Kleurendruk

De grote Duits-Amerikaanse kunsthistoricus Erwin Panofsky wilde absoluut geen kleurafbeeldingen in zijn boeken. Kleur was hem te verleidelijk, te suggestief. Bij zwart-wit weet iedereen dat het beeld niet klopt, moet hij hebben gezegd. Dat is te verkiezen boven het verhulde bedrog van een kleurenplaatje.

Als student had ik enige moeite met deze opvatting. Natuurlijk begreep ik wat Panofsky bedoelde, maar of dit argument sterk genoeg was om er het plezier van kleur voor in te leveren, betwijfelde ik. Kleurentelevisie was net op de markt verschenen, en hoewel ik daar eerst Panofskiaans-Spartaans mijn neus voor had opgetrokken, moest ik uiteindelijk toch toegeven dat het me veel meer voldoening gaf dan zwart-wit.

In de jaren zeventig veroverde kleur stormenderhand het kunstboek. Aan het begin van dat decennium was je als lezer al heel tevreden met vier of acht kleurplaten per boek, maar tegen 1980 ervoer je alles wat niet in full-color verscheen als magertjes. Goedkopere litho- en druktechnieken, agressievere marketing van kunstboeken, meer internationale co-producties en meer verwende lezers waren de oorzaak van deze nieuwe luxe. Vanaf dat moment lijkt een medelijdend glimlachje de enige juiste reactie op Panofsky's decreet, ook al laat het reproductieproces te wensen over.

Een mens krijgt veel meer kleurenillustraties onder ogen dan echte kunstwerken. Ons hele idee van kunst wordt veel meer door kleurenfoto's en -reproducties bepaald dan we ons realiseren. Uit zijn verband gerukt, van alle atmosfeer ontdaan, tot een willekeurig formaat verkleind, aan alle kanten afgesneden, in vier kleuren ontleed, vermalen tot rasterpuntjes, geplet tot een laagje drukinkt komt de kunst tot ons.

Ik had in geen jaren over deze kwestie nagedacht tot dat ik het geweldige nieuwe boek opsloeg van Jaroslav Folda, The art of the Crusaders in the HolyLand, 1098-1187. Na de inhoudsopgave, op pag. vii, nog voor het voorwoord of iets anders, schrijft Folda een inleiding bij de lijst van kleurafbeeldingen. Daarin geeft hij bij elke kunstvorm die door de kruisvaarders beoefend werd - miniatuur, mozaïek, goudsmeed-, ivoor- en borduurwerk (waarvan slechts één voorbeeld bewaard gebleven is), munten, bouw- en beeldhouwkunst - zijn mening over het belang van de kleur voor het bestuderen ervan, in een impliciete verdediging van de 41 kleurplaten in zijn boek. Wat een muizenissen, dacht ik, over iets wat zo langzamerhand de normaalste zaak van de wereld mag heten.

Na enig nadenken kon ik hier drie redenen voor verzinnen. In de eersteplaats studeerde Folda voor zijn kandidaats in Princeton toen Panofsky, aan het Institute of Advanced Studies, een grote figuur in dit geleerde bolwerk was. Folda was echter geen student van Panofsky maar van Kurt Weitzmann, en in diens boeken over Byzantijnse kunst staan wel degelijk kleurafbeeldingen - dus dat valt af. Ten tweede was Folda, toen ik hem als graduate student in Baltimore aan de Johns Hopkins Universiteit leerde kennen, ongelofelijk puriteins - en misschien is hij dit nog altijd. Sinds zijn eerste studiejaar was hij bijvoorbeeld niet meer naar de bioscoop geweest. Als je hem na een slopende dag in de bibliotheek vroeg of hij geen zin had in een voorstelling, keek hij je steevast meewarig aan, alsof hij je devotie voor de wetenschap ernstig in twijfel trok. Folda heeft waarschijnlijk nog altijd geen kleuren-tv in huis.

Een derde mogelijke reden heeft echter mijn voorkeur. Misschien duidt Folda's apologie op een kentering in onze houding ten opzichte van kleurendruk en op het reproduceren van kunst in het algemeen. Op een groeiend gevoel van onbehagen over de relatie tussen kunst en de 'reproducties' van kunst. Nog afgezien van de smaak van de technicus dwingt het proces je tot onaanvaardbare compromissen, zoals iedereen weet die wel eens met reproducties te maken heeft gehad. Tja, we kunnen hier meer rood toevoegen, meneer, maar dan wordt het plaatje eronder te geel, nietwaar? Mijn tolerantie voor de kwaliteit van het eindprodukt wordt steeds kleiner, naarmate mijn twijfel groeit of kunst wel reproduceerbaar is. Is dat de invloed van de tijdgeest of word ik net zo puriteins als Folda? Nog even en zelfs Panofsky's zwart-wit optie zou me dan wel eens te frivool kunnen worden.

Iedereen die gereageerd heeft op mijn oproep van twee weken geleden over ervaringen met of theoriëen over huilen bij kunst, heel veel dank. Ik zal zeker op dit onderwerp terugkomen, daarom blijven uw reacties van harte welkom.

    • Gary Schwartz