Zeven vette jaren bij het Rijksmuseum; Bij het afscheid van directeur Henk van Os

Vrouwelijke suppoosten in het Rijksmuseum mochten onder zijn bewind voor het eerst een lange broek aan op hun werk. Henk van Os, die morgen vertrekt als directeur van het museum, was niet alleen geliefd bij het personeel. Ook kunsthistorici, financiers en gewone bezoekers wist hij voor het museum te winnen. “Als Van Os in de buurt is, wordt kunst leuk.”

De Rembrandt-toets die iedere directeur van het Rijksmuseum lijkt te moeten ondergaan, wijst Henk van Os aan als de meest succesvolle drager van die titel sinds jonkheer David Cornelis Röell in 1956 afscheid nam. Een paar kleine maar betere aankopen daargelaten waagde Arthur van Schendel zich aan de Heilige Familie (6 miljoen gulden in 1965; sinds 1991 te vinden in de studiecollectie, in de kelders van het museum) en had Simon Levie in 1985 zijn laatste duit over voor het nondescripte portret van Haesje Jacobsdr. van Cleyburg (10 miljoen; nu een van de muurbloempjes aan de museumwand).

Zelfs Röells grote coup van 1949 - het binnenhalen van het Zelfportret als de apostel Paulus - is niet zo spectaculair als Van Os' aankoop van het portret van Johannes Uyttenbogaert in 1992. Het Zelfportret als Paulus was een schenking (die pas in 1961 haar beslag kreeg) van de familie De Bruijn-De Leeuw, sinds jaar en dag belangrijke begunstigers van het museum. Van Os moest 17 miljoen bijeenschrapen voor zijn Rembrandt, nadat het doek ten aanschouwe van de hele wereld bij Sotheby's 15 miljoen had gedaan. Je naam verbinden aan belangrijke aanwinsten - het museum spreekt van gezichtsbepalende stukken - is een wapenfeit waarmee een museumdirecteur zich onvergetelijk maakt. Dat punt heeft Van Os gescoord. Maar er zijn andere maatstaven voor een wijs beleid dan het binnenhalen van een Rembrandt en daaraan gemeten is dit laatste directeurschap niet minder - zelfs meer - van gewicht geweest voor het museum. Het wordt steeds moeilijker voor een museum een goede directeur te vinden en vast te houden. Degeen die deze functie goed wil vervullen, moet een duizendpoot zijn, en al die poten kunnen uitglijden. Van Os wist zich echter overeind te houden, terwijl hij intussen een grote en potentieel explosieve verandering in de structuur en de cultuur van het Rijksmuseum in goede banen leidde. Bestuurlijk was het Rijksmuseum, toen Van Os er op 1 september 1989 aantrad, een nachtmerrie. Sinds 1883 mocht een aantal functionarissen die in ieder ander museum gewoon conservator zouden heten, zich bedienen van de titel directeur. De macht van 'De Heren', want zo werden ze genoemd, overlapte en doorkruiste niet zelden die van de algemeen directeur. Het was de taak van Van Os een hervorming door te voeren waartoe al voor zijn in diensttreding was besloten: hij bracht de rang van deze machtshebbers terug tot die van afdelingshoofd en stelde twee nieuwe functionarissen boven hen aan, iemand voor behoud en beheer en iemand voor presentatie. Deze harde manoeuvre werd met zo'n zachte hand uitgevoerd dat alle betrokkenen zich in de nieuwe situatie schikten zonder dat de media ook maar één klacht konden registreren. (Mede dankzij een paar gunstig vallende pensioneringen, dat moet gezegd.)

Hierna begeleidde Van Os een nog veel fundamentelere verandering in de status van het Rijksmuseum. Van een rijksinstelling met ambtenaren werd het een zelfstandige non-profitorganisatie, verantwoordelijk voor eigen financiering en beheer. (Tachtig procent van het budget komt van de staat, op basis van een privaatrechtelijke overeenkomst.)

364 dagen open

Deze hervormingen werden ondersteund door een gelijktijdig doorgevoerde herziening van de personeelspolitiek in Amsterdam en Den Haag. Het museum lanceerde een professionaliseringscampagne: de wetenschappelijke staf kreeg een training in management en public relations. Tegelijkertijd liet het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen in Den Haag zijn ambtenaren voor museumzaken bijscholen en verving zij stempelzetters door mensen die een gesprek over cultuur konden voeren met iemand uit de museumwereld. Binnen het museum slechtte Van Os hiërarchieke barrières en verbeterde hij interne verhoudingen. Waar de ambtstermijn van zijn voorganger eindigde in een verlammend conflict met de dienstcommissie, won Van Os het vertrouwen van het gehele personeel en wist dat te behouden. Dat vrouwelijke suppoosten voortaan een lange broek mogen dragen op hun werk, is een maatregel waar iedereen nog altijd zeer dankbaar voor is. Dat een suppoost (vier van de vijf zijn tegenwoordig, zoals Van Os dat uitdrukt, 'Nieuwe Nederlanders') mag gaan zitten wanneer hij of zij dat wil, was niet alleen reden tot dankbaarheid maar maakte het ook mogelijk meer zalen open te stellen. Het werkt nu veel prettiger in het Rijksmuseum dan zeven jaar geleden.

Het contact met het publiek is in die zeven jaar ook sterk verbeterd. VanOs' televisieoptredens als de dagsluiter van Museumschatten heeft onze musea een menselijker gezicht gegeven. Het Rijksmuseum is onder zijn bewind nu 364 dagen per jaar open, alle dagen behalve 1 januari, en het personeel is ervan doordrongen dat het museum er is voor de bezoekers.

Hoe is het mogelijk dat een professor in de kunstgeschiedenis, regelrecht uit de Groningse Rijksuniversiteit, met een bestuurlijke ervaring opgedaan in de totaal andere (en veel minder delicate) academische wereld, zo'n tactische ingreep goed ten uitvoer brengt? Als iemand die hem nu bijna dertig jaar kent en zijn carrière heeft gadegeslagen van lector in Groningen tot zijn huidige glansrol, kom ik tot de conclusie dat een groot vermogen tot toneelspelen hem daarbij enorm geholpen heeft. Toen hij benaderd werd door het Rijksmuseum had hij slechts een vaag idee van de taak van een museumdirecteur. Maar hij maskeerde dit gebrek aan ervaring door een aantal rollen te creëren en die met eengroot talent voor improvisatie over het voetlicht te brengen.

De rol die hem het meest op het lijf geschreven was in het Rijksmuseum, behalve natuurlijk die van pater familias voor zijn 300 ondergeschikten, was die van museaal wetenschapper. De museumconservatoren kende hij als collega's uit de academische wereld, en hij is hen altijd als collega's blijven zien. Dat bracht hem hun steun. Hij staat achter hun tijdrovende werk aan het Bulletin van het Rijksmuseum, een van de beste publicaties in zijn soort in de wereld (en nog te betalen ook). Het tentoonstellingsprogramma heeft een uitgesproken hoog wetenschappelijk gehalte en Van Os werpt zich samen met zijn conservators in de strijd om deze evenementen desondanks tot publiekstrekkers te maken. Naast zijn eigen tour de force, de expositie Gebed in schoonheid, was hij bijzonder trots op De dageraad der Gouden Eeuw. Tentoonstellingen van alle afdelingen van het museum opende hij graag met doorwrochte maar begrijpelijke lezingen en zijn bekendheid trok meer mensen dan zich anders bij dergelijke gelegenheden vertoonden. Zijn optredens inspireerden de wetenschappelijke staf tot het schrijven voor het algemeen publiek, een taak waar voordien weinig enthousiasme voor bestond. Het resultaat was dat Van Os de kloof dichtte tussen de wetenschappelijke specialisten van zijn staf, de beau monde van het vernissage-publiek en de gewone bezoekers die in steeds grotere getale naar het museum drommen.

De ongedwongen omgang met belangrijke sponsors van het museum ging hem ook makkelijker af dan hij van te voren gedacht had. Vriendschappen worden beklonken in het Ajaxstadion. Een gouden greep was het oprichten van een kleine top-groep, de Staalmeesters genaamd, die hem adviseert over sponsoring en financiering. De centrale figuur is Michael Drabbe van ABN-Amro, samen met Frank Robertson van Aegon, Paul Kohnstamm, en Miente Boellaard, een hofdame van koningin Beatrix. Hun twee-maandelijkse bijeenkomsten zijn van onschatbare waarde. Deze groep, samen met wijlen John Loudon, hielp Van Os een 'Endowment Fund' van 10 miljoen bijeen te brengen en financiële reserves op te bouwen die het museum in zijn geprivatiseerde vorm moeten beschermen.

Kampioen

De inkomsten uit sponsoring brengen het museum nu zo'n twee miljoen per jaar op, een aardige aanvulling op de winst van een miljoen die de museumwinkel jaarlijks oplevert. Van Os mikt op toezeggingen voor de lange termijn. Bedrijven die het museum aan zich willen verplichten met een eenmalige donatie van onder de vijftigduizend gulden krijgen beleefd te horen dat ze dit geld beter ergens anders heen kunnen brengen. “Probeert u het eens in Dordrecht, meneer. Dit soort bedragen zijn daar zeer welkom.”

Van Os is zuinig met zijn avonden. Mensen die het meest voor het museum kunnen betekenen, maken ook de meeste kans op zijn gezelschap. Zo zal hij bijvoorbeeld, liever dan goede tijd vrijmaken voor individuele ambassadeurs die zelden daadwerkelijk iets te bieden hebben, een hele groep van hen tegelijk ontmoeten. Vroeger gebeurde dat ten huize van de voormalige Duitse ambassadeur Otto von der Gablentz. Dit soort kieskeurigheid werpt vruchten af. Toegang tot de kring van Henk van Os werd op deze manier tot iets exclusiefs en mensen waren bereid het museum rijkelijk te bedenken voor dit privilege.

Zijn belangrijkste rol was echter die van de kampioen. Terwijl andere vooraanstaande figuren uit de culturele wereld graag het slachtoffer spelen, projecteerde Van Os vrijwel constant een positief imago. Liever dan medelijden opwekken of geld bedelen voor het museum 'omdat kunst moet', klom hij op een triomfkar en liet (sommige) anderen meeliften. De cameraderie die hij met de Staalmeesters en zijn makkers bij de overheid deelt, straalt hij naar alle kanten uit. Als Van Os in de buurt is, wordt kunst leuk. Zoals Hanneke Groenteman opmerkte in De plantage, afgelopen zondag: 'Henk, jij bent een echt pretpakket'.

Dan zijn er de rollen die Van Os aan anderen toebedeelt. Het directeurschap van het Rijksmuseum is een driemanschap. Van Os is Algemeen Directeur boven (naast? niemand weet het zeker) Jan Piet Filedt Kok, directeur behoud en beheer, en Annemarie Vels-Heijn, directeur presentatie. In een vroeg stadium van het doorlopend overleg werd besloten dat Van Os het museum naar buiten toe zou vertegenwoordigen en dat zij beiden het interne werk zouden doen. Dit heeft Van Os vrijwel volledig bevrijd van de dagelijkse verantwoordelijkheid voor het functioneren van het museum. Alleen maar omdat Filedt Kok en Vels-Heijn zich met evenveel succes van hun taken hebben gekweten als Van Os dat deed, zien wij nu terug op zeven vette jaren bij het Rijksmuseum.

Zo belangrijk was de rol van winnaar voor Van Os' directeurschap, voor het museum zowel als voor hemzelf, dat er iemand anders was die de rol van verliezer moest spelen. Als er papieren zoekraakten in de vertrekken van de algemeen directeur, kwam dat nooit door hem. Er was altijd wel iemand die de schuld op zich nam. Het museum deed zijn best om van dag tot dag Van Os' moreel op peil te houden, net zoals hij zichzelf inzette voor het moreel van het museum.

Een functie die op dit moment in het museum vacant is, is die van financiële man. Edwin van Huis stapte in april jongstleden op en Dieric Elders begint pas in april '97. Dit is geen toeval. Als er zich spanningen voordoen, dan is het op deze plaats. Onenigheid tussen Van Huis en de directeur die zou kunnen leiden tot een verstoring van de aimabele betrekkingen tussen de top en de staf, het museum en het ministerie, werd gladgestreken en in de doofpot gestopt. Op aandringen van Van Os krijgt ook Elders de rang van directeur. Of deze regeling de spanningen zal opheffen dan wel vergroten zal alleen de tijd kunnen leren. Wat wel met zekerheid gezegd kan worden is dat de meer praktische manier van leidinggeven van de nieuwe directeur, Ronald de Leeuw, nieuwe aanpassingen in het Rijksmuseum teweeg zal brengen.

Van Os krijgt een nieuwe positie aan de Universiteit van Amsterdam. Hijwordt daar 'University Professor' (in de wandelgangen: superprof). Zijn inlevingsvermogen draait ongetwijfeld al op volle toeren. Ik twijfel er niet aan dat wij hem spoedig in een spectaculaire nieuwe rol te zien krijgen. Als zijn jaren bij het Rijkmuseum als een betrouwbare graadmeter gelden, dan ligt hier het nieuwe parcours voor de zegekar van Van Os.

    • Gary Schwartz