Katholieke illustraties; Opkomst, ondergang en herstel van het roomse leven

Herman Pijfers en Jan Roes: Memoriale. Katholiek leven in Nederland in de twintigste eeuw. Waanders, 398 blz. ƒ 115,- (tot 1 januari ƒ 85,-)

Vlak voor de zomer hief de Rotterdamse socioloog Zijderveld in deze krant een opmerkelijk lofzang aan op het katholicisme. Op voorbeeldige wijze zijn daarin - aldus Zijderveld - het esthetische en het rationele samengevloeid tot een godsdienst met een 'audiovisuele kracht' die het voor de huidige cultuur bijzonder aantrekkelijk maakt. Het katholicisme, zo vervolgde hij, biedt gezelligheid, vrolijkheid en een grote ruimhartigheid in de alledaagse moraal. Zijn conclusie: we gaan wat religie betreft een katholieke toekomst tegemoet.

Dat stukje besluit het imposante fotoboek Memoriale, dat een beeld wil geven van het katholicisme sinds 1918. Het werd samengesteld door de historicus Jan Roes, directeur van het Katholiek Documentatie Centrum, en Herman Pijfers, die zijn leven als uitgever in 1963 begon met de publicatie van het roemruchte boek Uit het rijke Roomsche Leven van Michel van der Plas. Sindsdien zijn er veel herdenkingsboeken verschenen waarin werd teruggekeken op een wereld die definitief tot het verleden leek te behoren, maar geen was er zo mooi, zo alomvattend en zo grondig gedocumenteerd als dit Memoriale. Weinige ervan eindigden ook zo optimistisch, want het Nederlands katholicisme bood sinds de jaren zeventig een weinig florissante aanblik.

Het is een boek geworden dat weinigen onberoerd zal laten, want het katholicisme maakt nog altijd heftige emoties wakker. Meer dan zevenhonderd foto's, waarvan veel voor het eerst gepubliceerd, en honderden tekstfragmenten belichten vrijwel alle facetten van het katholieke leven van de afgelopen tachtig jaar. Ze zijn afkomstig Cuit memoires, archieven, bewaarde brieven en krantenstukjes, en vooral uit de 'Memoriales' van de parochies, waarin alle gedenkwaardige gebeurtenissen werden opgeschreven en die dit boek zijn naam hebben gegeven.

Roes en Pijfers hebben het parochieleven in hun boek centraal gesteld. Om dat parochieleven draaide het alledaagse katholieke bestaan, met zijn kerkbezoek, zijn lidmaatschap van de meest uiteenlopende verenigingen, zijn vanzelfsprekende plichten en zijn clericale controle door middel van biecht en huisbezoek. Dat was een gemengde zegen, want het toezicht was niet altijd aangenaam en de geboden, vooral die van de huwelijksmoraal en het maatschappelijk standsbesef, niet altijd even verlicht.

Maar het katholicisme heeft zelfs in zijn strengste gestalte steeds achterdeurtjes open gehouden die de kerkelijke last draaglijk maakten. 'Streng op de preekstoel maar mild in de biechtstoel' was veelal het motto van de clerus. En ook de gelovigen hadden hun wegen om de kerkelijkheid van haar scherpe kantjes te ontdoen. Een echtpaar, dat van de dokter de raad had gekregen geen kinderen meer te krijgen, kreeg bij de dorpspastoor bij een vraag om dispensatie nul op het rekest, zo vertelt een van de in dit boek afgedrukte brieven. Een biechtvader in een Rotterdamse Redemptoristenkerk was soepeler. 'Zeker een wereldheer,' zei de pater, toen hij van de aanvankelijke afwijzing hoorde. 'Die zijn altijd al zo kinderachtig geweest.'

Zo'n praktijkgeval illustreert niet alleen de morele ruimhartigheid waarom Zijderveld het katholicisme roemt, maar ook de enorme diversiteit aan stijlen, gebruiken en opvattingen die de katholieke kerk binnen haar ruime boezem heeft weten te verenigen. Orde-geestelijken golden als toleranter dan wereldheren (priesters van een bisdom) en waren als biechtvader dan ook zeer geliefd. Dat gaf katholieken een speelruimte die men aan de monolitische gestalte, die de kerk naar buiten toe leek te zijn, niet gemakkelijk af zag.

Als iets het katholieke leven karakteriseerde, dan was het wel een horror vacui. Elk moment, elke handeling en elk zintuig werd door de kerk voor zich opgeëist, met een onontkoombaarheid die ondraaglijk zou zijn geweest als de katholieke geest zelf niet voor de nodige ontspanning en speelruimte had gezorgd. Die volte zorgde er zorgde er intussen wel voor dat het leven tot in de kleinste details met betekenissen was beladen, met als confortabel resultaat dat katholieken nooit aan de zin van hun bestaan hoefden te twijfelen.

Dat roept bij het lezen van dit boek soms gemengde gevoelens op, die ook in enkele van de opgenomen teksten doorklinken. Al lang voor het Tweede Vaticaans Concilie werd er wel eens aan de tralies van het kerkelijk bewind gemorreld, en volstrekt bewegingsloos bleef het daar niet onder. In tegendeel, de kerk legde een tomeloze energie aan de dag om de behoeften van haar gelovigen te kanaliseren, van jeugdbeweingen en sociaal werk tot retraites, en die inspanning dwingt nog altijd bewondering af.

Vooral hierop leggen Roes en Pijfers in hun boek de nadruk, en dat geeft het boek een licht apologetische toon, waarin het zich niet alleen als een terugblik op, maar ook als een produkt van de achterliggende eeuw laat kennen. In deze eeuw werd de katholieke zuil een zelfbewuste geleding, zo zelfbewust dat ze zichzelf tenslotte ook weer durfde af te breken. Maar in zijn hart is het katholicisme nooit helemaal het minderwaardigheidscomplex kwijt geraakt dat laatgekomenen en parvenus nu eenmaal kenmerkt. Tussen de jaren twintig en zestig trachtte ze dat in triomf te overschreeuwen, maar de angel bleef, zoals de historicus Rogier aan het eind van de jaren vijftig nog kon constateren. De gevestigde (niet in de laatste plaats intellectuele) kringen strooiden bovendien graag zout in de wonde. Op pijnlijke wijze moest de katholiek kerk vaak constateren dat zij buiten eigen kring gold als iets duisters en unheimlichs: een cultuur van achterbaksheid, vreemde gewoonten en slechte gebitten.

In hun bestandsopname lijken Roes en Pijfers nog één keer het valse beeld te willen rechtzetten. Breed wordt de belangeloosheid van al die lekenorganisaties, het vaak heroïsche optreden van de clerus (niet in de laatste plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog) en de authentieke vroomheid van het kerkvolk uitgemeten. En dat is terecht, want het is te vaak ontkend of onderschat. Maar niet terecht is dat zij geen woord besteden aan de aantrekkingskracht die het Italiaans fascisme in de jaren dertig op talrijke katholieken uitoefende, en de openlijke steun voor de opstand van Franco, voor wiens troepen Nederlandse meisjes in parochieverband sokken breiden. Dat hadden ze beter wel kunnen doen. Het had het boek tot het definitieve herdenkingsalbum kunnen maken, wat het nu net niet geworden is.

De binnen- én buitenkerkelijke normalisering, die dit boek in het Nederlands katholicisme signaleert, had daarvoor in ieder geval alle ruimte geboden. Er was misschien een diepe depressie als die van de jaren zeventig en tachtig voor nodig om het katholicisme van zijn historische belasting te ontdoen. Zoals het laatste deel van dit boek duidelijk maakt, is het de kerk zelf geweest die deze zelfontlediging bewust in gang heeft gezet en voltrokken. De plotseling omslag die de Nederlandse kerkprovincie in de jaren zestig doormaakte heeft de hele wereld verbaasd: van Rome's meest getrouwe kudde tot de rebelse gideonsbende die alles anders wilde. Een tijd lang, schrijven Roes en Pijfers, werd kerkvernieuwing een belangrijk Nederlands exportprodukt.

In werkelijkheid was die kerkvernieuwing geen breuk, maar een logische voortzetting van de geloofsijver die de kerkprovincie ook de voorafgaande decennia getekend had. Nederlandse katholieken namen hun geloof zeer serieus, zoals trouwens ook de niet-katholieken dat met hún opvattingen deden. In Nederland waren de gelovigen geloviger en de niet-gelovigen ongeloviger dan overal elders, heeft de Amerikaanse socioloog James Kennedy vorig jaar al geconstateerd.

Dat werd na het Tweede Vaticaans Concilie niet anders. Alleen betekende geloof nu niet langer gehoorzaamheid maar persoonlijke (niet in de laatste plaats politieke) verantwoordelijkheid. Dat was van oudsher een protestants principe en daarom leek de katholieke kerk in Nederland een tweede reformatie door te maken. Aan de basis ervan lag echter nog altijd dezelfde begeestering die, aangestoken door een geest van avontuurlijkheid, moeiteloos van behoudzucht naar rebellie kom omzwaaien zonder zichzelf ontrouw te worden.

Op één punt heeft de neo-conciliaire vernieuwingsbeweging zich echter verkeken. Met haar verinnerlijking, die komaf maakte met het grootste deel van katholieke uitwendigheid en zintuiglijkheid, raakte ze wel degelijk aan de katholieke kern. Die lag, anders dan ze in haar geloofsijver meende, niet in het geloof of de overtuiging van de ziel, maar in de vormen en tradities die in die jaren als 'lege poespas' massaal overboord werden gezet.

Veel minder dan het protestantisme - en trouwens ook veel minder dan de kerkleiding zelf wel wilde - werd het katholieke leven bijeengehouden door het geloof, en veel meer door de tastbare vorm waarin dat beleden werd. Toen het tweede terwille van het eerste werd uitgekleed, verdween ook het 'katholieke' dat veel Nederlanders aan de kerk bond. De terugval in de kerkgang vond pas in de jaren zeventig plaats: niet tijdens de opwindende periode van kerkelijke vernieuwing, maar bij het zichtbaar worden van de resultaten daarvan.

Het katholicisme was (en is) een godsdienst van uiterlijkheid, ook al werd er in de Nederlandse kerkprovincie van oudsher relatief dieper ('protestantser') geloofd dan elders. Dat is altijd de zwakheid èn de kracht ervan geweest. Zwak stond het op zijn theologische grondvesten. Wie het Nieuwe Testament werkelijk serieus neemt, kan moeilijk om de protestantse vroomheid heen. Maar wie in de godsdienst naar een maatschappelijk bindmiddel zoekt, dat haar leden dagelijks ervan doordringt in het leven een plaats te hebben en gerechtvaardigd te zijn, kan zich geen betere vorm dan het katholicisme wensen.

Het is dan ook niet verwonderlijk dat een socioloog als Zijderveld vooral op deze kenmerken wijst, wanneer hij het katholicisme als het geloof van de toekomst aanwijst. Hij gaat daarmee flagrant voorbij aan de doctrinaire kant van de religie, maar met een zeker recht. Het geloof werd (en wordt) in het katholicisme weliswaar verondersteld, maar was in het katholieke leven voornamelijk formeel aanwezig. Ook in dit Memoriale komen leerstellige en theologische zaken opvallend weinig aan de orde. Alleen in de jaren zestig domineren ze het kerkelijk leven, maar dat blijft een uitzondering.

Dit boek eindigt met een optimistische toon en dat heeft alles te maken met de huidige herwaardering van rituele vormen als iets waar het leven niet buiten kan. Dat het katholicisme daavan van oudsher zijn specialiteit maakte, bewijst het Memoriale op indringende, vaak zelfs ontroerende en aangrijpende wijze. Maar hoe belangrijk en overheersend die vormen en uiterlijkheid ook waren, ze konden alleen maar bestaan dankzij een geloofsovertuiging die hen zinvol maakte. Het opzetten van de kerststal mocht voor katholieke kinderen (en volwassenen) dan nog zo'n lang verbeid feest zijn, dàt hij gezet werd wortelde onmiskenbaar in de zekerheid dat de verlosser werkelijk geboren was. Toen die zekerheid verdween, kwam de kerstman breed door de voordeur binnen.

Of die katholieke overtuigingen net zoveel toekomst hebben als de rituelen waarin ze worden uitgedrukt, lijkt me nog geen uitgemaakte zaak. En of die rituelen zonder een - desnoods minimale - inhoud op den duur kunnen overleven lijkt me nog twijfelachtiger. Zelfs het in veel opzichten zo laconieke katholicisme kan niet overleven in de vorm van een postmoderne ironie. Wat er van het katholicisme ook zal resten, het zal ongetwijfeld een bastaardvorm zijn van oude vormen en nieuwe vroomheid: een mengsel van christelijkheid en pragmatisch heidendom. Zo is het tenslotte altijd al geweest.

    • Ger Groot