Dieptebommen

Er is evenveel water in de lucht als in de vijver. De boombladeren doen hun best de vijver te dempen, maar worden gehinderd door het net dat diende om vallende peren op te vangen. Het is veel te nat om iets buiten te doen, zelfs de kat is liever binnen. Maar de vijver is vanuit de kamer te zien, en biedt zelfs enig soulaas in dit desolate jaargetijde.

Hij is er nu sinds dit voorjaar en, in weerwil van mijn onvermogen mij de namen van waterplanten te herinneren, lijken de meeste nog in leven te zijn. Een flinke handvol plantenetiketten memoreert mijn hoopvolle aankopen - waterplanten, moerasplanten, planten die er goed uitzien naast water; ik schud ze van tijd tot tijd als een pak kaarten en zeg dingen tegen mijzelf als: 'Wat is er met de Butomus umbellatus gebeurd? Die heeft beslist niet gebloeid.' Nu, misschien komt zij in het voorjaar terug. De meest succesvolle van allemaal zal niet terugkomen, tenminste niet zonder kunstgrepen van buitenaf, en dat is een drijvende tropische plant genaamd Pistia stratiotes. In het voorjaar gooi je er een paar in het water en langzaam maar zeker bedekt het 't hele vijveroppervlak. Het is een soort macroscopisch kroos, met frisgroene bladeren die er nu wat mottig beginnen uit te zien. De eerste vorst zal ze vernietigen maar dan koop je volgend jaar weer nieuwe. Waterhyacint (Eichornia crassipes) heeft soortgelijke leefgewoonten maar waarschijnlijk meer behoefte aan zon; tenminste, ik denk dat dat de reden is van zijn koppige weigering zich in onze vijver te vermenigvuldigen.

De beroemdste, de waterplant waarvan iedereen de naam weet, de waterlelie, is ook de beste. Wat opvalt, als ik de etiketten bekijk, is hoe duur ze zijn: één waterlelie kost ongeveer evenveel als vier vaste planten. Dat suggereert dat ze fragiel zijn maar dat is misleidend, het is in feite een soort Land Rover van de plantenwereld, dat verklaart ook de prijs. Volgens Water Gardening van Frances Perry, de Bijbel van de watertuinier, kunnen ze uit het water zelfs lang overleven: 'Monsieur Delile bracht knollen terug uit Egypte die twee jaar lang droog bewaard waren en toen ze geplant werden meteen begonnen te groeien. We hebben waterlelies gezien die uit een vijver zo in een bloembed waren gegooid, en er maanden later nog kerngezond uitzagen.'

Zoals alle planten hebben waterlelies hun eigen noden en de diepte van het water waar ze in staan is tamelijk kritisch. Voor praktisch elke diepte, van 10-20 cm tot 100-150, bestaan aparte soorten, in kleuren van wit tot rose, rood en geel. Dat zijn meest hybriden, afgezien van de soorten Nymphaea candida, N. alba en Nuphar lutea (gele plomp); zeer vele daarvan werden gekweekt door M. Latour-Marliac (1830-1911) in Temple-sur-Lot in Frankrijk (département Lot et Garonne). Vandaar het adjectief marliacea, waar je snel mee vertrouwd raakt als je je met waterlelies bezighoudt. Een soortgelijk bijvoeglijk naamwoord is laydeckeri, naar Jean Laydecker, Latour-Marliacs voorman en schoonzoon.

De naam Temple-sur-Lot roept beelden op van klassieke façades en antieke vijvers gevuld met ontluikende waterlelies; er tussendoor waadt een demente professor met wilde ogen en een penseel in de hand. Het veredelen van waterlelies is buitengewoon moeilijk, zoals Frances Perry beschrijft ('Na de bestuiving kan de bloem al of niet een zaaddoos voortbrengen; gewoonlijk rot zij weg'; 'de 159 geregistreerde kruisingen die wij in 1928 maakten leverden maar één niet-loze zaaddoos op, en het nageslacht was niet beter, of zelfs minder goed dan veel bestaande variëteiten'). Latour-Marliac bewaarde het mysterie door zijn hybriden te kruisen en nog eens te kruisen; hij hield 'zijn methodes geheim' en derhalve weet niemand precies hoe hij het deed.

De waterlelie die wij kochten is Nymphea 'Marliacea Albida', een witbloeiende soort die kan overleven tussen veertig en tachtig centimeter. We lieten hem te water, hij zonk, en net als met een mijn gebeurde er wekenlang niets; zijn enige miniatuurblaadje bleef opgevouwen onder de oppervlakte, zodat je de neiging kreeg er aan te trekken om het naar boven te krijgen. Het is duidelijk dat we daar niet aan moesten toegeven, want toen we tenslotte even een andere kant opkeken kwam hij boven drijven en maakte dat de vijver er meteen heel anders uitzag. Als beukeblad de oervorm is zonder welke geen tuin op het land volledig is, dan is dit het equivalent te water. Nog later kwam er een bloemknop, die er ook lang over deed om boven water te komen. De bloem was verrassend mooi, zuiver wit met puntige bloembladen, volgens de boeken ook geurend, maar dat speelde zich te ver van de rand af om waarneembaar te zijn.

Er is ook nog een surrogaat-waterlelie voor vijvers met wat meer schaduw. Dat is de Aponogeton distachyus of Kaapse waterlelie, met lange ovalen bladeren en witte bloemen in bosjes. Het was een daad van blind vertrouwen er zo laat in de zomer nog een te kopen (weliswaar gecompenseerd door een sterk gereduceerde prijs); hij zag er behoorlijk dood uit. Onze adem inhoudend gaven wij hem over aan de vloed, en ook hij gedroeg zich als een dieptebom onder de vaarroute: een hele tijd niets en toen opeens een uitbarsting van bladeren. De bloemen, neem ik aan, zijn voor volgend jaar.

Zijn naam is aanzienlijker dan die van andere waterplanten: gederiveerd van de Latijnse naam der geneeskrachtige warme bronnen te Aquae Aponi, of Aponus, nu bekend als Bagni d'Abano, plus geiton, 'nabuur', en werd oorspronkelijk gebruikt voor een waterplant die daar werd gevonden, later herdoopt tot Zannichellia. De naam Aponogeton ging toen over op deze tropische soort. Zij is dus nooit in de buurt geweest van enige Romeinse bronnen: een koloniale usurpateur.

Maar met vele voordelen: niet kieskeurig m.b.t. diepte, zaait zichzelf uit en is een van de weinige waterplanten die schaduw kan verdragen. Hoe dan ook: het zijn, tussen Temple-sur-Lot en Aquae Aponi, planten met een klassieke allure.