Computerstrafrecht

In het artikel 'Vonnissen en de computer' (NRC HANDELSBLAD, 23 november) wordt gesteld, dat de computer hulp zou moeten bieden om een eind te maken aan de feitelijke rechtsongelijkheid, daarin bestaande dat voor hetzelfde delict onder dezelfde omstandigheden door de ene rechter een heel andere straf wordt opgelegd dan door een andere rechter.

Deze stelling gaat in haar algemeenheid te ver. Het ene delict is het andere niet, maar nog minder is de ene dader de andere.

Voor een groot aantal kleinere delicten bestaan al jaren richtlijnen om tot gelijke bestraffing te komen. In deze gevallen lijkt dit juist, omdat bij dit type delicten het zwaartepunt voor de beoordeling ligt bij het feit als zodanig. In zulke gevallen leent de regel 'gelijke gevallen gelijk behandelen' zich voor toepassing. Kwantitatieve informatie via computer of andere datasystemen kan hier dus goede diensten bewijzen.

Anders is dit bij ernstige misdrijven. Uitgangspunt voor straftoemeting bij dit type zware delicten behoort niet alleen te zijn de inbreuk op de rechtsorde als zodanig, maar ook de beoordeling van de persoon van de dader en de mate van schuld, dit alles in verband met de zware sanctie die hier kan worden opgelegd.

Het in aanmerking nemen van de verschillende strafdoelen zoals vergoeding van de schade of ongedaan maken van de gevolgen van het delict, de speciale preventie of de beveiliging van de samenleving en de mogelijkheden tot resocialisering, kan aanleiding zijn tot meer differentiatie bij bestraffing. Met computergegevens omtrent aan plegers van soortgelijke misdrijven opgelegde straffen komt men er dus niet.

Natuurlijk kan de ontwikkeling van standaardstrafmotiveringen een hulpmiddel zijn, al was het slechts omdat dit voorkomt dat steeds opnieuw naar de beste formulering moet worden gezocht. De keuze voor een bepaalde motivering moet echter voorbehouden blijven aan de rechter.

    • J.L.M. Elders