CDA-ideoloog Kees Klop: 'De politiek schept vrijheid ten koste van gemeenschappen'

Mensen kunnen zonder saamhorigheid niet bestaan, zegt CDA-denker Kees Klop. Maar 'markt, markt en nog eens markt' verdringt de normen en waarden die aan gemeenschappen ten grondslag liggen. 'De overheid is de enige hoeder van die waarden. Als zij het niet doet, doet niemand het.' Over de noodzaak tot moreel gezag.

Het zijn moeilijke tijden voor de christen-democratie. Het oppositievoeren gaat haar niet gemakkelijk af, maar dat is slechts een detail vergeleken met een veel omvattender probleem: de heersende machten dreigen de hele samenleving te ondermijnen, meent CDA-ideoloog Kees Klop.

“Mensen zijn gemeenschapswezens. Ze kunnen niet bestaan zonder gemeenschappen”, zegt Klop (1947), adjunct-directeur van het wetenschappelijk bureau van het CDA en sinds kort bijzonder hoogleraar politieke ethiek te Nijmegen. “Terwijl het politiek beleid en het maatschappelijk bestel er nu juist op gericht zijn om ons van gemeenschappen te ontdoen, om van ons volstrekt autonome individuen te maken die dan op allerlei markten opereren waar de verhoudingen bepaald worden door geldrelaties.”

Liberalisering van de winkelsluitingswet, commerciële omroepen, referenda, boerenprotesten, veranderingen in de ziektewet - het zijn voor hem allemaal tekenen van gemeenschapsverval. Klop heeft het gevoel dat hij tot een bedreigde minderheid behoort. “Ik verwacht dat ik nog eens een beroep op de wet gewetensbezwaarden zal moeten doen als ik op zondag niet wil werken.”

De kern van het probleem is volgens Klop de rol van de overheid. “De overheid is ook een gemeenschap, een rechtsgemeenschap, die op allerlei normen en waarden gebaseerd is, van 'Gij zult niet stelen' tot het principe van vrije verkiezingen. De overheid is de enige hoeder van die waarden. Als zij het niet doet, doet niemand het.”

Klop bedoelt niet dat de overheid zich tot spreekbuis moet maken van elke morele verontwaardiging. De liberalen, tegenwoordig ook al op zoek naar een gemeenschappelijke moraal, verwijt hij een te beperkte opvatting. 'Met burgermansfatsoen red je het niet', schreef hij dit jaar in deze krant. Het moet allemaal wat groter gezien worden, en liefst in moderne bewoordingen. De ideologische strijd die hij voert is die tussen “christen-democratische communitaristen en liberale marktdenkers”.

In Amerika is de beweging van het communitarisme ontstaan. Communitaristen verzetten zich tegen het heersende liberale individualisme en verdedigen het kwijnende gemeenschapsleven, zowel in gezinnen, buurten en bedrijven als in talloze sociale, godsdienstige, etnische en politieke groepen. “Het menselijk bestaan, noch de individuele vrijheid, kunnen zich staande houden buiten de wederzijds afhankelijke en elkaar overlappende gemeenschappen waar we allemaal toe behoren”, aldus een verklaring van het Responsive Communitarian Platform: Rights and Responsibilities uit 1992. De verklaring was ondertekend door tientallen intellectuelen van (Amerikaanse) faam. Zij vormden een platform voor alle politieke gezindten dat zich ten doel stelt binnen de twee grote politieke partijen de communitaristische idealen te verbreiden.

Ook in Nederland wordt er in politieke kring met het communitarisme geflirt. Het wetenschappelijk bureau van de VVD publiceerde er vorig jaar een boekje over, Tussen vrijblijvendheid en paternalisme. En dat terwijl Amerika op dit gebied eerder iets van Europa kan leren, vindt Klop. “Je merkt dat als gemeenschapsdenkers naar Europa komen en dan geconfronteerd worden met de sociaal- of christen-democratie. Dan zeggen ze: ja, dat is eigenlijk precies wat we willen.”

Aangezien de sociaal-democratie volgens Klop nu 'vervluchtigt' heeft de christen-democratie het communitaristische rijk in Nederland alleen. Klop heeft zelf tot in detail uitgezocht hoe de christen-democratische ideologie in die richting gefundeerd moet worden. Hij deed dat in zijn proefschrift van 1993, De cultuurpolitieke paradox; Noodzaak èn onwenselijkheid van overheidsinvloed op normen en waarden. Terwijl de moderne wereld geregeerd wordt door principes van efficiëntie, techniek en calculeerbaarheid, zou erkend moeten worden dat iedere gemeenschap waar de mensen deel van uitmaken door verschillende waarden gedomineerd moet worden. Voor de overheid is dat publieke gerechtigheid, in de economische sfeer horen 'spaarzaamheid of de meest nuttige aanwending van schaarse middelen' de verhoudingen te beheersen, en in het gezin is de leidende waarde de 'liefde'.

Wat het gezin betreft is Klop eigenlijk niet ontevreden. Een hoog echtscheidingspercentage ziet hij wel als een kwaad, “maar dat is voor mensen geen reden om het hele instituut huwelijk af te schaffen, zoals de Emancipatieraad onlangs heeft voorgesteld. Mensen komen nu gewild of ongewild in een situatie van seriële monogamie, meerdere huwelijken in één leven - we leven tenslotte ook veel langer dan vroeger. Zo blijft men toch voor gemeenschapsvorming kiezen. Uit het feit dat men meerdere huwelijken na elkaar heeft, spreekt eigenlijk een grotere waardering voor de eigen normativiteit van die vorm van gemeenschap, namelijk liefde en trouw. Men wil geen huwelijk zonder liefde, en dat betekent dus eerder een versterking van het gemeenschapsdenken dan een verzwakking.”

Waar klaagt u dan over?

“Dat de politiek zo liberaliseert, terwijl de mensen eigenlijk zo niet leven. De politiek schept daarmee een vrijheid waar de handige jongens gebruik van maken, de winstmakers, ten koste van gemeenschappen. Bijvoorbeeld met een sportkanaal. Maar ook met het huwelijk. De overheid zegt, het huwelijk is in feite een contract tussen twee economisch zelfstandige individuen waar de overheid verder buiten staat. Maar dat doet tekort aan de huwelijksgemeenschap.”

Waarom? Als ze economisch niet van elkaar afhankelijk zijn kunnen ze zich wat elkaar betreft geheel aan de liefde wijden.

“Nee, want die zelfstandigheid betekent dat ze gedwongen zijn om beiden een inkomen te verwerven, terwijl bij een huwelijk als een echte gemeenschap het aan de partners moet worden overgelaten wie van beiden het inkomen verwerft, zodat je andere taken kunt verdelen. In een huwelijk moet tenslotte meestal voor kinderen gezorgd worden. Nu is het overheidsbeleid gericht op een soort arbeidsdwang. Zeker in lagere inkomensgroepen is het onmogelijk om met een gezin van één inkomen rond te komen.”

En als de partners nu allebei in deeltijd gaan werken?

“Zolang ze maar een keuzevrijheid houden en de mogelijkheid van deeltijdarbeid hebben. Dat is te regelen. Ik ben voorstander van een modern gezinsbeleid waarin de werkweek wordt opgerekt naar zes dagen: de vrije zondag buiten schot laten, als een gemeenschappelijk vrije dag, maar de vrije zaterdag inleveren, en die zes dagen verdelen over twee banen, vier en drie dagen of zo. Dan kunnen de partners de zorg over de kinderen nog zelf blijven uitoefenen..”

Dat gaat moeilijk met een laag inkomen, en dat is niet meteen de schuld van de overheid. Bovendien is het behoud van werk op zich heel onzeker geworden.

“Dat is waar, maar met een bepaald belastingsysteem, zoals de voetoverheveling, kun je de mogelijkheden wel vergroten. En of werk zo onzeker moet zijn, weet ik niet. Ik heb meer het idee dat de economie vanuit een zeer liberale ideologie onzeker wordt gemáákt. Een ideologie waarin arbeidsgemeenschappen puur tot handelswaar worden gedegradeerd. In datzelfde denken wordt de christen-democratie als iets pre-moderns voorgesteld: het geloof in gemeenschappen zou in een moderne samenleving volstrekt niet meer kunnen.”

Ook het communitarisme in Amerika wordt een wereldvreemde hang naar teloorgegane kleine gemeenschappen verweten. Een conservatieve ideologie dus, maar met een modern trekje: sommige critici beschouwen het als de nieuwe mode in het maakbaarheidsdenken. Communitarisme is een academische uitvinding, zo is het verwijt - het speeltje van intellectuelen die denken dat gemeenschappen geconstrueerd kunnen worden, waarna het met de oude normen en waarden ook wel weer goed komt. Dat soort intellectuelen komen met uitvindingen als het in Amerika populaire begrip 'civic religion' (burgerschapsreligie).

Voor de communitaristen is het ontmoedigend dat hun grootste helden zich niet bij hen willen aansluiten. De gezaghebbende moraalfilosoof Alasdair MacIntyre bijvoorbeeld, schreef in 1991 aan het communitaristenblad The Responsive Comunity: “Ondanks de geruchten die het tegendeel beweren, ben ik geen communitarist, en ook nooit geweest. [...] ik geloof [...] dat pogingen om moderne samenlevingen op een systematisch communitaire manier opnieuw in te richten altijd op niets of op rampen zullen uitlopen.”

Dit moge allemaal zo zijn, zegt Klop, voor hem gaan al die bezwaren niet op. Zijn eigen communitaire denken is namelijk niet gebaseerd op het maken van iets nieuws, maar op het onderkennen van een 'scheppingsordening' - een door God gegeven potentieel. “In de schepping zijn mogelijkheden van gemeenschappen gegeven. Die hoef je niet te maken, die kun je ontdekken als je je er voor open stelt. Het is een kwestie van vertrouwen dat de wereld in beginsel zo geschapen is dat naastenliefde en zorg voor de natuur kunnen gedijen. God heeft de maatschappij zo gemaakt en roept de mensen op dat ook te verwezenlijken. De mens mag er op vertrouwen dat het inderdaad kan.”

Maar de mens ziet zich tegenover 'demonische krachten' gesteld, schreef Klop in zijn boek: “het fundamentalisme, etnisch nationalisme, en vooral de grote leegte van de consumptiementaliteit en het materialisme, die gesteund worden door new age-achtige bewegingen - de moderne gnostiek”. De harmonie op basis van christendom en humanisme wordt voorlopig gedwarsboomd door een terreur van deelbelangen. Belangen die politieke partijen niet meer op een juiste manier tegen elkaar afwegen, zoals Klop dit jaar samen met directeur K. Groenveld van het liberale wetenschappelijke bureau op de opiniepagina van deze krant betoogde.

Klop is helemaal niet te spreken over het gedrag van de burger heden ten dage. “Terecht hebben de mensen zich ontworsteld aan de vroegere regenteske partijen, maar ze zijn doorgeslagen in de richting van individuele participatie. Het referendum is daar natuurlijk het ultimum remedium van - puur individueel, je raakt niet eens in discussie met elkaar. Er wordt niet gezagvol geappeleerd aan normen en waarden waar ze aan zouden moeten voldoen als ze een bepaald soort gemeenschap met elkaar willen. Nu zie je aan de ene kant calculerende individuen en aan de andere kant carrièregerichte politici die marketingtechnieken gebruiken om macht te verwerven.”

Om 'gezagvol' te appeleren zouden politici op de een of andere manier boven de burgers moeten uitstijgen.

“Die afstand tussen overheid en burgers moet anders. Vroeger waren mensen lid van een politieke partij vanwege bepaalde visies op de samenleving. Die partijen vormden gemeenschappen die hun visies in de overkoepelende rechtsgemeenschap, de staat, inbrachten. Als dat niet meer gaat, gaat het wezen van de politiek teloor, want dan kan je vraagstukken ook niet echt meer oplossen. De tegenstelling tussen milieu en economie bijvoorbeeld kun je oplossen op basis van een waardeoordeel over het algemeen belang. Als dat oordeel niet meer mogelijk is, heb je alleen tegenover elkaar staande belangen, waar nooit een echte oplossing voor gevonden kan worden.”

U vindt in wezen dat politieke leiders meer de baas moeten kunnen zijn.

“Ik noem dat 'mensen met gezag', leiders die overtuigend optreden in een discussie omdat ze appeleren aan de waarden van de gemeenschap. Kritiek van de partijleden is daarbij juist hard nodig: zonder kritische houding wordt een politiek leider niet gedwongen tot het aanscherpen van zijn visie.”

Dat kan nu toch allemaal?

“Nauwelijks. Als een zaal vol zit met mensen die ook al een functie in het openbaar bestuur of in een politieke partij hebben, dan zullen ze geneigd zijn om elkaar de hand boven het hoofd te houden. Al die mensen hebben namelijk een carrièrebelang. Dat is wat je in politieke partijen om je heen nu ziet. Een heel gevaarlijk trekje.

“Ik wil dus graag belangeloze burgers in een partij, met een baan elders, en die een politieke interesse hebben omdat ze voor een bepaalde visie willen opkomen. Visies die tegengestelde belangen kunnen integreren, en op basis waarvan ze hun politieke leiders bekritiseren. Ik weet zeker dat zulke partijleden een veel kritischer instelling hebben.”

Klops praktische politieke visie lijkt vooral te draaien om zondagsrust, verplichte adviezen van de SER, het behoud van omroepbestel en bijzonder onderwijs, en steun aan levensbeschouwelijke (kerkelijke) organisaties. Heimwee naar verzuiling en middenveld, zo te horen.

Dat lijkt maar zo, zegt hij. “Je moet zorgen dat het middenveld zich opnieuw vormt.”

Een levensvatbaar middenveld vormt zichzelf wel.

“Bij die opbouw moet de overheid via het recht en met fiscale maatregelen steun verlenen. Als de boeren in de regio zeggen: wij kunnen de milieuproblemen oplossen via een landbouwcoöperatie waarin we gezamenlijk aan de regels voldoen, maar per bedrijf verschillen, dan vind ik dat een heel interessante vorm van nieuwe gemeenschappelijkheid. Progressieve jonge boeren willen dat best samen oplossen.”

Waarom doen ze dat dan niet?

“Omdat de overheid zegt: markt, markt en nog eens markt. De mogelijkheid van coöperaties is in de Eerste Kamer wel voorgesteld, maar de minister wil alles aan de markt overlaten en iedere boer alleen als een individuele ondernemer zien.”

Kan de overheid die boeren tegenhouden als ze echt willen? Is dat gemoraliseer echt nodig?

“De overheid is nu al voortdurend aan het moraliseren. Maar ik denk dat dat alleen maar zin heeft als het niet alleen een kwestie is van televisiespotjes. De samenleving moet zo ingericht zijn dat die normen weerspiegeld worden, en niet onderuit gehaald. Je kunt niet zeggen: we voeren overal de markt in, en daarnaast doen we een mooi appèl op mensen. De twee moeten geïntegreerd zijn. De markt drukt namelijk bepaalde waarden uit - dat je iets kunt ruilen tegen geld. Iemand die geen geld heeft kan er niet aan deelnemen. Of als iets niet in geld is uit te drukken zal dat via de markt niet tot stand komen. Als je tegen iedereen zegt dat ze minder auto moeten rijden, maar je maakt daarnaast nauwelijks beter en betaalbaar openbaar vervoer mogelijk, slaat je gemoraliseer nergens op.”

In de praktische politiek hoor je dit soort dingen eerder van een partij als Groenlinks dan van het CDA.

“Het CDA onderschrijft dit volmondig. Maar inderdaad, bij Groenlinks zit een hoop verwantschap. Ik kom vaak in forums terecht waar ik tot mijn stomme verbazing ongeveer hetzelfde blijk te vinden als de vertegenwoordiger van Groenlinks. Die kijkt daar trouwens ook raar van op.”

Vindt u dat gek na meer dan tien jaar no-nonsense beleid?

“Nee, maar je kan ergens op terugkomen, en dat is voluit gebeurd. De commissie-Gardeniers die de oorzaak van de verkiezingsnederlaag is nagegaan, vond inderdaad dat het CDA wat arrogant was geweest en dat het sociaal gezicht van de partij wat meer gestalte moet krijgen.”

Een goed ding dus, die nederlaag.

“Het is goed voor partijen om zo nu en dan in de oppositie te zitten, dan kun je authentieker op je eigen gedachtengoed terugvallen. Als het CDA weer in de regering komt zal die spanning tussen theorie en praktijk zich opnieuw voordoen. Ik hoop dan ook dat er nu een zekere loutering is opgetreden en dat we niet zo gemakkelijk in de val stappen.”

Klop gelooft in de mogelijkheid van “een naar harmonie neigende samenleving”, als de principes van christendom en humanisme maar op een juiste wijze uitgeoefend zullen worden. Optimistisch is hij niet: echte humanisten zijn er weinig en “de aanhang van het christendom is vrij matig”. Maar moeten het allemaal gelovigen zijn? Met het morele besef van de Nederlanders lijkt het niet zo slecht gesteld: men gedraagt zich in het algemeen toch vrij christelijk, zoals de uitdrukking luidt.

“Ik denk dat een levensovertuiging zijn vitale kracht behoudt als de band met de bron niet wordt doorgesneden. De jeugd die nu opgroeit, en waar we terecht een positief beeld van hebben, die weet van toeten noch blazen als het om de Bijbel gaat. Dat betekent volgens mij dat binnen twee of drie generaties het christelijk geloof als cultuurbron, als levensbron uitgestorven zal zijn. Dan zal dat nog best een tijdje doorgaan in een soort christelijk getinte algemene cultuur, maar als de kerk haar contact met de samenleving niet kan herstellen dan ziet het er slecht uit.”

Als er een orde in de wereld gegeven is, zoals u zegt, komt het dan niet vanzelf wel goed?

“Je zult voor heel wanhopige keuzes komen te staan, waarvan je volstrekt niet kunt begrijpen dat je dat aankunt. Je hebt geloof nodig om er op te vertrouwen dat de schepping in beginsel goed is. Dat helpt je op weg om het te gaan proberen.”

Is de schepping dan op het eerste gezicht zo ontmoedigend?

“Niet altijd. Als ik een echte onderwijzer ontmoet die er lak aan heeft dat-ie weinig geld verdient (tè weinig, vind ik), maar gewoon pedagogisch met die kinderen bezig is - schitterend, daar doe ik scheppingservaringen in op. Net zo goed als een ondernemer die zorg heeft voor zijn mensen, een goed produkt wil maken met een goed bedrijf en zo met het milieu weet om te gaan dat je iets zinvols produceert zonder de natuur uit te buiten. Zulke mensen zijn er. Dat is prachtig, dan ervaar ik de bedoelingen van de schepper.”

    • Martijn de Rijk