Veel moraal in verhalen Carl Friedman; Iemand aan wie je je beste joodse mop vertelt

Carl Friedman: De grauwe minnaar. Van Oorschot, 180 blz. ƒ 32,50

In een lezing legde Marcel Möring onlangs uit dat hij de laatste jaren was gaan leven naar de joodse spijswetten, zonder te geloven in de oude God die daar van oudsher bijhoort. Die tegenstrijdigheid, als het dat is, leek me ineens typerend voor de zogeheten tweede generatie waartoe hij behoort. Na de oorlog groot geworden met een trauma van vervolging en vernietiging probeert die, met of zonder God, een scherf traditie uit het puin te redden en nieuw leven in te blazen. Een soort duivelskunst, want hoe bouw je iets op uit vernietiging?

In 'Heilig vuur', het tweede van de drie verhalen uit De grauwe minnaar van Carl Friedman, krijgt de vertelster bezoek van een zekere Mirjam, die het telefoonboek nageplozen heeft op joodse namen en bij al die mensen langs gaat om ze warm te maken voor 'bijeenkomsten', zoals ze zegt. 'Met mensen aan wie je niets hoeft uit te leggen en voor wie je niets hoeft te verbergen. En die je met een gerust hart je beste joodse mop kunt vertellen.' Dat is even slikken, de vertelster heeft haar joodse achtergrond juist metersdiep begraven, maar ten slotte zegt ze ja en de bijeenkomst wordt zowaar een vriendenclubje. 'Nooit heb ik me ergens thuis gevoeld zoals ik thuis was bij hen.'

Maar het kan nog joodser. Een zestienjarige zoon van deze Mirjam, een kalfskop die tot dusver Abraham en Mozes nog niet uit elkaar kon houden, zegt ineens op zoek te zijn naar 'jiddischkeit'. Zijn moeder staat paf, waar haalt hij het vandaan, maar het blijkt ernst. Hij gaat naar een vrome school in Antwerpen, meldt zich aan bij een chassidische sekte in New York en zegt dat hij pas weer thuiskomt als het huishouden naar zijn eisen wordt veranderd. Mirjam twijfelt. Ze is kwaad over zijn opgeblazen toontje, maar ook bang hem te verliezen en zelfs heimelijk een beetje trots dat hij een doel in zijn bestaan gevonden heeft en hard studeert. Kortom, ze zwicht. Ze gaat lange rokken dragen en de papegaai ('onrein') verdwijnt. Dit alles tot ontzetting van het vriendenclubje, dat verscheurd raakt, en ten slotte komt het tussen Mirjam en de vertelster tot een breuk.

Die geloofsstrijd brengt Friedman tot de kern van het verhaal, die neerkomt op een impliciete keuze voor het jodendom. Niet als rite, zoals bij Möring, maar als gemeenschap, ongeacht de onderlinge verschillen. Als Mirjams zoon, inmiddels doorgestoten tot het heiligdom Hebron, een Palestijn vermoordt, komt de vertelster voor de keus te staan. Moet ze nu niet toch naar Mirjam, uit verbondenheid? Houdt ze aan haar overtuiging vast of weegt de oude vriendschap zwaarder? Het is exact de vraag die Mirjam zich heeft moeten stellen bij de capriolen van haar zoon, beseft ze, en dat zet haar aan het denken. Om je eigen overtuiging aan de kant te zetten voor die van een ander, uit liefde, en daar ook nog eens de spot van de wereld voor te trotseren, is dat fout? Mag je dat veroordelen?

Het is een vraag die, op een andere manier, ook door het derde en laatste verhaal van de bundel speelt. Een nieuwe vertelster zit daar aan het sterfbed van haar moeder, die een grillige en tirannieke zieke blijkt. Wat dochter ook doet, de tuin wieden, boeken kopen, liedjes zingen, koken, niets deugt. Gek gemaakt vlucht ze het huis uit, maar een kalme broer haalt haar nog net voor moeders laatste adem terug en houdt haar voor dat het nu niet de tijd is om aan zichzelf te denken. Moeder, dat is alles nu. Wat goed is voor moeder, is goed voor hen.

Jezelf vergeten, jezelf wegcijferen voor een ander, misschien is het zelfs wel een kernmotief in Friedmans werk. Er zijn omstandigheden waarin personages in haar boeken een soort recht op onuitstaanbaarheid verkrijgen. Om precies te zijn: wie met de dood te maken heeft, die van zichzelf, die van een naaste, zelfs die van een vijand van een naaste, als in 'Heilig vuur', die hoeft met medemensen even geen rekening te houden en verdient eenvoudig bijstand, hoe dan ook. De dreiging van vernietiging eist een gevoel van gemeenschap.

Nu is daar in principe weinig joods aan, zou ik denken, maar voor Friedman ligt het verband waarschijnlijk voor de hand. In Tralievader, haar debuut uit 1991, naar eigen zeggen autobiografisch, laat ze een gezin zien dat volkomen in de ban leeft van de Tweede Wereldoorlog. Vader praat onafgebroken over zijn herinneringen aan 'het kamp', zoals hij het neutraal noemt, en verplettert zijn kinderen welhaast onder zijn leed. Een zoon komt daartegen in verzet, de dochter daarentegen doet een poging tot hem door te dringen en verwijt hem niets. Door hem te laten praten, geeft ze hem de kans een ogenblik uit de gevangenis van zijn geheugen te breken en het heden te bereiken. Door zichzelf weg te cijferen, helpt ze hem door te leven.

Maar tussen Tralievader en de twee verhalen uit de nieuwe bundel bestaat een cruciaal verschil. Het meisje uit het eerste boek gaat aan haar plooibaarheid bijna onderdoor. Ze ziet het zelf niet zo, maar met haar vaders voortleven bedreigt ze dat van haarzelf. Dat geeft aan haar verhaal iets smartelijks en dubbelzinnigs dat in de nieuwe verhalen ontbreekt. De vrouwen die hier spreken, doen dat als betrokkenen, maar hun bestaan staat nergens op het spel. Ze zijn beschouwend, zoekend naar het goede - bezig, zoals één van hen het zegt, 'het heiligste van alle joodse geboden te vervullen, het gebod om te leren'. Hun verhalen krijgen het karakter van een moraliteit. Ze bieden een levensles.

Die keus voor de moraal, want ik vermoed dat het een welbewuste keus is, verklaart misschien ook het curieuze titelverhaal van de bundel. Het is een sprookjesachtige parabel in de geest van Isaac Singer, inclusief de setting in een Poolse sjtetl waar het vanzelfsprekend winter is. De 'grauwe minnaar' uit de titel blijkt een ezel, die in liefde is verbonden met een oude joodse landarbeider. Beiden zijn ze in de kost bij de kwaadaardige Sam Petscher, die aan niets dan geld, slaap en wodka denkt, en beiden ploeteren ze als verschoppelingen. 'Joden waren de ezels onder de mensen', beseft het oudje aan het slot, 'en ezels waren de joden onder de dieren'.

Het is een wonderlijk verhaal, een wonderlijk slot vooral, dat mij met gemengde gevoelens achterlaat. De formulering is fraai en puntig, als altijd bij Friedman. Ze heeft de heldere, stevige toon van een traditionele verteller, met hier en daar een zweem van pathos dat subtiel in evenwicht gehouden wordt door kleine grapjes. Alles straalt beheersing uit, de hand van de meester. Maar tegelijk rijst hier de vraag: die jood als ezel, wat zegt dat eigenlijk? Wat is het meer dan een charmante omweg om een aloude gemeenplaats vorm te geven, die van de verdrukking van de joden? Dat is het gevaar van een moraliteit, ben ik bang: de boodschap is betrekkelijk eenvoudig en eenduidig. Het cliché is nooit ver uit de buurt.

Dat gevaar ligt in De grauwe minnaar vaker op de loer - niet alleen in dit verhaal, maar ook in de twee andere, en dat verklaart misschien waarom het boek bij alle stijl en charme op den duur toch een wat flauwe nasmaak achterlaat. Wat mist, is die navrante dubbelzinnigheid van Tralievader, die schrijnende keerzijde van de moraal die je als lezer geen rust geeft. Heb je de boodschap door, dan heb je De grauwe minnaar uit.

    • Hans Goedkoop