Schizofrenie is niemands schuld

M. de Hert, E. Thijs, J. Peuskens, D. Petry, B. van Raay (red.): Zin in waanzin. De wereld van schizofrenie. Babylon-De Geus, 318 blz. ƒ 49,90

J.A. den Boer en R.J. van den Bosch (red.): Leerboek schizofrenie. Een neurobiologische benadering. De Tijdstroom, 368 blz. ƒ 99,-

German Berrios en Roy Porter (red.): A history of clinical psychiatry. The origin and history of psychiatric disorders. The Athlone Press, 684 blz. ƒ 62,85

German E. Berrios: The history of mental symptoms. Descriptive psychopathology since the nineteenth century. Cambridge University Press, 565 blz. ƒ 113,60

Op initiatief van de Nederlandse psychiater Don Linszen werd deze week in Amsterdam een congres gehouden over de behandeling van patiënten met een eerste psychose in het kader van schizofrenie. Het is een ziekte die vooral jonge mensen treft in een periode dat ze de basis moeten leggen voor hun latere sociale, relationele en professionele leven. De eerste psychose verstoort deze ontwikkelingen grondig. Hoe eerder de behandeling met antipsychotische medicijnen wordt ingesteld, des te beter de prognose op langere termijn. Eén op de honderd mensen krijgt in zijn leven last van schizofrenie, een aandoening met regelmatig terugkerende wanen en hallucinaties. Tijdens de psychosen kennen de patiënten extreme achterdocht, achtervolgings- en grootheidswanen en gehoorshallucinaties.

De Zwitserse psychiater Bleulerm, die het begrip schizofrenie in 1911 lanceerde, beschouwde niet de psychosen maar associatiezwakte, vervlakking van het gevoelsleven, in zichzelf gekeerd gedrag en ambivalentie als de kernsymptomen van schizofrenie.

Hoewel schizofrenie pas in onze eeuw een definitieve naam kreeg, zijn er egodocumenten die suggereren dat de aandoening al veel langer bestaat en dat schizofrenie ook op latere leeftijd kan beginnen. In 1821 rapporteerde Alexis Berbiguier (1775-1841) uitgebreid over zijn hallucinaties en waanbelevingen in het driedelige Les Farfadets, or tous les demons ne sont pas de l'autre monde. Daarin vermeldt Berbiguier tevens het gesprek dat de befaamde Franse arts Philippe Pinel op 24 april 1816 met hem had. Pinel (1745-1826) zei te weten aan welke ziekte Berbiguier leed en dat hij patiënten met deze ziekte met succes had behandeld. Berbiguier hield echter last van het gevoel achtervolgd te worden door monsters en kwade geesten.

In 1903 publiceerde de rechter Daniel Paul Schreber (1842-1911) Denkwürdigkeiten eines Nervenkranken, enige tijd na zijn ontslag uit het gesticht waar hij negen jaar lang opgenomen was geweest. Schreber wordt gezien als de meest geciteerde patiënt in de geschiedenis van de psychiatrie en psychoanalyse. Kort na zijn huwelijk op 34-jarige leeftijd had hij last van hypochondrische ideeën gehad. Op zijn 42ste, nadat hij bij de verkiezingen voor de Rijksdag vernietigend was verslagen, werd hij een half jaar opgenomen in de universiteitskliniek van Flechsig te Leipzig met een ernstige depressie (toen nog melancholie genoemd). Hij herstelde volledig. Sindsdien vertoonde zijn carrière een opgaande lijn. Op zijn 51ste, een paar maanden nadat hij begonnen was als Senatspräsident in Dresden (een hoge functie bij de rechterlijke macht), meldde Schreber zich opnieuw bij Flechsig met slaapstoornissen, achterdocht met af en toe hallucinaties en de gedachte dat hij aan hersenverweking leed. Net als Pinel hoopvol tegen Berbiguier had gezegd, zei Flechsig tegen Schreber dat de psychiatrie de afgelopen jaren met rasse schreden vooruit was gegaan en dat hij zich over zijn slaapproblemen geen zorgen hoefde te maken. Uit het medisch dossier dat van Schreber bewaard is gebleven, blijkt dat de slaapstoornissen ondanks hoge doses slaapmiddelen vrijwel voortdurend bleven bestaan. Een andere overeenkomst met Berbiguier is dat Schreber zijn psychiater tot de grote boosdoener in zijn bizarre paranoïde waansysteem maakte.

Schreber werd vooral bekend dankzij Freud die in 1911 over diens Denkwürdigkeiten een psychoanalytische verhandeling publiceerde met als kern dat Schrebers waanideeën over Flechsig berustten op afgeweerde homoseksuele gevoelens. Schreber meende de enige mens op aarde te zijn, de verplegers waren slechts 'in elkaar geflanste' mannen die niet werkelijk bestonden. Hij werd 's nachts voortdurend bestraald en hij meende in contact met Flechsig en later met God alsmede 'de beproefde' zielen van overleden mensen te staan. Door zijn transformatie tot vrouw zou in Schreber een nieuw mensengeslacht ontstaan.

Sinds Freuds geschrift hebben de zielkundige interpreten het geval Schreber niet meer met rust gelaten. De Amerikaanse psycho-analyticus Zvi Lothane geeft daarvan een briljant overzicht in zijn studie In defence of Schreber. Soul murder and psychiatry (1992). Dit boek bevat tevens een uittreksel van het medische dossier van Schreber, waaruit blijkt dat deze na zijn ontslag in 1902 bij zijn moeder ging wonen en vrijwel geen dag zonder stemmen is geweest. Een half jaar na het overlijden van zijn moeder en kort nadat zijn vrouw een beroerte kreeg, werd Schreber op 27 november 1907 in het gesticht in Dösen opgenomen wegens slaapstoornissen en het horen van harde geluiden. Daar overleed hij op 14 april 1911 wegens benauwdheid en hartfalen. Bij opensnijden van het lijk bleek de doodsoorzaak longgangreen. Volgens het dossier luidt de psychiatrische diagnose: paranoia, thans meer bekend als waanstoornis waarbij de persoonlijkheid redelijk intact blijft. Maar bij bestudering van de symptomen - zoals gehoorshallucinaties, houterige motoriek en lichamelijke verstarring, vreemd hard lachen, achterdocht, psychische verzanding en uiteindelijk verstilling - zou men nu de diagnose schizofrenie stellen. Of zoals in die tijd gebruikelijk was: dementia praecox.

In The history of Mental symptons. Descriptive psychopathology since the nineteenth century laat German Berrios een bonte stoet bekende en minder bekende psychiaters opdraven met op hun borst de door hen beschreven psychiatrische ziektebeelden. Voor het verhaal van de patiënten zelf is daarin echter nauwelijks plaats. Zo worden Berbiguier en Schreber slechts een enkele keer genoemd. Berrios werd in Oxford opgeleid in de filosofie, psychologie, neurologie en psychiatrie, en doceert thans psychiatrie in Cambridge. Reeds 25 jaar houdt hij zich intensief bezig met de geschiedenis van de klinische psychiatrie. Zijn overzicht is opgebouwd volgens de bekende psychiatrische symptomen, zoals waarnemingsstoornissen, denkstoornissen of wanen. Bovendien sluit hij aan bij de vierde editie van de Amerikaanse Diagnostic and Statistical Manuel of Mental Disorders, kortweg DSM IV, wat zijn boek behalve historisch de moeite waard ook actueel maakt. Berrios tekende, samen met de sociaalhistoricus Roy Porter, ook voor de redactie van A history of clinical psychiatry, waaraan circa 45 auteurs hebben meegewerkt. Dit is een echt naslagwerk. Aardig is dat een probleem telkens twee keer wordt bekeken, door een klinische en door een sociaalhistorische bril.

Maar voor een helder en gedegen overzicht van de geschiedenis van het schizofreniebegrip kan men veel beter in het Leerboek schizofrenie. Een neurobiologische benadering terecht. In het eerste hoofdstuk schetst de Amsterdamse hoogleraar psychiatrie Van Tilburg hiervan een prima beeld met oog voor de recente ontwikkelingen in de psychiatrie, inclusief de opkomst van de deïnstitutionalisering en de sociale psychiatrie. Wie zijn psychiater met lastige vragen wil bestoken over het resultaat van hersenonderzoek en de moderne psychofarmaca, leze dit boek.

Neem bijvoorbeeld de werking van de zogenoemde 'atypische' antipsychotica, zoals clozapine, risperidon en het onlangs op de markt gebracht olanzapine. Een kolfje naar de hand van slimmeriken.

Alles wat je als patiënt, verpleegkundige, psychiater, ouder, broer of zuster, vriend of vriendin van een schizofrene patiënt, maar ook als geestelijk verzorger, muziek-, gezins-, dans- en bewegingstherapeut, als patiënten- en familieverenigingen over schizofrenie moet weten, staat levendig opgetekend in Zin in waanzin. Hoewel de titel aanvankelijk tot verwarring kan leiden, betreft het een uitstekend boek, grotendeels geschreven door Vlaamse auteurs. Geen enkel gezichtspunt wordt gemist. Zin in waanzin, bemoedigend en praktisch, is tot nu toe het beste boek voor een breed publiek dat ik las over schizofrenie.

'Het is onmogelijk om mijn psychose in letterbestek te vatten', betoogt Michiel Vandenbossche bijvoorbeeld, waarna hij bijna voelbaar maakt hoe zijn stemmen hem uitscholden. 'Televisie kijken werd ook langzaam een hel. In het parlement werden vragen over mij gesteld en elke oorlog die in de wereld woedde of elke moord die begaan werd, had iets met mij te maken.' Schizofrenie heeft veel weg van een chronisch energietekort: 'Op een dag in de tuin, als ik denk even wat te sporten, blijk ik niet te kunnen hardlopen, Ik mis gewoon de kracht.' Soms word je even 'opgetild': 'Enkele dagen lang heb ik een Jezus-ervaring. Als ik buiten kom begint de zon te schijnen.'

Schizofrenie is een ziekte, niemands schuld, las ik ergens. Zin in waanzin zegt waarop het staat. Zo is het zelfmoordcijfer bij schizofrenie tien procent. Maar ook het feit dat psychiaters soms twijfelen over de juiste diagnose en behandeling wordt niet onder stoelen of banken gestoken. Nuttig is de uitleg van een psycho-analyticus over wat er tijdens een psychose met het innerlijk van een mens gebeurt en waardoor het gevoel ontstaat dat de tijd stil staat.

De winst van deze nieuwe benadering van schizofrenie is - behalve het streven naar zo min mogelijk bijwerkingen door de introductie van atypische antipsychotica - het feit dat de familie van een schizofrene patiënt van de psychiatrie veel uitleg en steunende begeleiding mag verwachten. In plaats van beschuldiging. Een patiënt zegt tegen de pastor: 'U gelooft niet in de duivel... maar ik heb de duivel gezien... hij had het hoofd van mijn vader.' Dan moet je toch aan Schreber denken?

    • Hans van der Ploeg