Verloren gewaande verwondering

Eddy van Vliet: Zoals in een fresco de kleur. De Bezige Bij, 62 blz. ƒ 29,50

In Poëzie: een pleidooi (1994) schreef Eddy van Vliet dat de volwassen twintigste-eeuwer verleerd heeft zich te verwonderen. Het is, zo stelde hij, de dichter in ons die sterft, wanneer wij nuchter en onverschillig voorbijgaan aan dingen die ons als kind betoverden. En met die nuchterheid verliezen we, in tegenstelling tot de dichter, het contact met de realiteit 'die als een ijsberg één kwart boven en drie kwart onder water drijft'.

Deze romantische poëtica is bij Van Vliet meer dan een theorie. Ook uit zijn gedichten ademt telkens weer het geloof dat verwondering het vliegwiel van de poëzie is. In zijn nieuwe bundel, Zoals in een fresco de kleur, gebeurt dit expliciet in het gedicht 'Verbaasd', dat heel herkenbaar inzet met: 'Wetende en toch steeds weer verbaasd/ dat het vertrek van de trein die naast/ je staat je stilstaand rijden doet.' Maar ook indirect gaat Van Vliet de confrontatie met het alledaagse wonder aan, zoals in de openingsregels van 'De val':

In het vinden van de stoep die struikelen doet

ben ik heel goed. Een leeftijdloos moment.

De oude man die zich terugvindt in het wankelend kind.

Zulke zelfspot relativeert het nostalgische levensgevoel, dat in de loop der jaren een heersend element in Van Vliets poëzie is geworden. In Zoals in een fresco de kleur is dit heimwee naar de kindertijd een vanzelfsprekend voertuig naar de verloren gewaande verwondering. Maar niet altijd lukt het om de nostalgie kitschvrij te presenteren. Soms klinkt een onzuivere noot, zoals in de opening van 'Jongen van negen': 'Op het geliefkoosde uur der zwaluwen/ spreek ik je aan, herinnering.'

Dat grenst aan valse retoriek. In de meeste gedichten echter is de formulering in evenwicht met het nu eens aardse, dan weer bezwerende karakter van het vers. De soepele regelval versterkt het parlando-karakter, en ook de beelden zijn vaak verrassend trefzeker ('Aan de knaapjes van haar schouderbladen/ hing een japon'). Waartoe al dit vakmanschap leiden kan, toont 'Meisje van zeven':

Zij heeft als hobby het strelen van katten

en kamt de jongenshanden uit haar haren.

Aan ondergrondse bomen hangen de aardappels

waaraan zij gezichten leent. Met ogen zó groot.

In watten bewaart zij de voortand

die tijdens het roeien plotseling ontbrak

aan haar lach. Een slordig gedraaide wind

over het water toont haar in moeders jurk.

En 's nachts als de teddyberen honing

verzamelen en haar vlinderpak zweeft

voor het raam, zet zij zich op de trap

en vraagt of rode mieren microben zijn.

In drie liefdevolle strofen is hier het weggroeien van de verwondering verbeeld. Wat straks wetenschap heet, is in de slotregel nog als vraag verwoord, maar het ontkennende antwoord (nee, mieren zijn geen microben) is een stap uit de tovercirkel.

Dat Van Vliet zelf inmiddels ver buiten deze cirkel staat, blijkt uit zulke sardonische versregels als 'Het hardleers geloof in het strelen/ van vrouwenarmen, als steeds bereid/ te beweren dat ze mij ontvangen.' Maar de dichter in hem verweert zich: tegen onttovering, tegen verval. En tegen de stilstand. Zoals in 'De bal', als metafoor voor het ideale gedicht. De wind is hem welgevallig, dus meandert hij verder over het kerkhof waar niet meer wordt begraven:

Ook al breekt een cypres of een lager gelegen

muur zijn vaart. Kinderen komen reeds aandraven.

Straks vliegt hij weer over kruisen

stenen kransen en uitgesleten namen.

    • Arie van den Berg