Minachting voor zwarte gaatjesschoenen

Nicolaas Klei & Marieke Cobelens: De man in zijn hemd. Over kleren voor heren. Balans. 224 blz. ƒ 34,90

Als ooit van een historische studie gezegd kon worden dat zij een opgewekte toon heeft, geldt dat voor dit boek. De eerste auteur, Nicolaas Klei, is rechtshistoricus, maar zijn vak lijkt hem niet buitensporig in beslag te nemen. Deze geschiedenis van het mannenpak - anderen zeggen: herenkostuum - is al zijn tweede uitstap naar frivolere onderwerpen, want in 1994 publiceerde hij een onorthodox boek over wijn.

In dit nieuwe boek beschrijft hij, gesteund door de kunsthistorica Marieke Cobelens, oorsprong en ontwikkeling van jas, broek en vest, ruwweg vanaf de achttiende eeuw. Ook toebehoren als schoenen, overhemd en das worden behandeld. De bronnen daarvoor zijn (behalve een respectabele lijst secundaire literatuur) oude krantenartikelen, kostuumcollecties in musea, bellettrie, negentiende-eeuwse winkelprospectussen en ook archiefmateriaal, zoals de nalatenschap van een Amsterdamse kleermaker die liefhebberde in de historie van zijn vak. Het is, kortom, echte geschiedschrijving.

Maar Klei's stijl is verrassend luchtig. Je zou hem journalistiek kunnen noemen; de toon doet denken aan die van auteurs als Wouter Klootwijk en Karel Knip (en voor wie verder wil zoeken, Karel van het Reve), die het vermogen bezitten op een volstrekt informele manier serieuze informatie over te brengen. Tussen gegevens over de garderobe van Charles II en de oorsprong van de blazer door wordt in dit boek zo nu en dan iets opgemerkt over 's schrijvers eigen kleedgewoonten: zijn dertigtal vesten, zijn maatjasjes van het Waterlooplein. Dat verhoogt de leesbaarheid, zonder dat er iets afgaat van de kritische grondhouding van de onderzoeker.

De man in zijn hemd zit vol met verrassingen. Zo blijken zaken die wij voor volstrekt vanzelfsprekend houden - zoals het meetlint van de kleermaker, of het verschil tussen linker en rechter schoenen - nauwelijks honderdvijftig jaar oud te zijn. Het hele idee dat althans de rijke bovenlaag in West-Europa altijd heeft beschikt over voortreffelijk passende, want aangemeten kleding, blijkt een misvatting. Het echt geraffineerde meet- en snijwerk door de kleermaker ontstond pas rond de laatste eeuwwisseling, met de hete adem van de confectie-industrie in de nek. Vóór die tijd bobbelden de rugpanden van zelfs de duurste jassen, bleven broeken slechts met kunst en vliegwerk op hun plaats en knelden armgaten de oksels bijna af. Het in detail opmeten van een opdrachtgever was nu eenmaal not done, en kleermakers waren er trots op dat zij in één blik iemands maten konden schatten, met alle gevolgen van dien.

Maar dat kleding slecht zat was natuurlijk het minste van vele ongemakken. Het vermogen van de mens om te leven in onhandige, bijna ondraagbare uitdossingen zolang de mode dat voorschrijft, is een gegeven waar men in de kostuumgeschiedenis voortdurend op stuit, en heus niet alleen bij spreekwoordelijk knellende damesdrachten zoals het korset. Ook de hoge hoed, griezelig strakke herenpantalons (die er altijd geweest zijn) en de stijve boord brengen aanzienlijk meer last dan comfort, maar zijn decennia lang onmisbare onderdelen van de herenmode geweest.

Er zijn kostuumhistorici - en het zijn niet de minsten - die in de geschiedenis van de mode (althans de kledij van de betere standen, wat op hetzelfde neerkomt) één grote demonstratie van conspicuous consumption en dito leisure zien. Ledigheid en snoeverij, met andere woorden. Kilometers loodzware stof en ragfijne kant zijn in de loop der eeuwen verwerkt tot rokken, capes en kragen die fortuinen kostten en het de drager onmogelijk maakten om zelf ook maar de eenvoudigste praktische handeling te verrichten. De Engelsman Quentin Bell viel dat al op: hij ging de geschiedenis van de mode bestuderen omdat hij dat, zoals hij uitlegde, de meest onbegrijpelijke vorm van menselijk gedrag vond die hij kende. Bell publiceerde in 1947 zijn boek On human finery. Hij was waarschijnlijk de eerste die in dit verband de theorie van de conspicuous consumption van de Amerikaanse econoom Thorstein Veblen omhelsde; de auteurs van De man in zijn hemd treden wat dat betreft in Bells voetsporen.

Maar wat de zaak pas echt interessant maakt, is dat er de laatste twee eeuwen tegelijkertijd een trend naar vereenvoudiging is, naar (zoals de Engelsman zegt) dressing down. De ware sjiek ligt in soberheid, en langzaam maar zeker zijn kledingstukken die begonnen als het functionele tenue van arbeiders, boeren en kinderen omhooggekropen naar de hoogste kringen. Het waren de obers en lakeien, die bleven zitten met de onhandige apenpakken waar eens hun meesters zich in moesten wringen.

Vooral die laatste, sociologisch opwaartse trend van de herenkleding krijgt veel aandacht van Klei en Cobelens. Er zijn vele voorbeelden te vinden, al lang voor het laat-twintigste-eeuwse schoolvoorbeeld, de spijkerbroek. Zo is de lange broek zelf ooit iets geweest waarin geen heer zich zou willen vertonen: de kniebroek was de nette (en natuurlijk minder handige) dracht van de edelman en de betere burgerij.

Een minder evident en dus nog leuker voorbeeld van opwaartse mobiliteit dat de auteurs beschrijven is de geschiedenis van de blazer. Vandaag de dag wordt het blauwe double-breasted jasje met nikkelen knopen door menigeen beschouwd als buitengewoon netjes - het is de dracht waarin voetballers naar Huis ten Bosch gaan om de koningin een handje te geven, zoals Klei wreed zei bij de verschijning van zijn boek. Welnu, de blazer is ontstaan als een marinejasje, en ongeveer tegelijkertijd als sportjasje voor roeiers, ergens in de negentiende eeuw. Zijn oorsprong is trouwens omgeven door mythen: er is een Brits marineschip geweest, Blazer geheten, en daaraan wordt de 'uitvinding' van het jasje vaak opgehangen. Klei en Cobelens proberen, zoals het historici betaamt, die mythen te ontrafelen in plaats van ze na te praten. De werkelijkheid blijkt natuurlijk weer veel onoverzichtelijker dan het oude Blazer-verhaal. Maar één ding staat vast: de blazer is van oorsprong een betrekkelijk nederige dracht, en bepaald niet salonfähig.

Niet dat het ertoe doet. De kostuumgeschiedenis is voortdurend in beweging, wie conservatief is, doet niet anders dan de mode van één generatie geleden volgen - niet drie, want dat zou weer excentriek zijn. Waarom zou je waardeoordelen verbinden aan kleedgewoonten?

Snobisme en betweterigheid over wat kan en wat niet kan maken de meeste teksten over herenkleding onuitstaanbaar. Klei en Cobelens doen daar niet aan mee, al is het soms balanceren op het smalle paadje tussen een esthetiek en conventie, tussen 'lelijk' en 'fout'. Het valt duidelijk niet mee om uit te leggen dat de gaatjesschoen of brogue van oorsprong een sport- en wandelschoen is (en daarom echt niet anders kan zijn dan bruin) zonder een héél klein beetje geringschattend te doen over de zwarte, 'stadse' brogue. Hetgeen vooral bewijst hoe sterk de zuigkracht van de conventie op dit terrein is.

De man in zijn hemd is een boek van het soort waarin de auteur veel meer heeft vastgelegd dan voor de gelegenheid verzamelde kennis. Er schuilt een van jongs af aan gekoesterde belangstelling achter voor de oorsprong van de DAKS-broek, de evolutie van het jacquet en de vraag waarom Napoleon op de meeste plaatjes een hand in zijn jas houdt. Met des te meer verve wordt het hier allemaal beschreven. Zonder index aan het eind helaas, een beetje rommelig ook, en met tientallen slordigheidjes in de spelling. Maar dat het boek verder een onhollandse combinatie biedt van charme en geleerdheid staat als een paal boven water. Of beter, als een hoge zijden boven een verschrikte menigte; waar dat op slaat komt de lezer in het boek vanzelf wel tegen.