Met de vuilnis naar de wasserette; Gesprek met thriller-schrijver René Appel

Schrijver en taalwetenschapper René Appel acht een boek van John le Carré in cultureel en literair opzicht van even groot belang als een roman van Martin Amis. Appel werd bekend als schrijver van thrillers als 'Handicap', en 'Tegenliggers', boeken waarvoor hij research deed bij een naburige rijschoolhouder of de wasserette om de hoek. “Ik probeer situaties te scheppen waarin mensen tot iets komen wat ze normaal gesproken nooit zouden doen.”

De thrillers van René Appel verschijnen bij Prometheus/Bert Bakker.

Uit alle recensies blijkt de verwarring: horen de 'psychologische thrillers' van René Appel nu wel of niet tot de literatuur? En wat is precies het verschil tussen een 'psychologische thriller' en een roman?

René Appel geeft het liefst een laconiek antwoord op deze vragen en zegt monter dat zijn boeken misschien wel het beste van beide genres verenigen en daarom zo moeilijk zijn te categoriseren. Maar als de vraag opnieuw opkomt, gaat hij er dieper op in: “Bij een roman is de plot, de intrige, het verhaal van minder belang dan de idee, het thema dat aan die roman ten grondslag ligt. Een thriller moet per definitie een sterke, verrassende intrige hebben, dat is een eerste vereiste. In een roman kan een situatie uit de doeken worden gedaan, de gevoelens en het gedachtenleven van verschillende personages, zonder dat er sprake hoeft te zijn van een duidelijke plot. Er bestaan natuurlijk allerlei tussenvormen en daar komt de verwarring uit voort. Een roman kan een spannende intrige hebben en een thriller kan om een bepaald thema draaien. Mijn laatste boek, Geweten, gaat over het inlossen van een schuldgevoel en dat zou je een thema kunnen noemen. Maar er zijn vaste elementen waaraan je een thriller herkent: de pogingen van de schrijver om de lezer de verkeerde kant uit te sturen en daardoor de spanning vast te houden, de ontknoping aan het eind, die in een literaire roman vaak ontbreekt. Een thrillerschrijver probeert de lezer zo snel mogelijk door het boek heen te trekken, van het ene hoofdstuk naar het volgende. Bij Geweten heb ik dat gedaan door steeds zoveel informatie te geven over een gebeurtenis dat de nieuwsgierigheid van de lezer voor een deel wordt bevredigd maar tegelijk toeneemt doordat er nieuwe vragen opdoemen. Ik maak iets duidelijk, waardoor iets anders onduidelijk wordt, met de bedoeling de lezer mee te slepen naar de ontknoping. Ik zat eens in een forum met Margriet de Moor en andere romanschrijvers en daarbij merkte ik dat zij zo'n ontknoping aan het einde maar niets vonden. Aan het eind van een boek wilden zij de lezer juist met allerlei vragen laten zitten, stof tot nadenken geven.

“Als mensen mij de vraag stellen: 'Waarom schrijf je geen gewone romans?', dan is de achtergrond van die vraag dat men een roman toch hoger aanslaat, dat het iets nastrevenswaardigs zou zijn om een literaire roman te schrijven. Maar ik vind de thriller een interessant genre, al wordt het in Nederland niet zo gewaardeerd als in Engeland of de Verenigde Staten. Als er een nieuwe misdaadroman uitkomt van Appie Baantjer, dan weet je: dit is een spannend verhaal en niet meer dan dat. Het literaire gehalte van een Baantjer valt in het niet bij een Bernlef. Maar ik vind een boek van John le Carré in cultureel en literair opzicht net zo belangrijk als een roman van Martin Amis, om maar iets te noemen. Als je alle geschreven fictie beschouwt als literatuur, dan horen veel misdaadromans tot de slechte literatuur, dat is zo, maar bijvoorbeeld een Raymond Chandler hoort tot de goede literatuur.”

Dat de boeken van Appel aanleiding geven tot twijfel en moeilijk zijn in te schalen, blijkt ook uit de literatuurlijsten op middelbare scholen. Door sommige leraren Nederlands wordt zijn werk te licht bevonden voor de literatuurlijst, andere hebben er geen moeite mee wanneer een leerling een thriller van Appel op zijn lijst zet. “Er zijn twee typen leraren. Het ene type wil nadrukkelijk aan cultuuroverdracht doen en verbiedt mijn boeken, het andere zegt: door wat makkelijkere boeken toe te staan, komen de leerlingen eerder tot lezen en dat is het belangrijkste.”

Hij legt uit waarom hij zijn boeken liever 'thrillers' noemt dan 'misdaadromans': “In principe zijn het twee benamingen voor hetzelfde, maar het begrip thriller is ruimer en daarom geef ik daar de voorkeur aan. In mijn boeken spelen spanningen tussen mensen en de psychologische ontwikkeling van de hoofdfiguren een belangrijke rol, vandaar de benaming 'psychologische thriller'. Ik heb niet graag dat mijn boeken detectives worden genoemd. Het woord detective associeer ik met goedkope, pulpachtige misdaadromans, met Havank. Een detective is ook al snel een detective-je.”

Regelmaat

René Appel publiceerde zijn eerste thriller in 1987. Sindsdien verscheen van hem elk jaar een boek: negen thrillers en een verhalenbundel. Vanwaar die vaste regelmaat? Appel: “Daar is een rare, triviale reden voor: ik vind dat het bij het genre hoort. Thriller-auteurs hebben vaak een regelmatige productie, op gezette tijden verschijnt er weer een boek. Ik streef naar één boek per jaar en door zo'n anderhalve dag per week te schrijven, lukt me dat ook.”

Aan zijn verhalenbundel, die begin dit jaar verscheen, gaf hij de weinig opbeurende titel Van kwaad tot erger. Die titel spookte allang door zijn hoofd, het zou als motto voor al zijn werk kunnen gelden, maar als thriller-titel vond hij het toch niet geschikt: “Het is te expliciet. Titels als Geweten of Tegenliggers, zoals mijn laatste boeken heten, zijn dubbelzinniger en laten meer te raden over. Voor de verhalenbundel kon Van kwaad tot erger wel omdat het op alle verhalen van toepassing is. Het is dus niet de titel van een van de afzonderlijke verhalen, maar het dekt de hele lading. Niet alleen in die verhalen, ook in mijn thrillers begin ik meestal met iets kleins en onschuldigs dat ik vervolgens uit de hand laat lopen. Er is een onbeduidend conflict, het ene woord haalt het andere uit, de ene handeling de andere en zo werk ik omzichtig naar een climax die altijd in de moorddadige sfeer ligt. Ik vind het niet interessant wanneer iemand weloverwogen ergens heen gaat om een moord te plegen. Ik probeer juist situaties te scheppen waarin mensen tot iets komen wat ze normaal gesproken nooit zouden doen. Ik schrijf dus niet over misdaadbendes die in gestolen paspoorten of Oosteuropese prostituées handelen. Het huwelijksconflict van het echtpaar verderop in de straat spreekt meer tot mijn verbeelding.”

In de jaren zeventig, lang voordat hij zijn eerste misdaadroman schreef, had René Appel enkele korte verhalen in Hollands Maandblad gepubliceerd. Hij typeert ze nu als 'enigszins sociaal-realistische verhalen', een genre waarmee schrijvers als Mensje van Keulen, Jan Donkers en Hans Vervoort in die tijd furore maakten. Door de boeken van Sjöwall en Wahlöo, die in de jaren zeventig erg populair waren, raakte hij geïnteresseerd in misdaadromans. “Aanvankelijk vond ik die boeken wel goed, maar naarmate de intrige steeds meer ondergeschikt werd aan de politieke strekking vond ik ze slechter worden. Daarover heb ik toen een stuk geschreven dat ik naar NRC Handelsblad stuurde. De reactie was: 'Wilt U voor ons de misdaadliteratuur recenseren?' Tien jaar, van 1976 tot 1986, heb ik dat gedaan. Het is lastig werk, want bij misdaadromans draait het om de plot, maar juist daarover mag je niet teveel loslaten. Door het recenseren kreeg ik een enorme kennis van de misdaadliteratuur en op een goed moment dacht ik: dat wil ik ook weleens proberen. Aan de positieve reacties op mijn eerste boek, Handicap, merkte ik dat ik het kon en toen ben ik ermee doorgegaan.”

Taalachterstand

De vloer van de woonkamer in het Amsterdamse grachtenhuis is bezaaid met legostenen, op tafel ligt een Monopoly-spel en op de schoorsteenmantel staat een auto van bierviltjes en closetrollen. Het zijn de sporen van zijn negenjarige zoon Sander. Appel vertelt dat hijzelf toen hij klein was 'echt zo'n jongetje was dat goed kon leren': “Ik was 16 toen ik mijn HBS-B diploma haalde.” Hij ging scheikunde studeren, zwaaide na een half jaar om naar Nederlands, specialiseerde zich in algemene taalwetenschap en werd wetenschappelijk medewerker bij de subfaculteit Psychologie in Utrecht. Zijn zoon Sander groeit nu in een heel ander milieu op dan waarin hij zelf groot werd. Zijn vader was huisschilder in Hoogkarspel en als student merkte Appel dat de wereld waar hij uitkwam hemelsbreed verschilde van de wereld waar hij in Amsterdam terecht was gekomen: “Bij ons thuis stond een miniem rijtje boeken en ik werd ineens geconfronteerd met studenten die meters boeken hadden en waar thuis over literatuur werd gepraat. Ik las eens een proefschrift over kinderen uit arbeidersmilieus die in de jaren zestig en zeventig gingen studeren en daar herkende ik veel in: dat je altijd extra je best doet om je waar te maken.”

Als sociolinguïst hield Appel zich bezig met de taalachterstand van kinderen uit de lagere milieus. “Mijn eigen geschiedenis heeft wel een rol gespeeld bij mijn specialisatie, al had ik zelf nooit zo het gevoel dat ik een achterstand had. In de jaren zeventig was er veel discussie over de taalbeheersing van arbeiderskinderen. Een kind kan in zijn eigen omgeving heel taalvaardig zijn, maar op school niet. De taalachterstand van zulke kinderen wordt gemeten aan de normen die de school hanteert. Volgens de linkse ideologie uit die dagen waren de taalnormen de normen van de heersende klasse die welbewust een maatschappelijke ongelijkheid in stand hield. De standpunten van de linkse beweging waren erg dogmatisch en daar moest ik weinig van hebben. Ik was meer geboeid door het feit dat ik mijn vak direct op het leven kon betrekken, dat het een 'maatschappelijke relevantie' had, zoals dat heette.”

Later, toen de taalachterstand van allochtone kinderen een steeds groter probleem werd in het onderwijs, ging Appel zijn onderzoek daarop richten. “Er zijn twee manieren waarop je allochtone kinderen die hier nog maar kort zijn Nederlands kunt aanleren: via de 'onderdompelingsmethode', dus zo snel mogelijk, of op een langzame manier waarbij ook hun eigen taal nog een belangrijke rol speelt. Ik dacht dat de eerste methode het meest effectief zou zijn, maar het bleek dat de tweede meer resultaat had. De groep die de taal volgens de langzame methode leerde, sprak na twee jaar beter Nederlands hoewel die groep minder les had gehad. Een taal leren hangt niet alleen af van de hoeveelheid lessen maar ook van de mate waarin een leerling zich op zijn gemak voelt. Bij de langzame methode was de sociaal-emotionele situatie voor de leerlingen veel gunstiger.”

Bij een ander onderzoek bleek dat het probleem van allochtone kinderen bij het Nederlands leren vooral hun woordenschat is. Appel: “Ik heb meegemaakt dat een onderwijzer uitleg gaf over woorden als haai en boei die op het eind, waar je een j hoort, met een i worden geschreven. Maar de leerlingen kenden die woorden haai en boei helemaal niet, dus hadden ze geen idee waar de onderwijzer het over had. Als je hen speciale programma's laat volgen waarbij hun woordenschat wordt uitgebreid, presteren ze ook bij andere vakken veel beter.”

Cultureel correct

De onderzoeken en publikaties van Appel leidden ertoe dat hij twee jaar geleden door de Gemeente Amsterdam benoemd werd tot bijzonder hoogleraar Nederlands als Tweede Taal aan de Universiteit van Amsterdam, met als opdracht het onderzoek naar en de verbetering van het taalonderwijs aan allochtone kinderen. Hoewel hij door zijn werk al jaren met allochtonen te maken heeft, komt deze bevolkingsgroep in zijn boeken nauwelijks voor. “Ik heb er weleens over gedacht een verhaal te schrijven waarin de hoofdpersonen van origine Turks of Marokkaans zijn, maar ik vind dat ik toch onvoldoende weet van hun manier van leven.”

Ook het milieu waarin hij zelf verkeert, is nooit het milieu van zijn thriller-personages: “Ik zou er niet over piekeren een verhaal te laten spelen in universitaire kringen. Mijn boeken worden niet bevolkt door wetenschappelijk medewerkers, door advocaten, cellisten, of journalisten, zoals in veel Nederlandse romans het geval is. Het cultureel correcte milieu van mensen die de betere boeken lezen, naar het Concertgebouw gaan en op de NRC geabonneerd zijn. Ik wil niet zeggen dat het op voorhand oninteressant is, maar je leest altijd al over dit soort mensen. Ik vind het spannender als een schrijver er in slaagt om mensen uit een gemiddeld, alledaags milieu iets bijzonders te geven, zoals Graham Swift gedaan heeft in Last Orders, waarvoor hij de Booker-prize kreeg.” Hij omschrijft de personages uit zijn eigen boeken als “mensen die niet gestudeerd hebben, modaal leven en weinig ander perspectief hebben dan hun baan, hun eigen buurt.” Op mijn vraag of hij het saaie Hollandse rijtjeshuizenmilieu kiest om de bloedstollende gebeurtenissen die zich voltrekken beter te laten uitkomen, zegt hij: “Daar ben ik me niet van bewust. De personen die ik beschrijf zullen hun eigen leven ook helemaal niet als saai ervaren. Misschien kies ik mensen die niet zo gewend zijn te reflecteren over hun handelingen. Daardoor kan ik ze in sterkere mate slachtoffer laten zijn van de gebeurtenissen die met hen op de loop gaan.”

Hij vertelt over de research die aan zijn boeken vooraf gaat: voor Tegenliggers waarin de ondergang van een rij-instructeur wordt beschreven, liet hij zich informeren door een naburige rijschoolhouder en voor de thriller Vlekkeloos ging hij te rade bij de eigenares van de wasserette om de hoek. “Ik laat die mensen alles vertellen over hun werk, de procedures, problemen en conflicten waarmee ze te maken hebben. Bij zo'n gesprek krijg ik altijd eerst te horen: 'Nou meneer, als ik daarover begin kan ik wel een boek volschrijven', en dan duurt het tien minuten voor ze iets weten te verzinnen. De wasserettehoudster vertelde me hoe vaak het voorkomt dat mensen die hun was in een vuilniszak brengen de kleren per ongeluk langs de straat hebben gezet en met de vuilnis bij de wasserette komen. Zoiets kan ik natuurlijk goed gebruiken.”

Geronnen bloed (1994) is het enige boek van Appel dat begint als een klassieke politieroman. Er ligt een lijk en de politie gaat aan de slag. Er zijn een stuk of vier kandidaten die de moord gepleegd kunnen hebben, maar dan blijkt dat de schuldige in een heel andere hoek moet worden gezocht. Appel: “Ik wilde op dit bekende stramien variëren. Halverwege het boek ga ik van een politieroman over naar een psychologische thriller en richt ik de aandacht op één personage dat steeds meer klem komt te zitten en steeds nauwer bij de moord betrokken raakt. Voor ik dit boek schreef heb ik gepraat met een agent van de afdeling zware delicten bij de Amsterdamse politie. Maar mijn weergave van het politie-onderzoek is verre van realistisch. Als in Amsterdam een moord is gepleegd, houden tientallen rechercheurs zich daarmee bezig, maar in mijn boek laat ik het onderzoek over twee à drie agenten lopen omdat het anders onoverzichtelijk wordt.”

Tot nu toe werd één thriller van René Appel vertaald: De derde persoon verscheen in het Duits, wat hem een zeer lovende recensie in de Frankfurter Allgemeine Zeitung opleverde. Als ik hem vraag hoe zijn collega's op het Instituut voor Taalwetenschap op zijn werk reageren, begint hij te lachen. “Het klinkt EO-achtig, maar: heel positief. Men zegt wel vaak: 'Ik lees verder nooit detectives.' Dan antwoord ik: 'Dit zijn thrillers.' Of ze zeggen: 'Er is weer een boekje van je uit hè?' Dan denk ik: 'Het is een boek.' ”

    • Lien Heyting