 4. het Amerikaanse experimentele onderzoek naar klassenverkleining in Tennessee; 5. het onderzoek naar klassengrootte en het functioneren van leerlingen en leerkrachten in Nederland van Joop Hox en ondergetekende op basis van de PRIMA-data.

Voor het gemak slaan Oosterbeek en Webbink de eerste drie bronnen maar over in hun overzicht. Dan laten ze kritische geluiden over het STAR-onderzoek horen. Maar die kritiek bevat niets nieuws: alle punten van kritiek staan in het commissierapport genoemd.

Bij de bespreking van de PRIMA-resultaten vinden Oosterbeek en Webbink dat als de zaak wordt samengevat en de hoofdlijnen worden weergegeven alles herhaald moet worden. Dat is natuurlijk onzin. Wat is er mis met een (uitermate voorzichtig geformuleerde) samenvatting waarin niet alles wordt uitgesplitst naar vakken, maar waar een trend gepresenteerd wordt voor de bovenbouwklassen die voor zowel voor rekenen als taal geldt: 'desalniettemin zijn er indicaties dat leerlingen in klassen van 35 of meer leerlingen enigszins achterblijven in hun leerprestaties'. In dit verband is het natuurlijk ook belangrijk om te vermelden dat de commissie voor de bovenbouwklassen geen verkleining heeft voorgesteld.

Gaan we naar de internationale gegevens. In het commissierapport wordt opgemerkt dat Nederland voor alle sectoren van het onderwijs (basisonderwijs, voortgezet onderwijs en hoger onderwijs) vergeleken met andere OESO-landen relatief weinig geld uitgeeft. Dat is natuurlijk prachtig, want waarom geld over de balk smijten? Maar als blijkt uit het internationaal vergelijkende IEA-onderzoek naar het begrijpend lezen van 9-jarige leerlingen en uit de in 1993 uitgevoerde evaluatie van het basisonderwijs dat de Nederlandse leerlingen niet goed presteren, moeten we ons toch eens achter de oren gaan krabben over die zuinigheid. Aangezien zuinigheid zich vertaalt in grote klassen, vormden de internationale gegevens dus alleen maar een aanleiding om eens goed naar die grote klassen te kijken. Meer niet, want ook deze passages zijn omgeven met waarschuwingen voor al te lichtzinnige interpretaties.

Oosterbeek en Webbink beweren op grond van die internationale gegevens over de samenhang tussen klassengrootte en leerprestaties: 'eerder lijken er aanwijzingen te zijn voor een positieve samenhang'. Grotere klassen, betere prestaties, zou dan de interpretatie van die samenhang zijn. Maar dat is misleidend: het verband tussen leesprestaties en klassengrootte wordt door beide economen geschat nadat het effect van de onderwijsuitgaven per leerling op leesprestaties is verdisconteerd. Het is so wie so niet verstandig om te pretenderen, dat op basis van gegevens uit slechts vijftien onderling zeer verschillende landen, iets beweerd kan worden over het (oorzakelijk) verband tussen klassengrootte, uitgaven en leesprestaties.

Al het onderzoek samenvattend komt de commissie tot de conclusie dat er voldoende, weliswaar niet 'wettig', maar toch overtuigend bewijs is voor de stelling: klassengrootte doet ertoe. Het 'wettig bewijs' kan overigens niet geleverd worden als het onderwerp van studie de sociale werkelijkheid is. We kunnen op zijn best de stukjes van de puzzel in elkaar proberen te passen.

Roel Bosker is als universitair hoofddocent verbonden aan de vakgroep Onderwijsorganisatie en -management van de Faculteit der Toegepaste Onderwijskunde (Universiteit Twente) en was lid van de commissie Groepsgrootte (beter bekend als de commissie Van Eijndhoven).

    • Roel Bosker