Niemand gaat zomaar de vloer op; Saturday Night Fever is harder dan Naar de klote!

Een van de opmerkelijkste kenmerken van de house-film 'Naar de klote!' van regisseur Ian Kerkhof is dat er nauwelijks in wordt gedanst. Dat is een slecht teken: in 'Saturday Night Fever' zijn de dansscènes juist cruciaal. “De film van Kerkhof zit vol agressie en geweld, maar anders dan in 'Saturday Night Fever' lijken die nergens vandaag te komen.”

Eigenlijk pas achteraf valt het je op: er wordt in Naar de klote! nauwelijks gedanst. De film speelt zich af in de geestverruimende wereld van de house-muziek, wordt bevolkt door de personages die zich om houseparty's verzamelen - dj's, zware criminelen, pillenverkopers, uitsmijters - en er zijn maar weinig beelden die niet worden ondersteund door dansmuziek. Maar dansen zie je niemand. Wat je wel ziet: tijdens scènes die zich op een houseparty afspelen, zwiept de camera een paar keer nerveus over de feestende, armenzwaaiende massa en hij laat je ook zien hoe de hoofdpersoon, het pillenverkopende meisje uit Tilburg, zich een weg baant door een opgewonden menigte. In de scène die een dramatisch hoogtepunt wil zijn, namelijk die waarin Thom Hoffman als de onttroonde DJ Cowboy onpasselijk wordt achter de draaitafel en de muziek laat stilvallen, zie je hoe de honderden feestgangers een moment ophouden met dansen; wanneer ze zich even later weer in beweging zetten, verliest de camera meteen weer zijn belangstelling. Je krijgt de indruk dat er wel gedanst wordt, maar dat de regisseur het niet heeft willen zien.

Hoe vreemd is dat, een dansfilm waarin het dansen zelf zo'n kleine rol speelt? Nu is een houseparty nogal een amorfe gebeurtenis, waarin de dansers opgaan in een gelukzalige wezenloosheid die visueel niet echt een traktatie is, en in die zin is het uitgekookt van Ian Kerkhof dat hij zijn film zelf heeft willen laten dansen: de verkleurde beelden, de hectische montage, de dreunende muziek, het is er allemaal op gericht je als toeschouwer het echte housegevoel te bezorgen. Maar het is ook een kapitale misrekening. Door de dans los te koppelen van zijn personages - de twee hoofdpersonen, het jonge bekvechtende stelletje uit de provincie, zie je in de hele film niet op de muziek bewegen, niet alleen en ook niet samen - heeft de regisseur het hart uit zijn eigen film gesneden.

Danst er iemand in een film, dan betekent dat altijd iets. Gene Kelly in de regen, John Travolta in de disco, Jennifer Beals in Flashdance, Patrick Swayze in Dirty Dancing en zelfs het maffe dansje van Travolta in Pulp Fiction, altijd wordt er iets gesuggereerd, uitdrukking aan iets gegeven. Het zijn ook meestal die scènes die in je geheugen blijven hangen. Ik herinner me vreemde, onvoorspelbare dansen (het jongetje met de oude man bij de juke-box in Bertolucci's Luna) en tragische en weemoedige dansen (de balscène in Visconti's Il Gattopardo). Iedere keer wordt er iets anders mee getoond, maar niemand gaat zomaar de vloer op.

Na het zien van Naar de klote! heb ik Saturday Night Fever uit de videotheek gehaald. Die discodansfilm uit 1978 heeft in de loop der jaren de reputatie van een bescheiden klassieker gekregen, meer door nostalgische herinneringen dan door kritische aandacht. Ik heb toentertijd vaak genoeg gedanst op de nerveuze disco van de Bee Gees ('Staying Alive', 'Night Fever', 'More than a Woman') gedanst, maar de film die bij de muziek hoorde, had ik nooit gezien. Bijna twintig jaar na dato viel mijn mond alsnog open: niet alleen is de film van de Amerikaan John Badham veel beter dan Naar de klote!, hij is ook harder en gedurfder.

Verfwinkel

Dat laatste kwam als een volkomen verrassing: in mijn geheugen stond het beeld van een ongenaakbare Travolta gegrift, in een danspose op een veelkleurig verlichte dansvloer, arm omhoog, tot vlak bij de schitterende spiegelbol - een beetje potsierlijk, dat triomfantelijke, want disco's zien er allang niet meer zo uit en niemand zou tegenwoordig in zo'n patserig pak gezien willen worden. Maar het beeld van Travolta als filmheld verschilt hemelsbreed van Travolta als personage - als Tony Manero, die op zijn twintigste bij zijn ouders in Brooklyn woont, een baantje in een verfwinkel heeft en iedere zaterdagavond als een koning over de dansvloer in de plaatselijke disco heerst.

Wat Saturday Night Fever zo'n harde film maakt, is de genadeloze manier waarop de held van de film onderuit wordt gehaald. Juist datgene waar een kansarme zoon uit een Italiaans-Amerikaanse arbeidersfamilie zich aan vastklampt, zijn trots en zijn eigenwaarde, worden in de loop van het verhaal tot op de grond toe afgebroken. Tony leert dat hij in een benepen, claustrofobische wereld heeft geleefd, waarin gevoelens van onmacht en vernedering alleen geuit kunnen worden door agressie jegens anderen. Het geweld is zinloos en de seks wezenloos, omdat zijn hele leven zinloos en wezenloos is. En de plaats waarop Tony dat inzicht krijgt is in zijn persoonlijke heiligdom, de enige plek op de wereld waarop hij zich ongenaakbaar denkt: de dansvloer.

De disco is Tony's vrijplaats. Alle beurse plekken die het dagelijkse leven hem heeft bezorgd, zijn onzichtbaar in het flikkerende licht van de discolampen. Zijn dansen betekent macht, beheersing over zijn eigen lichaam, heersen over zijn medemensen. De jongens hebben ontzag voor hem, alle meisjes zijn als was in zijn handen, Tony regeert en schoffeert. Maar op de avond dat zijn heerschappij bevestigd had moeten worden, de avond van de danswedstrijd, leert hij dat zijn koningschap een farce is. Nadat hij en zijn nieuwe partner, een ambitieuze danseres die alles op alles zet om Brooklyn te ontvluchten en snobistische dromen koestert over haar omgang met beroemdheden, de dans van hun leven hebben gedanst, volgt er een koppel dat beter is.

Tony ziet het, zijn vrienden zien het. Maar het zijn Puertoricanen (ze worden onbekommerd voor spics en greaseballs uitgemaakt) en die zullen in Tony's buurt nooit iets winnen. En dan volgt misschien wel het mooiste moment uit de film: Tony krijgt de prijs terwijl hij weet dat hij niet de beste is. Op dat moment heeft het dansen zelf geen waarde meer. Hij ziet plotseling in dat hij helemaal niet ongenaakbaar is geweest, dat zijn leven een zielige vertoning is. Zijn gevoel van onmacht is verpletterend en de film is eerlijk genoeg om te laten zien dat een jongen als Tony in eerste instantie maar één antwoord weet: in de auto probeert hij zijn vriendin te verkrachten.

Daarna volgt een lange, nachtelijke hellevaart, waarin de wanhoop en ontreddering van Tony en zijn vrienden onverdraaglijk scherp staan afgetekend. Een door hem afgewezen meisje en danspartner zoekt de zelfvernedering en laat zich vol pillen en drank op de achterbank om beurten nemen door Tony's vrienden. Een van zijn vrienden valt te pletter van een brug. Op de vraag van de politieman of het zelfmoord is geweest, antwoordt Travolta: There's ways of killing yourself without killing yourself.

De onmacht, het verlangen er niet te zijn: niets in Saturday Night Fever doet verouderd aan, niets behalve de dans zelf, een eigenaardige mengeling tussen disco en ballroom - het kost moeite je daardoor te laten meeslepen, maar gelukkig blijven de Bee Gees recht overeind. Wat de film werkelijk gedurfd maakt, is het morele kader waarin het milieu van Tony wordt geplaatst. Dat heeft niets te maken met het schijnheilige instantmoralisme dat zoveel Amerikaanse films van de jaren tachtig en negentig onverteerbaar maakt, maar alles met de impliciete erkenning dat alles wat Tony Manero doet betekenis heeft, dat iedere handeling ertoe doet. Juist daarom kan de film zo ver gaan: de agressie en het geweld zijn veel schokkender dan in Naar de klote!

Schietklaar

De film van Kerkhof zit vol agressie en geweld, maar anders dan in Saturday Night Fever lijken die nergens vandaag te komen. Het stelletje uit Tilburg belandt in een levensgevaarlijke wereld, ze worden erdoor verleid en gecorrumpeerd, maar ze ontsnappen net op tijd. De toon van de film slingert de hele tijd heen en weer: Kerkhof is zichtbaar dol op uitzinnige agressie, hij krijgt maar geen genoeg van zwarte bodyguards die hun geweer schietklaar maken. Anderzijds heeft hij een suikerzoete verlossing voor zijn jonge helden in petto; aan het eind zitten die twee weer opgelucht in de auto richting Tilburg. Maar van Tilburg, dat had je uit het voorafgaande begrepen, deugde nu juist helemaal niets. Het meisje heeft een moeder, die alleen maar hysterische fatsoenscliché's kan gillen, haar man zit in de bak en haar andere dochter zit met een werkeloze kerel thuis die al het geld opzuipt. Kerkhof laat je een glimp van die Tilburgse realiteit zien, maar weigert die tegelijkertijd een serieuze rol te geven in zijn drama, zodat het telefonisch 'Mama, ik houd van je' van de sufgebeukte dochter aan het einde pijnlijk ongeloofwaardig is. Cynisme en sentiment: uiteindelijk blijken dat twee kanten van dezelfde medaille te zijn.

Ironie is het sleutelwoord; zowel het gangsterdom als de Brabantse onschuld zijn in deze film groteske overdrijvingen die vooral niet letterlijk genomen moeten worden. Maar hoe dan wel? De ironie van Kerkhof, net als die van zoveel volgelingen van Quentin Tarantino, blijkt een uitvlucht te zijn. Zijn personages vertonen alle extreme vormen van menselijk gedrag, maar geen moment in de hele film krijg je het gevoel dat hij de menselijkheid van zijn personages erkent. De wereld is een absurde heksenketel, de mensheid pathologisch en psychopathisch, hun gedrag hopeloos onvoorspelbaar. Er zijn geen oorzaken, geen gevolgen.

Een wereldbeeld dat daarmee ophoudt, is in wezen infantiel. Geweld komt altijd ergens vandaan, tegenover de roes staat altijd een werkelijkheid, schraal en schrijnend als die is. Een seriemoordenaar kan nog zo lukraak te werk gaan, hij heeft ook een verleden. De man die meisjes gevangen houdt, misbruikt en uithongert, komt niet rechtsstreeks uit de hel in ons midden terecht, maar is het produkt van een werkelijk bestaande samenleving, vol alledaagse omstandigheden. Ook de 21-jarige jongen die op straat een willekeurig iemand doodschopt, heeft een herkenbare achtergrond, saai en weinig opzienbarend misschien, helemaal niet Tarantino-achtig waarschijnlijk, maar vol van betekenis. Zomaar is nooit zomaar.

Een film als Saturday Night Fever erkent dat. In die film doet de ironie dan ook echt pijn. Halverwege het verhaal wordt Tony Manero in de verfwinkel ontslagen omdat hij uit liefde voor zijn nieuwe vriendin een vrije dag neemt tegen de zin van zijn baas in. Wanneer hij een paar scènes later zijn resterende loon komt ophalen, zie je als toeschouwer dat zijn baas, die lang de kwaadste niet is, allang zijn hand over zijn hart heeft gestreken. Ik ben dus niet ontslagen, roept Tony verheugd. Welnee, zegt zijn baas, jij hoort hier toch, we zijn hier toch één grote familie. Hij wijst op een man achter de toonbank: die werkt hier al acht jaar. En op een ander: die is al veertien jaar bij me! Je ziet die getrouwen een paar seconden in beeld, met hun stofjassen en verfblikken en behulpzame glimlachen. Dan pas laat de camera het onthutste gezicht van de jonge Travolta zien.

    • Bas Heijne