Vaders lachen niet om vaders; Gesprek met operaregisseuse Monique Wagemakers

De Nederlandse Opera voert voor het eerst sinds 1975 weer Verdi's 'Rigoletto' op. Monique Wagemakers regisseert de opera. Zij twijfelt aan Rigoletto's veelgeprezen vaderliefde: “Die man denkt echt alleen maar aan zichzelf. Zelfs als zijn dochter sterft, praat hij over niets anders dan over zijn eigen ongeluk.”

Rigoletto. Muziektheater, Amsterdam. 2 t/m 29 dec. Alle voorstellingen zijn inmiddels uitverkocht. Een uur voor aanvang zijn niet-afgehaalde kaarten te koop met volgnummers. Inl. 020-6255455.

De speelvloer oogt als een rode driehoek. Een gevarendriehoek, hard, gemeen en hellend. Geen plek waar je gaarne vertoeft. Maar de zangers Mark Rucker en Harolyn Blackwell moeten dit verraderlijke podium wel op. Zij spelen de hoofdrollen in Rigoletto. Tijdens de repetitie bij De Nederlandse Opera, een week voor de première, studeren ze duetten in. Ongekostumeerd, in het zwart gekleed, sjouwt Rucker met een witte zak. Daar zit een lijk in, weet Rigoletto, maar wat hij nog niet weet is dat hij zojuist zijn eigen dochter heeft laten vermoorden.

Rigoletto de moordenaar, Rigoletto de liefhebbende vader, Rigoletto de nar. Zijn even rijkgeschakeerde als gecompliceerde karakter heeft Shakespeareaanse allure. Dat sommigen hun neus ophalen voor de geliefde opera van librettist Francesco Maria Piave en componist Giuseppe Verdi is dan ook onvergefelijk. Natuurlijk, de meezinger 'La donna è mobile' blinkt niet uit door fijngevoeligheid, maar dit platvloerse lied over de onbestendigheid van het vrouwenhart is ingebed in een allesbehalve vulgair muziekdramatisch werk. De hit wordt gezongen door de machtigste man in het drama, de hertog van Mantua. Terwijl hij zich onbekommerd aan jonge meisjes vergrijpt en ook verder kan doen wat hij wil, moet hofnar Rigoletto naar zijn pijpen dansen.

De gebochelde nar is strontjaloers op zijn knappe jonge baas en hij haat het hof waar hij nooit bij zal horen, ook al overtreft zijn cynisme dat van alle anderen. Wanneer de hertog op een feestje trek krijgt in de echtgenote van de een of andere graaf, stelt Rigoletto zijn meester brutaalweg voor de in de weg staande vent te onthoofden. En een andere graaf, die het lef heeft de hertog openlijk aan te klagen omdat deze zijn dochter heeft onteerd, deze dappere Monterone wordt door Rigoletto wreed bespot.

“Rigoletto”, zegt regisseuse Monique Wagemakers in het Amsterdamse Muziektheater, “is een gespleten mens. Altijd heeft hij de verdorven wereld van het hof streng gescheiden gehouden van zijn idyllische privé-bestaan als vader - totdat Monterone hem vervloekt. Dan beginnen die twee werelden door elkaar heen te lopen, want opeens beseft Rigoletto dat hij aan het hof een váder uitgelachen heeft.” Verdi zelf trok Rigoletto's vaderliefde niet in twijfel. Kort voor de Venetiaanse première van zijn opera in 1851 schreef hij: 'Ik geloof dat het prachtig is om dit karakter uiterlijk mismaakt en belachelijk weer te geven maar van binnen vervuld van passie en liefde.'

Wagemakers echter verdenkt de titelfiguur van grenzeloos egoïsme. “Hij luistert niet naar zijn dochter, kijkt niet naar haar, staat niet stil bij haar. Wat hij wel doet is: zijn frustraties op haar overbrengen. Zeker, Rigoletto ìs zielig en in hoge mate machteloos, maar dat komt ook doordat hij geen verantwoordelijkheid voor zijn daden neemt. Daarover voelt hij zich schuldig en ter compensatie moet zijn kleine Gilda dan maar puur en onschuldig blijven. Hij sluit haar op en zij mag niemand zien, mag nergens heen behalve naar de kerk, onder geleide. Hij geeft haar geen kans een eigen identiteit te ontwikkelen.”

Namen

Met een stem die schor klinkt van het geschreeuw tijdens de repetitie legt Wagemakers uit: “Geen van de centrale figuren heeft een duidelijke identiteit. De nar is nogal in de war en de hertog kan door zijn machtspositie elke gewenste identiteit aannemen. Als hij naar Rigoletto's dochter gaat, die hij in de kerk voor het eerst heeft ontmoet, verkleedt hij zich als een arme student. En alle gevoelens die het zestienjarige meisje koestert, hangt zij op aan een fictieve persoon. Caro nome, zingt ze verrukt, 'Gualtier Maldè, wat een mooie naam...'. Terwijl de hertog die naam maar verzonnen heeft.”

De onzekere Gilda is geobsedeerd door namen en het doet haar pijn dat Rigoletto haar de echte naam van de 'student' niet wil zeggen. “Zij raakt haast net zo gefrustreerd als haar vader en wat doet hij? Hij klampt zich aan haar vast. Zij moet zijn leven mogelijk maken. En daarmee ontneemt hij háár het leven. Die man denkt echt alleen maar aan zichzelf. Zelfs als zij doodgaat praat hij over niets anders dan over zijn eigen ongeluk.”

Mensen die bang zijn om een ander te verliezen, peinst de regisseuse, doen juist het omgekeerde van wat je moet doen om iemand aan je te binden. “Loslaten en kijken en luisteren is het enige effectieve recept, heb ik van mijn eigen kinderen geleerd. Wat dat betreft heeft de hertog, die altijd wordt afgeschilderd als een vreselijke macho, meer verstand van de liefde; hij zingt die prachtige zin: 'Liefde is vrijheid van de ziel'.”

De ergste scène is volgens Wagemakers die waarin Rigoletto zijn dochter dwingt naar de erotische spelletjes van de hertog met een ander meisje te kijken. “Ook het laatste beetje liefde dat de murw gebeukte Gilda nog in zich heeft wil Rigoletto uit haar meppen. Want anders had hij haar wel laten gaan en gezorgd dat ze veilig was.” Intussen heeft de nar een huurmoordenaar ingeschakeld om de hertog te doden, maar in diens plaats gooit Gilda zich in het getrokken mes. Toch gelooft Wagemakers niet dat Gilda zich opoffert, zoals de gangbare lezing luidt. “Ze zoekt een uitweg; met haar vader leven gaat niet meer. Als ze mag kiezen tussen hemel en hel, dan kiest ze liever de hemel.”

Wagemakers studeerde aan het Brabants Conservatorium danspedagogiek en muziek. “Na mijn studie werkte ik een tijdje als bewegingsadviseur bij Toneelgroep Globe, maar de repetities daar waren mij te stil. Ik miste de muziek en dacht erover het musical-vak in te gaan - en toen kreeg ik opeens een baan bij de opera. Dat bleek het soort totaaltheater te zijn waardoor ik altijd al gefascineerd was geweest. Opera kan mij intens gelukkig maken. De strijkers in de bak, de zangers op het toneel: op dat moment gebéurt het. Daarna is het weg. Een magische belevenis.”

Twintig jaar lang, van 1973 tot 1993, was Wagemakers bij De Nederlandse Opera regieassistente. Van het werk van buitenlandse theatermakers nam zij de herinstuderingen voor haar rekening. Veel heeft ze geleerd van Harry Kupfer: In navolging van deze leermeester probeert zij de gevoeligheid van de zangers te stimuleren. “Een regisseur is in de eerste plaats een psycholoog”, meent ze. “De relaties tussen de personages wil ik laten zien, hun emotionele ontwikkeling, hun drijfveren.”

Verdi ging bij het componeren van Rigoletto, gebaseerd op het toneelstuk Le roi s'amuse van Victor Hugo, met psychologische fijnzinnigheid te werk. Niet in stralende helden verdiepte hij zich, maar in problematische types. Een gebochelde nar in de hoofdrol, dat was iets ongehoords. Zelfs de huurmoordenaar Sparafucile heeft in Rigoletto emotionerende zangpartijen; ook hij is een mens van vlees en bloed. Het leed van de oude zigeunerin Azucena in Il trovatore of dat van de door de maatschappij uitgekotste courtisane Violetta in La Traviata: in zijn zogenaamde middenperiode hield Verdi zich steeds met figuren bezig die niet pasten in het steriele burgerlijke wereldbeeld.

Duetten

Eveneens ongebruikelijk was Verdi's afkeer van holle virtuositeit. IJdele sopranen die bij de componist om een extra aria kwamen bedelen of om wat meer hoge C's kregen nul op het rekest: Verdi wilde zijn Rigoletto niet door overbodige franje laten bederven. Inplaats daarvan stopte hij de sopraan in een vuile lijkenzak, hetgeen niet door elke prima donna op prijs werd gesteld.

Voor een applausbeluste zanger valt aan een solopartij meer eer te behalen dan aan samenzang, maar Rigoletto bestaat voor het grootste deel uit duetten: tussen Rigoletto en Sparafucile, tussen Rigoletto en Gilda, tussen Gilda en de hertog, tussen de hertog en Rigoletto enzovoorts. Zoals een toneelschrijver zijn karakters tot leven brengt in dialogen, zo hanteert Verdi de duetvorm, die hij soms samenbundelt tot een grandioos kwartet. Wanneer Gilda en haar vader door een spleet in de muur het gekir van de hertog en zijn nieuwe verovering gadeslaan zingen de vier een liefdeslied dat juist zo ontroert omdat ieder z'n eigen gedachten volgt en dus een eigen melodie heeft gekregen. Waar een duet in een kwartet overgaat of een recitatief in een aria is trouwens amper te horen: de melodieën vloeien alsmaar door, slechts gehoorzamend aan het primaat van het belcanto en voortgestuwd door pulserende ritmes.

Een opvoering van deze opera met zulke volmaakte muziek kán niet misgaan, zou je haast denken. Desondanks herinnert Monique Wagemakers zich 'platte ensceneringen met alleen maar clichés'. Dan voeren dirigent en regisseur Verdi's voorschriften volgens haar wat al te letterlijk uit. “'De hertog komt binnen', staat er aan het begin van de tweede acte. Als je hem vervolgens inderdaad de deur laat opengooien en hem precies volgens de accenten in de muziek laat oplopen, bam-bam-bam-bam, heel komisch - dan zet je een karikatuur neer.”

Om muziek en beeld zo goed mogelijk op elkaar aan te sluiten steken Wagemakers en dirigent Ed Spanjaard 'om de vier maten' de koppen bij elkaar voor overleg over 'wat er staat, wat Verdi bedoeld heeft en wat wij ermee willen zeggen.' Spanjaard is bij alle repetities aanwezig. “En zo hoort het ook. Wanneer Rigoletto in het eerste duet met Gilda zegt: 'Je mag nooit uitgaan' en zij smekend antwoordt: 'Oók niet naar de kerk?' - dan is dat iets anders dan: 'Zelfs niet naar de ker-ruk! Shit!' Besluit ik tot die laatste interpretatie, dan moet dat ook in de orkestpartij te horen zijn.” Wagemakers maakte al eerder samen met Ed Spanjaard een Rigoletto: bij het Limburgs Symphonie Orkest, een jaar of zeven geleden. Ze praat er niet graag over. “Laten we het er maar op houden dat ik toen niet de mogelijkheden had die ik nu heb.”

Rigoletto is wel en niet Wagemakers regiedebuut bij De Nederlandse Opera. In het seizoen 1986-1987 kwam ze daar met een sensibele Madama Butterfly, maar die enscenering was niet helemaal door haarzelf opgezet: ze moest het doen met de decors van een oude produktie. Ook al is Rigoletto sinds 1975 niet meer bij De Nederlandse Opera te zien geweest, waardoor de verwachtingen extra hoog gespannen zijn, last van faalangst heeft Monique Wagemakers niet. “Zelf regisseren is bevrijdender dan het herinstuderen van de regie van een ander. In dat laatste geval mag je geen slap aftreksel van het origineel bieden, je moet het niveau opkrikken. Dat kost veel hoofdbrekens omdat je steeds moet nagaan wat voor oplossing de regisseur zou hebben bedacht. Nu kan ik m'n eigen gang gaan.”

    • Anneriek de Jong