Wie met het zwaard zwaait, vertroebelt de euthanasie-praktijk

Een kleine zestig procent van de gevallen van euthanasie wordt door artsen niet gemeld. Hun meldingsbereidheid zal volgens E.Ph.R. Sutorius alleen verbeteren als euthanasie uit de sfeer van het strafrecht wordt gehaald.

De uitkomsten van het onderzoek naar de werking van de Meldingsprocedure Euthanasie stellen gerust èn teleur. De geruststelling geldt de zorgvuldigheid, waarmee Nederlandse artsen euthanasie blijken te verrichten, de teleurstelling het feit dat zestig procent van hen daarvan geen melding doet uit beduchtheid voor de juridische gevolgen daarvan. Uit het onderzoek blijkt weliswaar dat de meeste artsen maatschappelijke toetsing van verrichte euthanasie voorstaan, maar niet door een rechtsgeleerde met een zwaard in zijn mantel.

In zoverre luidt het onderzoeksresultaat de noodklok over de averechtse gevolgen van een strafrechtelijke benadering van het euthanasievraagstuk. Ik spreek met enige nadruk over de noodklok, omdat een verantwoordelijke overheid toch niet kan aanvaarden dat na ruim vijf jaren van meldingsvoorschriften het merendeel van een levensbeëindigende praktijk door artsen zich aan onze waarneming blijft onttrekken, hoe zorgvuldig deze praktijk ook moge zijn.

Geen kabinet zal het toch voor zijn rekening willen nemen dat bij gebreke van adequate toetsing het vlak te eniger tijd alsnog gaat hellen, omdat trends niet tijdig kunnen worden opgemerkt en een cultuur van beslotenheid groeit binnen de medische discipline, waarin de collega, die niet meldt uit wrok over de strafrechtelijke benadering van de hem toch al belastende euthanasie, kan rekenen op begrip in eigen kring.

Dat de toetsing van euthanasie - anders dan bij arbortus - nog steeds in het strafrecht geschiedt, berust er in de eerste plaats op dat de strafwetgever in 1886 euthanasie als een variant van moord strafbaar heeft gesteld zonder te voorzien dat Nederlandse burgers ruim een eeuw later - vanaf een ander sterfbed - aan hun artsen zouden vragen hen te helpen sterven. Het waren onder andere een hogere levensverwachting (we worden veel ouder dan vroeger), een gewijzigde moraliteit (aan ons sterven gaat vaker dan voorheen langdurig lijden vooraf) en de keerzijden van de medische technologie, welke ons vasthoudt en afhankelijk maakt, die ons sterfbed van karakter hebben doen veranderen.

Onder strikte voorwaarden van zorgvuldigheid hebben onze rechters deze laatste hulp van een arts aan zijn patiënt gerechtvaardigd. Een hulp, die wel exclusief voorbehouden bleef aan artsen. Zo raakte, eveneens meer dan vroeger, het stervensproces binnen het domein van de geneeskunde en werd de stervensbegeleiding gerekend tot de zorg van de arts, meestal in de vorm van palliatief handelen, maar soms - in 2,4 procent van alle sterfgevallen - door een actieve interventie op dringend verzoek van de patiënt.

Aldus werd euthanasie van een ernstig misdrijf tot onderdeel van medische beroepsuitoefening (1995: 3.200). De strafrechtelijke afkomst van euthanasie, hoewel inmiddels door vrijwel niemand meer ervaren als criminaliteit, bleef niettemin de structuur bepalen van het maatschappelijk debat. Dat werd ook in de hand gewerkt door de behoefte aan proefprocessen bij gebreke van wetgevende activiteit.

Uit het onderzoek blijkt nu - niet zo verrassend - dat dit zijn uitwekring niet heeft gemist op maar liefst 60 procent van de artsen. Zij konden helaas, begrijpelijk, het strafrechtelijk definiëren van de in hun handen gelegde euthanasie niet aanvaarden. Zo keerde het strafrechtelijk instrument, hoe behoedzaam ook gehanteerd, zich tegen wat de eerste prioriteit van overheidsbeleid zou moeten zijn: inzicht in en controle op een zich ontwikkelende praktijk van levensbeëindiging door artsen.

Wat nu met het strafrecht? De bewindsvrouwen Borst (Volksgezondheid) en Sorgdrager (Justitie) hebben laten weten dat zij denken aan de wel eerder bepleite instelling van regionale toestingscommissies van artsen, juristen en ethici, maar dan wel als een voorportaal of zeef voor het openbaar ministerie.

Hoewel de instelling van regionale toetsingscommissies op zichzelf een stap in de goede richting lijkt naar een onbekommerd inzicht in en toetsing van verrichte euthanasie, is te vrezen dat we er maar weinig mee opschieten. Het blijft dan immers het openbaar ministerie dat uiteindelijk beslist of al dan niet strafvervolging zal worden ingesteld, ook al weegt het advies van de regionale toetsingsocmmissie daarbij zwaar.

De vraag rijst wat het toch is dat ons steeds weer een toevlucht doet zoeken in dat strafrecht? In de jurisprudentie van de Hoge Raad verkeren artsen 3.200 maal per jaar in een strafrechtelijke noodtoestand, waardoor deze rechtsfiguur bijkans is opgerekt of uitgehold tot een medische exceptie.

Noch de meldingsformulieren met hun 50 vragen, noch ook de strafdossiers blijken een adequate grondslag te bieden voor een werkelijk inhoudelijke en medisch-ethische toetsing van verrichte euthanasie. Dit keurslijf werkt integendeel in de hand dat artsen hun dossier gaan inrichten, zoals juristen dat wensen: verambtelijking van euthanasie.

Waarom laten we ons toch steeds door het strafrecht betoveren, wetende dat we daardoor ernstige belemmeringen opwerpen voor een door velen wezenlijk geachte cultuur van openheid en vrijheid van spreken over de dilemma's? Toen we besloten abortus te decriminaliseren is het evenmin bergafwaarts gegaan: we kregen toegang tot reële gegevens en de mogelijkheid van adequate zorg.

Ik denk dat de behoefte om er ook nu nog “iets strafrechtelijks in te houden” voortkomt uit misverstand en angst. Het misverstand betreft de mogelijkheden en onmogelijkheden van ons strafrechtelijk systeem, dat in ieder geval niet in staat zal zijn - en ook nooit geweest is - maatschappelijke ontwikkelingen te sturen of zelfs maar te keren. De angst is er, omdat het bij euthanasie om leven en dood gaat, waardoor we menen ons het best te kunnen wenden tot het rituele strafrecht. Het is als denken met de buik, en het helpt niet.

Het is hoog tijd het licht aan te doen en alle, maar dan ook àlle gevallen van levensbeëindiging door artsen onder de loep te nemen. Alleen dan houden we een voortdurend inzicht in toekomstige ontwikkelingen, en geven we de medische discipline niet het verkeerde signaal van euthanasie als een vorm van criminaliteit.

Het is dan aan de acht à tien regionale toetsingscommissies, die zouden moeten worden gekoppeld aan het Staatstoezicht voor de Volksgezondheid, om de toetsing zelfstandig - en zo nodig in samenspraak met de Inspecteur - te verrichten. De toetsingscommissies zouden kunnen werken onder een landelijke raad, die de nodige richtlijnen voor een uniforme wijze van toetsing zou moeten opstellen. De toetsingscommissies zouden voorts een belangrijke consultatieve taak moeten kunnen vervullen ten behoeve van artsen.

Blijft er dan in het geheel geen rol over voor het strafrecht? Welzeker, elke arts van wie komt vast te staan dat hij ten onrechte geen melding heeft gedaan van verrichte euthanasie behoort zich in dit systeem te verantwoorden bij de strafrechter.

Daarmee zou als het ware het spiegelbeeld van de huidige praktijk worden bereikt. Immers, de artsen die de door hen verrichte euthanasie schriftelijk aan hun regionale toetsingscommissie melden, mogen erop rekenen buiten het strafrechtsysteem te zullen blijven, tenzij sprake zou zijn van kort gezegd grove schuld en/of criminele intenties. De niet-meldende arts daarentegen, zelfs als de euthanasie zorgvuldig was uitgevoerd, belandt zonder pardon in het strafrecht.

Inzicht en nog eens inzicht, een voortdurend inzicht in de praktijk van levensbeëindigend handelend door artsen is wat onze samenleving behoeft. Het is tijd het licht aan te doen, alles te overzien en daarover met elkaar te spreken, liever dan bij een halve pit en op de tast voort te gaan en met een zwaard te zwaaien.

    • Mr. E. Ph. R. Sutorius