Geen gebronsde maar besmeurde kuiten

Op de weg vertonen zijn magere benen slijtageverschijnselen. Als veldrijder behoort de 37-jarige Adri van der Poel nog steeds tot de besten. “Je mag overal met hem over praten behalve over stoppen”, zegt Jan Raas.

Een avonduitzending van Studio Sport, afgelopen weekeinde. Een veldrit op zaterdag in Praag, een veldrit op zondag in Woerden. Twee verschillende prijzen voor dezelfde winnaar. Adrianus van der Poel, boerenzoon uit het Westbrabantse Hoogerheide, een levend wielermonument. Het liefst had hij de afstand tussen Tsjechië en Nederland ook nog fietsend afgelegd.

Het geheim van Van der Poel is zijn enorme toewijding voor het wielervak. De kampioen van het karakter, luidt de titel van zijn biografie. Op de foto's in het boek zien we hem meer en meer van voren rijden. Het bleke gelaat wordt getekend door steeds diepere groeven. Zijn enigszins verongelijkte gezicht met de triest stemmende oogopslag vertoont meer gelijkenis met een dame op leeftijd dan met een wielrenner in de herfst van zijn loopbaan. Geen gebronsde maar besmeurde kuiten. Voor Van der Poel is wielrennen nooit een zomersport geweest.

Om zijn eerste fiets te kunnen bekostigen moest hij bonen en aardbeien plukken op de akkers van zijn vader. De oude Van der Poel was een keuterboer en leerde zijn zoons hard te werken voor de kost. Voormalig buurt- en ploeggenoot Hennie Kuiper herinnert zich een van zijn eerste ontmoetingen met Van der Poel. “Hij hielp mij met bomen snoeien. Lekker doorbeulen. We wilden per se voor het donker klaar zijn. Geen koffiepauze, niks. Aan het eind van de dag was de klus geklaard. Op weg naar huis viel hij achter het stuur in slaap. Dat was typisch Adri. Doorgaan tot hij erbij neervalt.”

Hij was geen natuurtalent maar een renner met een bijna ouderwets doorzettingsvermogen. Nog steeds traint hij elke dag in één tempo, door weer en wind. Zes of zeven uur zadelen, zoals hij het zelf eens uitdrukte. Krachten sparen voor de koers, anders zit hij er als een dood vogeltje bij. Na een trainingsrit mag hij zich een beetje moe voelen, maar beslist niet leeg. Slecht voor de moraal.

Volgens Italiaanse wetenschappers zijn de oefentochtjes van Van der Poel een achterhaalde trainingsmethode, maar hij is nu eenmaal moeilijk van zijn geloof af te brengen. Interval is voor de jonge garde. Manager Jan Raas van de Raboploeg probeert hem niet meer op andere gedachten te brengen. “Hij denkt het psychologisch nodig te hebben. Prima toch? Als ik zijn vrouw 's ochtends om tien uur bel is hij al op de fiets. Dan hoef ik pas om vier 's middags terug te bellen. Voor die tijd hoef je het niet te proberen.”

De 25-jarige veldrijder Richard Groenendaal is zijn gedoodverfde opvolger. Sinds vorig jaar zijn de rivalen ploeggenoten geworden. Ze slapen op dezelfde hotelkamer en wisselen hun ervaringen uit. De Nederlandse crossers zijn dit seizoen toonaangevend bij de internationale wedstrijden. Groenendaal: “We trainen een keer in de week samen, ergens in Brabant. Dan doen we elkaar vreselijk veel pijn. Ook omdat we allebei zo slecht tegen ons verlies kunnen. Je wilt dan niet voor elkaar onder doen. Je bent gewoon niveau-verhogend bezig.”

Groenendaal herkent de gedrevenheid van Van der Poel. “Hij heeft één motto: beter voor 120 procent dan voor 90 procent, want je bent er toch even lang mee bezig. We luisteren veel naar elkaar, daar word je natuurlijk niet slechter van. Ik ben technisch iets behendiger met de fiets. Bij Adri ziet het er door zijn lengte minder spectaculair uit. Maar hij heeft meer ervaring.”

Kuiper woonde tijdens zijn actieve wielerloopbaan in de Brabantse grensplaats Putte, op een steenworp afstand van Van der Poel. Hij beschouwt zijn tien jaar jongere collega als een vriend voor het leven. Ze delen hun passie voor de fiets. “Hij is een trainingsdier, dat heeft hij van mij overgenomen. Hij heeft echte liefde voor de sport. Zijn leven bestaat uit wielrennen en daar is natuurlijk helemaal niets mis mee. Het is zijn lust en zijn leven. Ik heb zelden een renner gezien die even toegewijd was als Adri.”

Als nieuweling werd Van der Poel nog op grote afstand gereden. In zijn juniorentijd ontwikkelde hij zich tot een karakterjongen die meer getalenteerde leeftijdgenoten uit het wiel kon rijden. Hij leerde leven als een monnik. Een café bezocht hij alleen om zijn rugnummer af te halen. Als beroepsrenner won hij onder meer Luik-Bastenaken-Luik, de Amstel Goldrace en de Ronde van Vlaanderen. Het zware parcours in Parijs-Roubaix leek geschapen voor de tempobeul, maar Van der Poel heeft de 'Hel van het Noorden' nooit kunnen winnen. Tot vorig seizoen had hij tevergeefs zijn zinnen gezet op een heldenrol op de kasseien.

Dit jaar laat hij de grote wegwedstrijden aan zich voorbij gaan. Hij rijdt alleen in kleinere koersen en dan vooral in dienst van de jonge garde. Raas ziet voor Van der Poel een aparte rol weggelegd, als een soort kapitein op afstand. “Op de weg zit de sleet erop, maar hij kan die jonge gasten nog heel veel leren. En hij blijft commercieel interessant voor ons. In de wintermaanden vullen de crossers een gat.”

Van der Poel is met zijn gevorderde leeftijd overigens geen uitzondering bij de veldrijders. Voormalige wereldkampioenen als de Zwitser Albert Zweifel en de Duitser Klaus-Peter Thaler waren bijna veertig toen ze nog een titel wonnen. Zij verstonden de kunst van het doseren, zij waren op het juiste moment in topvorm. Zoals Van der Poel afgelopen winter zelf demonstreerde bij het wereldkampioenschap in Montreuil. Huilend van blijdschap reed hij over de finish. De veteraan had zijn gram gehaald. Na vijf tweede plaatsen was hij eindelijk de beste gebleken.

De kans is groot dat Van der Poel in februari in München zijn regenboogtrui met succes zal verdedigen. Kuiper: “Die ene titel heeft hem geweldig veel zelfvertrouwen gegeven. Hij zal niet meer aan de stress kapot gaan.” Groenendaal: “Hij heeft een goede kans, maar ik ben dit jaar zeker niet de mindere. Die trui past mij natuurlijk ook, alleen een maatje kleiner.” Raas: “Van der Poel heeft zich helemaal gefocust op het WK. Ik ken het parcours niet, maar hij schijnt elk kiezeltje zoals gewoonlijk al bestudeerd te hebben.”

Over een naderend afscheid hult Van der Poel zich in nevelen. Zolang de benen het toestaan overweegt hij nog een jaar bij te tekenen. Hij wacht geduldig op een nieuwe aanbieding van zijn sponsor. Voor het geld hoeft hij niet meer door te fietsen. Hij heeft in de jaren tachtig geprofiteerd van de opwaardering van de wielersport en sprokkelt in zijn sportieve nadagen nog een aardig zakcentje bij elkaar. Hij bewoont een luxe villa in het Belgische Kapellen en kan de rest van zijn leven op zijn lauweren rusten.

Lekker niks doen, voor Van der Poel moet het een gruwelijke gedachte zijn. De boerenzoon zal zijn afkomst nooit verloochenen en liever vandaag dan morgen zijn handen uit de mouwen steken. Wellicht wordt hij de nieuwe bondscoach voor de veldrijders, zoals hij zelf onlangs heeft gesuggereerd. 'De kneepjes van het vak een bietje bijbrengen.' Volgens Raas is er in de nabije toekomst voor Van der Poel wellicht een rol weggelegd als ploegleider. “Maar daar heb ik het met hem nog nooit over gehad. Je mag met die jongen overal over praten behalve over stoppen.”