Theo Sontrop

In het CS van 8 november tracht Theo Sontrop, voormalig directeur van uitgeverij de Arbeiderspers, zijn falen als uitgever te verbloemen. Hij doet dit door enerzijds zijn eigen beleid te roemen en anderzijds dat van zijn opvolger Ronald Dietz te laken, en schuwt daarbij geen leugens. Zo deelt hij mee 'Theo Kars, die ik buiten de deur heb gezet, werd door Martin Ros gefacelift en al weer binnengehaald. Door dit soort rotzooi uit te geven' (etc.).

Ik kan bewijzen dat Sontrop opzettelijk een valse voorstelling van zaken geeft. In 1970, kort nadat mijn derde roman bij de AP was verschenen, werd ik door Sontrop, toen redacteur bij Meulenhoff, opgebeld met het verzoek eens bij deze uitgeverij langs te komen. Ik ging daar op in, raakte met Sontrop op vriendschappelijke voet, en kreeg een contract aangeboden voor de vertaling van The Rape of Tamar van Dan Jacobson. Kortom, Sontrop bood iemand die hij in 1996 uitmaakt voor een producent van 'rotzooi', een contract aan om nog meer 'rotzooi' te produceren.

Aan de goede verstandhouding tussen Sontrop en mij kwam abrupt een eind in februari 1975, toen Sontrop van mij hoorde dat ik met de, destijds beginnende, uitgever Peter Loeb een contract zou sluiten voor de uitgave van een bundel recensies, en Loeb ook geïnteresseerd was in een heruitgave van mijn roman De Verleider, waarvan de tweede druk bij de AP vrijwel was uitverkocht. Sontrop die - om in mijn ogen ongeldige redenen - een enorme hekel aan Loeb had, vatte mijn voornemen mij ook door Loeb te laten uitgeven op als een persoonlijke belediging en dreigde tijdens een stormachtig gesprek voor altijd mijn vijand te worden als ik met Loeb in zee zou gaan. Ik week niet voor zijn dreigement, waarop Sontrop het nakwam: in de volgende twee decennia legde hij zich er met rabiate hardnekkigheid op toe mij in diskrediet te brengen. Tegelijk met zijn oordeel over mijn persoon was ook opeens zijn oordeel over mijn werk veranderd. Hij trachtte zelfs alle sporen van mij bij de AP uit te wissen, op dezelfde wijze als dat in de vroegere Sovjet-Unie gebeurde met iemand die een 'onpersoon' was geworden. Zo werd tijdens zijn bewind in een lijst van Privé Domein-uitgaven mijn vertaling van deel IV van Casanova's memoires niet opgenomen, alsof het nooit had bestaan.

In tegenstelling tot Sontrop ben ik niet wraakzuchtig. Ik heb in interviews dan ook nooit op hem afgegeven. Ik vind bovendien dat scheidingen tussen auteurs en uitgevers, net als echtscheidingen, niet op straat horen te worden uitgevochten, omdat buitenstaanders nooit het fijne van dergelijke zaken kennen. Nu Sontrop echter zijn jarenlange geschiedvervalsing niet meer uitsluitend gebruikt om mij te treffen, maar ook Ronald Dietz en AP-redacteur Martin Ros, voel ik mij geroepen hem publiekelijk als leugenaar te ontmaskeren.

    • Theo Kars