Joop

Joop wordt vijftig. Met tienduizenden zouden ze straks Ahoy, de Arena of het Circus-theater moeten bestormen voor een orgie van luister en dankbaarheid, maar Nederland kijkt de andere kant op. Who the fuck is Joop? Sportzenders zat, maar wat niet door de hoge autoriteit van 'loges' kan worden gevat bestaat niet meer. Slagroom en kaviaar als conditio sine qua non voor het oog van de camera. Nooit genoeg Champions League, nooit genoeg ATP-gehijg, maar het epos van twee benen wordt bij het chroomzuur van de anonimiteit gezet.

Rond Joop had reeds lang een wereld van volksliederen, binnentalen en pelgrimmages moeten ontstaan. Zoetemelk, dat was toch jarenlang de ingebouwde continuïteit van Nederland. Jongen uit Rijpwetering die altijd gedacht heeft dat de vooruitgang ophield toen het volkoren brood was uitgevonden. De renner met alleen binnenkant won nadien nog wel de Tour en werd wereldkampioen. Maar ook die onverwachte glorie kon de kern van zijn wezen niet raken. Joop en de polder, het bleef volmaakte eenklank, een voltooide symfonie. Eeuwig opgegaan in het landschap en toch van hemzelf gebleven. Een uitgesproken nationaal karakter, zo scherp gebeiteld naar aard, verleden en traditie kom je in de contemporaine sport niet meer tegen.

Gerardus Joseph Zoetemelk, ik zie hem nog met die grijns van verbetenheid over de Tourmalet, de Peyresourde en l'Alpe d'Huez klimmen. Altijd een beetje in de breedte zoals een accordeon. Maar Zoetemelk uit het wiel rijden, dat bestond niet. Nog mooier dan het gegesel van de pedalen waren de teksten van de vliegende Hollander na de etappe:

“Het ging lekker, Joop.”

“Het hoofd moet naar een berg staan.”

“Bergen zijn toch bergen?”

“Nou ja, de ene berg ligt je beter dan de andere.”

“Merckx kon je niet losrijden.”

“Ik hem ook niet.”

Weer of geen weer, ik ken geen adequater beheerder van zijn eigen werkelijkheid dan Joop Zoetemelk. Hij sprak als in een lijkwade gehuld. Zinnen van maximaal vijf woorden. En altijd met een afwerend timbre, catenaccio in de mond.

Het ergste wat Joop kon overkomen was op het podium staan. Hij wilde alles winnen, maar de aankomsten moesten geheim blijven. Op een podium, met bloemenmeisjes aan zijn lijf, flitste het door het hoofd van deze gele truidrager: zat ik maar aan de waterkant. Als Joop de overwinning moest uitzwaaien dacht hij aan de grote gul die hij net had gevangen. Heersen over fauna en flora, alla, maar over mensen? Zo was hij niet opgevoed. Sterker, mensen ga je uit de weg. Zoals Joop zichzelf als ein Kunststück von aussergewöhnlicher Qualität kon wegdeemsteren - schitterend!

Overal waar hij stond zag je in hem het deeg rijzen van schrale, vooroorlogse jaren. De mond scherper dan een scheermes, een mond die nooit heeft gekust.

Zoetemelk had geen aërodynamische zit. Hij hing een beetje als een scheve scherf op de fiets. Je zag hem soms letterlijk doodbloeden: witter dan de dood bereikte hij de meet. Aan ieder vezeltje van zijn lichaam moest hij zich vastklampen om in het zadel te blijven. Vooral bergop. Maar achter zijn frêle, broze karkas was Joop element onder de elementen. Geen hongerklop, geen bliksem, geen demarrage kon hem splijten. Een renner zonder genade en toch winnaar van vijf klassiekers.

Joop was nog van voor de zonnebrillen, de gewatteerde jacks, de oorbellen en de lijfcomputers. Hij fietste zo nu en dan weleens op een hormoontje, maar meestal toch op honger. Alsof hij met een schuldgevoel de hongerwinter door was gekomen en nu dieper moest gaan dan menselijkerwijs mogelijk werd geacht. Schraal en arm blijven in het succes, het leek wel een adagium. Joop droeg zijn afkomst mee als een geweten. Dat doet hij nog steeds. Ik heb hem in die vele jaren na zijn pachtige carrière nooit anders gezien dan in witte Kwantum-sokken. Nog nooit is het hem gelukt om de boordpunten van zijn kleurloze hemden glad te strijken. Joop is drager van een onwezenlijk deficit.

Zuiver als bergwater is hij ook. Een mens zonder verraad. Ik zie hem nu in het hotelletje van zijn vrouw in Meaux zitten. Net vijftig geworden.

Franoise: “Zullen we een Beaujolais nouveau kraken?

Joop: “Doe mij maar kraanwater.”

Gezondheid Joop, ik kom er aan met vierentwintig witte rozen. Lange stengel.