Was het maar altijd december; De esthetiek van de nieuwe winkelpassages

In Rotterdam is onlangs de Beurspassage geopend, een winkelcentrum dat boven alles gezelligheid en warmte wil uitstralen. Het interieur werd ontworpen door de Amerikaanse architect Jon Jerde. Van China tot Canada heeft hij winkelcentra ingericht die de schijn wekken dat hun enig doel is de klant te behagen. “Snoeren van identieke winkels en boutiques met nagenoeg hetzelfde innerlijke stilleven trachten de consument gevangen te nemen.”

De Parijse Galerie Vivienne bevindt zich in het 1e arrondissement. Er is een ingang aan de Rue Vivienne. Een tweede ingang bevindt zich aan de Rue des Petits Champs.

'De passages, een nieuwe uitvinding van industriële luxe, zijn met glas overdekte en met marmer beklede gangen die hele huizenblokken doorsnijden. Aan weerszijden van deze gangen waarin van bovenaf licht valt, vindt men de meest elegante winkels naast elkaar, zodat zo'n passage een stad, een wereld in het klein is.' De beschrijving staat in een geïllustreerde gids van Parijs uit 1852 en vervolgt: 'de lievelingsplek van wandelaars en rokers, het paradijs van alle mogelijke kleine métiers.'

De glazen overkapping maakte de negentiende-eeuwse passage tot een kruising van buiten en binnen, van straat en interieur. Ook de totale inbedding in de omringende stedelijke bebouwing typeerde het tegen weer en wind beschermde domein van Baudelaire's flaneur. Een passage heeft geen buitenkant. In het stadsbeeld van Parijs, Londen, Milaan en zelfs van Den Haag presenteren de nu ruim een eeuw oude passages zich nog steeds met veelal monumentale toegangen. Is de wandelaar door een van de poorten naar binnen gegaan, dan onttrekt een aanlokkelijk labyrint hem aan het oog van de stad.

De recent door premier Kok in Rotterdam geopende winkelpromenade onder de Coolsingel door, is maar een halve passage. De verdiepte wandelroute wordt ten dele door golvende glazen luifels overdekt en de bijnaam 'koopgoot' die de Rotterdammers voor het nieuwe winkelhart hebben bedacht doet fysiek recht aan het slurfachtige, verzonken straatdeel. De term krast bovendien akelig snerpend over de barokke allure die men aan het gebied heeft trachten te geven. 'Koopgoot' is doeltreffend omdat daarmee de terreur van de styling wordt ontmaskerd waarmee zelfs de aanschaf van een goedkoop paar sokken is omgeven. De Beurspassage, zoals de koopgoot officieel heet, is, op de schaal van Madurodam, een toonbeeld van de internationale decoratie-architectuur waarin 'de markt' zich met welbehagen heeft genesteld. Laten wij er doorheen lopen.

In het plaveisel van het verzonken deel zijn een paar bomen geplant en het is aandoenlijk om te zien hoe, op straatniveau, de tere kruinen liefdevol door de gebogen luifelschelpen in bescherming worden genomen. Als een kostbaar deel van het buitenmeubilair ligt een fontein tussen de iele boomstammen. Uit een roestvrij stalen putrooster schieten waterstralen schuin omhoog en na in de lucht een halve cirkel te hebben afgelegd, landen de verschillend afgemeten staafjes van water aan de andere kant op het stalen gaatjesbed. Kinderen van vier, vijf jaar passen nog net onder de beweeglijke waterboog en het is een genoegen om te zien hoe ouders proberen om hun uitgelaten kinderen droog te houden. Dat winkelen een feest is, kan ons niet vroeg genoeg worden bijgebracht.

De vormgeving van de fontein en ook de partituur die de vrolijke straaltjesmuziek met precisie dirigeert, komen uit Amerika. Weliswaar ontwierp architect Pi de Bruijn het stedebouwkundige plan voor de Rotterdamse passage tussen de machtige warenhuizen van De Bijenkorf en Vroom & Dreesmann; maar de inrichting en aankleding van het winkel-eldorado werden toevertrouwd aan 'Jerde Partnership'. Het hoofdkwartier van deze ontwerpfirma ligt in een plaats waar men gewend is met zinsbegoochelingen te werken: Venice, Californië.

Klassieke schoonheid

Alleen verstokte, van ironie gespeende modernisten zullen onoverkomelijke bezwaren hebben tegen het resultaat in Rotterdam. De winkels hebben zich behaaglijk ingepakt in de luxe materialen van deze tijd, roestvrij staal, een beetje koper, hout, glas en veelal licht getinte natuursteen afgewisseld met marmer. Ook de vormgeving vindt aansluiting bij de beschaafde nostalgie die voor de geruststellende trekken zorgt in het uiterlijk van de hedendaagse metropool. In het ritme van de winkelpuien sluimert immers de klassieke schoonheid van de arcades in oude Italiaanse steden als Bologna. Net als vroeger verheffen de lantaarns zich, boven hun simpele lichtgeversfunctie en gaan gehuld in modieus ontworpen objecten die aan de gevels een cultureel cachet verlenen. En waar mogelijk is de trap veranderd in een tredenlandschap dat het klassieke amfitheater in herinnering brengt.

De stijl van de Rotterdamse Beurspassage wijkt rigoureus af van andere, recente verworvenheden in de Maasstad. Warm en gezellig kan de stedelijke vlakte achter de Laurenskerk, de Binnenrotte, ontworpen door bureau West 8 van Adriaan Geuze, niet worden genoemd. Ook de enorme golfplaten megabioscoop van architect Koen van Velsen op het Schouwburgplein sluit opvallend goed aan bij de koele, functionalistische opvattingen die aan de wederopbouw van Rotterdam ten grondslag hebben gelegen.

Vóór de kennismaking met het nieuwe, genoeglijke winkelhart onder de Coolsingel was Jon Jerde mij volslagen onbekend. De eerste berichten die ik over hem hoorde, riepen het beeld op van sprookjesachtige ontwerpkunst à la het werk van John Portman, de grote Hyatt-hotelbouwer uit Atlanta. Portman is de uitvinder van het immense hotel-atrium dat - attractie voor de gasten - woudreuzen, watervallen en fragmenten van een nagebouwde, oude stad kan bevatten. Jon Jerde zou met zijn shopping malls en vrije-tijdscentra overal ter wereld net zo'n fantasierijke scène-bouwer zijn. Zijn grootste werk is downtown San Diego te vinden: Horton Plaza, waar vijftien tot vijfentwintig miljoen mensen per jaar naartoe trekken en dat is driemaal het jaarlijks aantal toeristen op Hawaï.

Oberhausen

De jongste creatie die Jerde 'regisseerde', is twee maanden geleden in Oberhausen geopend: een reusachtige passage met meer dan tweehonderd winkels, dertig restaurants, een bioscoop met zeven schermen en een park met veel water waar het hele gezin zich kan vermaken. En dat alles tegenover een Arena met elfduizend zitplaatsen voor pop- en sportevenementen.

In de trein naar Oberhausen las ik een met moeite verworven, aan Jon Jerde gewijde aflevering van Process Architecture, een in Japan en in het Japans verschijnend, maar ook Engelstalig tijdschrift. In een introductietekst vertelt Jerde hoe hij, eind jaren zeventig, in een Italiaans bergstadje als bij toverslag werd geroepen tot 'placemaker', zoals hij zijn professie bij voorkeur noemt. Na een opleiding in architectuur en schilderkunst, na de uitdagende opvattingen van Le Corbusier en Louis Kahn tot zich te hebben laten doordringen, stond hij in een koele, nauwe straat in een Italiaanse bergdorp en zag hoe boven een schitterend piazza een toren werd gevangen in de stralen van de zon. Dat beeld bracht hem de overtuiging dat 'de dodelijke rationaliteit van een slapend modernisme' moest worden omver geworpen door de krachten van de geest en de natuur. Hij voelde dat hij de weg moest openen naar een nieuwe, zintuiglijke schoonheid. Alles wat zijn oog in het bergdorp ontwaarde, omhelsde hem met de intimiteit en warmte van een familie: het weefsel van de muren, de keitjes van de straat, de patronen van ramen, deuren en poorten. En alles was anoniem, constateerde Jerde. Geen genie had het ontworpen, nee, een genie zou het juist hebben vernietigd. Deze plaats was niet door iemand gemaakt, maar door iedereen. Toen wist Jon Jerde wat zijn levensvervulling moest zijn: met behulp van een grote schare, uiteenlopende talenten zou hij weldadige, warme plekken scheppen.

Frank Lloyd Wright gaf in 1958 in zijn boek The living City een half-utopische, half-verontrustende beschrijving van reusachtige warenhuizen aan de periferie van de stad. Grote winkelgebouwen - 'alles onder één dak' - met enorme parkeerterreinen terzijde van de snelweg op de plaats van de benzinestations. Twintig jaar later was dit vooruitzicht al voor een groot deel werkelijkheid. Vooral in Californië raakte eind jaren zeventig het verschijnsel van de shopping malls in volle bloei. De winkelcentra groeiden uit tot halve stadswijken waarin ook horeca, sport, recreatie en cultuur moesten worden ondergebracht. De nieuwe kleine steden waren de eerste opdrachten voor de hartstochtelijk door Jon Jerde nagestreefde Co-Creativity, een dorp ontwerpen met de hele familie. Na Californië veroverde hij met zijn commerciële, zorgvuldig op stemming en sfeer gerichte projecten de rest van de wereld, van Argentinië tot China en Japan, van Canada tot Saoedi-Arabië en Koeweit.

Het CentrO in Oberhausen - let op de O - ligt aan de voet van de tot kunsthal omgevormde 'Gasometer' buiten de stad. Dankzij het 117 meter hoge industriële monument uit 1929 dat uit vele richtingen zichtbaar is, blijft de bezoeker zich terdege bewust in het Roergebied te vertoeven. Een nieuw CentrO-station voor bus en tram biedt zich met veel aplomb aan voor klassering in de architectonische voorhoede. Het is een compositie van schuine staken en scheve schotsvlakken à la het Weense architectenbureau Coop Himmelb(l)au die, zo zie ik later op een foto, als twee druppels water lijkt op de restanten van de dezer dagen afgebrande veehal in Leeuwarden. Op het Groninger Museum zal het deconstructivistische paviljoen van de authentieke Coop Himmelb(l)au beslist nog lang voldoen. Het is verrassend, prachtig van kleur en een document van een korte, heftige periode in de architectuurgeschiedenis. Station 'Neue Mitte' in Oberhausen heeft geen van deze eigenschappen en is al gedateerd voordat het goed en wel in gebruik is genomen. Door deze tekortkomingen valt zelfs een revolutionaire symboolwaarde in het water en wordt de opzichtige ravage gedegradeerd tot een krachteloze curiositeit, net als de enorme Chinese pagode ertegenover, waarin een Chinees restaurant is gevestigd.

Het CentrO is gebouwd volgens het principe van de negentiende-eeuwse passage. Verdeeld over twee lagen liggen de tweehonderd winkels aan weerszijden van een brede, geheel door glas overdekte hoofdstraat. De straat volgt uiteraard niet een kaarsrechte lijn, dat doen straten in oude historische binnensteden ook niet. Driemaal maakt de passage een knik, een keer nogal hoekig bij de overgang van de Marktplatz naar de Marktweg en twee keer een milde buiging bij de ellebogen van de Hauptstrasse. De rotonde in het midden is dermate reusachtig dat de bezoeker de hoge, met een imposante, ouderwetse glaskoepel bekroonde ruimte ervaart als een plein dat uitdaagt om, naar vier richtingen, nieuwe overdekte wegen te kiezen.

Van buiten is geen sprake van gelijkenis met een negentiende-eeuwse passage, want de stad Oberhausen is ver te zoeken. Aan één kant wordt het winkelcentrum geflankeerd door een breed kanaal met een promenade die langs een eindeloze verzameling restaurants en café's voert. De architectuur van deze horeca-wand is nogal rommelig maar niet onplezierig: een rij aaneengeregen paviljoens met wit gestucte of bakstenen gevels, veel luifels en hier en daar een rond torentje op het dak. Japanse kustplaatsen kennen dit soort moderne, degelijk uitgevoerde, maar een beetje popperige architectuur.

Geurwolk

In het interieur van de passage is badplaats-popperigheid afwezig. Jon Jerde heeft in zijn catalogus van archetypen de uitrusting opgezocht waarmee in de negentiende eeuw niet alleen de passage, maar ook het grote warenhuis en de nieuwe stations in Europa tot verleidelijke, herbergzame oorden werden opgebouwd. Het winkelcentrum kreeg royale maten, elegante kolommen, het vloerpatroon van een kathedraal en een overdaad aan groene bomen en fonteinen. En tegen de sokkel van elke boom, tegen het bassin van elke fontein - geen waterwerk weigert dienst - staan stadsbanken, het liefst van hout en met een hoge rugleuning, die zijn het vriendelijkst.

Tijdens mijn bezoek op een doordeweekse dag was het betrekkelijk vol in het gloednieuwe Europese koopwonder. De mensen verzamelden zich vooral bij de vis, het vlees en het gebak, afdelingen die voor versheid gevoelig zijn en een plaats hebben gekregen direct achter de magistrale hoofdingang. Als ik niet apart voor de passage naar Oberhausen was gereisd had de zware geur- en stankwolk mij ervan weerhouden om het interieur verder te betreden. Maar ik heb mijn neus dichtgedrukt, mijn ellebogen gebruikt - dat kan tegelijkertijd - en arriveerde betrekkelijk onbedorven in de Hauptstrasse. Hier bleek ik alle kleren, alle schoenen, alle brillen, alle fototoestellen, alle tassen, alle drinkglazen, alle sieraden, alle kinderspeelgoederen en zelfs alle uitstalvariaties al vele malen eerder te hebben gezien.

Dat blasé-achtige gevoel van herkenning wordt niet alleen door de passage in Oberhausen opgeroepen. Sinds vorig jaar kan de reiziger deze universele ervaring ook op Schiphol Plaza (sic) beleven, waar een internationaal high-tech warenhuis is geopend. Mondiaal kan geen enkel zichzelf respecterend vliegveld of grootstedelijk treinstation de verleidelijke commerciële promenade weerstaan. Snoeren van identieke winkels en boutiques met nagenoeg hetzelfde innerlijke stilleven trachten de consument gevangen te nemen. Voor de uiterlijke vorm, 'de enveloppe' zoals dat bij de zelfstandige, commerciële centra wordt genoemd, worden soms de grootste architecten ter wereld aangetrokken. Maar het Parijse 'Bercy 2', ontworpen door Renzo Piano en 'Euralille' van Jean Nouvel in Lille, twee hypermarkets zoals Frank Lloyd Wright ze in 1958 voorzag, zijn van binnen nauwelijks van elkaar en van andere shopping malls te onderscheiden. Zo staat ons nog heel veel van hetzelfde te wachten. In de Rotterdamse Alexanderpolder wordt binnenkort het Alexandrium-trio compleet gemaakt. De drie winkelcentra zullen dan samen eenzelfde omvang hebben als de Lijnbaan. Naast de Arena in Amsterdam-Zuidoost moet in 1999 een megastore verrijzen. Nu al vertoont het innerlijk daarvan voor mij geen geheimen.

Terug naar Oberhausen. In de meeste winkels van de passage was geen kip te bekennen, terwijl hier meestal de hele pui achterwege is gelaten uit angst voor drempelvrees bij de clientèle. Maar de sensuele esthetiek van Jon Jerde werkte optimaal. Geen bankje in de Hauptstrasse was onbezet. Men wreef met zichtbaar genot over het zachtglanzend koper van de balustraden, met een vluchtige hand werd opspuitend fonteinwater beroerd en massaal ging men naar de wc, vol giechelige nieuwsgierigheid naar de verleidelijke spiegelrijkdom achter de schermen. Een ouder echtpaar, gezellig samengepakt op een houten bank, wees elkaar op de overdadige kerstversiering van gouden en rode ballen, vaandels met vallende sterren en zware, dikke groenslingers doorschoten met rode linten. Was het maar altijd december, hoorde je het tweetal denken. Jon Jerde kan tevreden zijn.

Het gezegde hamerde voortdurend in mijn hoofd, daar in Oberhausen. 'Wij zijn op aarde om onze plicht als consument te vervullen.' Maar niets onder het glazen dak van de luisterrijk nagebootste negentiende-eeuwse passage wilde ik bezitten. Alle artikelen, in tweehonderd winkels, stuk voor stuk geëtaleerd in het verleidelijk garnituur naar ontwerp van de ook in Indonesië, Taiwan en Hongkong vermaarde meester, lieten mij volmaakt onverschillig. Daar staat tegenover dat in de ontroerende Parijse Galerie Vivienne, een passage uit 1826, waar maar een enkele winkel is, elk voorwerp mijn oneindige begeerte weet op te wekken.

    • Max van Rooy