Roman van K. Schippers over eeuwig bewegen; Het geheim van iets moois

K. Schippers: Poeder en wind. Querido, 315 blz. ƒ 45,-

Een dokter wil van een dichter leren dichten. En hij leert dat het niet zozeer de techniek van het dichten is, die hij onder de knie moet krijgen, maar de ontvankelijkheid van de dichter: een 'sensuele tast' voor alles wat hem omringt. Dat lukt hem niet. Nog tijdens zijn dichtlessen begint hij daarom een verhouding met de vrouw van de dichter. Nu de dichterlijke geest onbereikbaar voor hem is, richt hij zich op het liefdesobject van de dichter, in de hoop zo dichter bij het dichten te komen.

De parabel komt voor in de nieuwe roman Poeder en wind van K.Schippers. De strekking is duidelijk. Het geheim van iets moois zit niet in het object zelf, maar in degeen die er naar kijkt. Wie er niet ontvankelijk voor is, ziet nooit iets moois. Op een vergelijkbare manier ontstaat de liefde voor iemand niet door de aard van de geliefde persoon, maar doordat iemand zich openstelt voor hem of haar.

Zo geformuleerd klinkt het misschien een beetje afgezaagd, maar in zijn nieuwe boek slaagt Schippers erin uit dit oude thema een reeks intrigerende vragen af te leiden. Bijvoorbeeld of je een gevoel voor iets of iemand ongewijzigd vast kunt houden, en of het mogelijk is dit later weer in dezelfde gedaante op te roepen. Een van de personages vraagt zich af of het mogelijk is de opwinding over een nieuwe liefde te blijven voelen op het moment dat die nieuwe liefde een oude liefde is geworden. Kun je, anders gezegd, de tijd wegdenken die sinds een eerste ontmoeting is verstreken?

Het terughalen van een oud gevoel is te vergelijken met een déjà vu. Ook daarbij gaat het uiteindelijk niet om een waarneming die al eens eerder is gedaan, maar om de ervaring die deze waarneming opriep. Met al dit soort voorbeelden blijft Schippers doorzoeken naar variaties. Kan iemand, om nog één aansprekend voorbeeld te geven, die vroeger een 'herkenningsfluitje' had zich door dit nog eens te fluiten 'terugfluiten' naar zijn jeugd?

Het verhaal dat in Poeder en wind wordt verteld is tamelijk bizar. De hoofdfiguur uit de roman is een vrouw van bijna zeventig die zich in een modieus televisieprogramma de wens laat ontvallen nog één keer zevenentwintig te zijn. Ze heeft in haar functie van veilingmeester meegeboden op een (vermoedelijk) zeventiende-eeuws schilderijtje van een jonge vrouw met een hoed en als belangrijkste motief voor haar begerigheid noemt ze het verlangen naar de eeuwige jeugd. Naar het gevoel aan het begin van haar leven te staan met nog een scala aan mogelijkheden voor zich. Als een Doornroosje - een ander motief in de roman - wil ze na een lange sluimering wakker gekust worden. Ze wil de tijd, al is het maar tijdelijk, terugdraaien. En dat gebeurt ook.

Het verlangen naar tijdloosheid dat de vrouw voelt, is door Schippers op twee manieren met het schilderij verbonden. De vrouw verplaatst zich, tegen de tijd in, in het jeugdige model, èn ze verplaatst zich in de vroegere beschouwers van het schilderij. Ze wil het schilderij ook zien zoals iemand in de zeventiende eeuw het zag, in een wereld die nog niet wist wat er later zou gebeuren. Het oude, en dat is het wonderlijke van de redenering, slaat om in het jonge. Door met de ogen van een zeventiende-eeuwer te kijken, hoopt de vrouw een bijna maagdelijke manier van waarnemen te verwerven. Het schilderij draait de tijd niet alleen terug, het heft deze op.

Indirect geeft het boek daarmee een verklaring voor de bekoring die van oude voorwerpen uitgaat. Op een veiling koop je iets om 'de illusie van het eerste', zegt de vrouw. 'Alles is verdwenen, de maker, de mensen die ervan hebben gehouden, allemaal dood. Maar dat beeld zelf of die tafel of dat stuk speelgoed van eeuwen geleden, dat is er nog. (...) Het is of je de tijd te vlug af bent.' Elders heeft ze het over de aantrekkingskracht van het woordloze. Wat van een bepaalde tijd overblijft, is een lichtstraal van Turner, een venster van Terborch, of een borst van Cranach - ook als de oorlogen uit die tijd, de koningen en politici al lang vergeten zijn.

Het mooie is dat Schippers, net als één van de bijfiguren uit de roman, in zijn boek geen ingewikkelde verhandelingen over de tijd ten beste geeft. Hij is er op uit de tijd zelf te laten zien. Om een dergelijk effect te bereiken heeft hij de belevenissen van een jonge vrouw, een jeugdige versie van de veilinghoudster, over het verdere verhaal van de oude dame gelegd. Hij laat zien wat zij gedaan zou hebben als ze weer zevenentwintig was geweest, en vervlecht dit met wat ze echt doet. Ergens anders in het boek gebruikt hij het beeld van de schilder die dat wat hij wil afbeelden, zelf veroorzaakt uit angst onbetrouwbaar te zijn.

Het resultaat van een dergelijke houding is een speelse en langzaamaan steeds gecompliceerder wordende geschiedenis waarin verschillende tijden en 'realiteiten' door elkaar beginnen te lopen. Dat effect wordt nog versterkt door de rol van de voorwerpen die het veilinghuis krijgt aangeboden. Vóór de veilingmeester het door haar gekochte schilderijtje weer op een volgende veiling inbrengt, maakt ze een tocht langs nieuwe collecties waarbij ze de vreemdste dingen meemaakt.

Soms duurt het even voor je in de gaten hebt wat er aan de hand is, maar dat geeft het boek juist een hallucinerende werking. Het leest alsof je in een vervormde afspiegeling van de romanwerkelijkheid bent terecht gekomen. Of je je plotseling 'achter de spiegel' uit het boek van Lewis Carroll bevindt.

Wanneer de veilingmeester een vreemd huis met een grote glazen gevel is binnengegaan om daar een curieuze nalatenschap te inspecteren, lijkt het soms of ze tegelijk in haar eigen verleden of in haar onderbewustzijn belandt. Een sleutel voor een dergelijke interpretatie zou kunnen liggen in de voorwerpen waaruit de nalatenschap bestaat. In het huis vindt ze bijvoorbeeld een logboek waarin de overledene zijn denkbeelden over de tijd heeft genoteerd. Die illustreren (alweer) het grondthema van het boek. De auteur wil weten of je, nu je een gezicht jonger kunt maken, ook een stem kunt verjeugdigen en hij onderzoekt of je de smaak kunt 'verlengen'. Net als de veilinghoudster heeft de overledene zich in zijn logboek afgevraagd of je iets kunt waarnemen met de ogen of smaakpapillen van vroeger.

Het antwoord op deze vragen komt bij Schippers in steeds andere bewoordingen steeds op hetzelfde neer. Het gaat niet om de waarneming, maar om de scherpte, de intensiteit. Is het waar, vraagt het boek, dat we een geliefde in de loop van de tijd steeds beter leren kennen? Of is de kern van de liefde juist wat we het eerst in iemand zien?

Bij de veilingmeester bestaat haar hoogste ontvankelijkheid voor iets moois uiteindelijk uit distantie. Een verlangen om van het zichtbare niet al te veel te krijgen: 'wegzwenken met de ogen, niets willen uitputten, dunste scheidslijn tussen het oog en de wereld en die dan net niet over willen gaan'.

Het zal niet verbazen dat de in het begin van het boek nog vrij heldere verhaallijn vanaf het midden geleidelijkaan diffuser wordt. De roman waaiert in steeds meer richtingen uiteen, tot er uiteindelijk een wel zeer verrassend slot volgt.

Wat tot het eind toe blijft, zijn de tientallen met duivels plezier vertelde filosofietjes waarmee de gebeurtenissen worden gelardeerd. Het idee dat je alles kunt vatten in 'taxaties', in bedragen die je voor iets over hebt. Of, als je zover niet wilt gaan, in voorkeuren, in een liever en een minder lief.

De opvatting dat alles zich voor een korte zakelijke beschrijving leent, zoals in de catalogus van een veilinghuis.

Hoe de verhouding is tussen wat je zegt en wat je denkt.

Wat het verschil is tussen de diverse stiltes die bestaan.

Een van de mooiste metaforen uit het boek vind ik die van de verzamelingen. In het vierde hoofdstuk laat Schippers deze beschrijven als ware 'liefdesmozaïeken'. Dat wil zeggen bij voorbaat tijdelijk combinaties die gedoemd zijn om weer uiteen te vallen en op te gaan in andere verzamelingen. In het perspectief van Schippers moet alles, van het bezit tot de taal, voortdurend in beweging blijven: 'Al dat gewoordte gaat schuil achter de beweging, komt niet aan de oppervlakte en tuimelt in de vergetelheid als de voorgenomen afstand is overbrugd.'

Uit: K. Schippers: Poeder en wind.

Ze bukt en kijkt door een laag raam. Het heeft de vorm van een patrijspoort en daardoor moet ze hebben gekeken. 'Kom nou,' het raam stond open, 'Marian, kom nou.' Even later droge tikken, croquet, tot haar knieën boterbloemen, veel hoger dan het gras. Velden van speldenpriken zeilen over haar rug. Ze splitsen zich onder haar schouders. Wemelingen van wat niet hoeft. Geluk van wat gelijk blijft. Of een voorval zich ongewijzigd kan herhalen, de mooiste vogel, die door ijsvogels kan worden gemaakt, is zelf een ijsvogel, zegt de dichter.