Ik hoorde gedempt hoefgetrappel op het dak

De stukjes die Tonny van der Horst schreef zijn verzameld in: Vroeger leeft nog. Herinneringen aan oud-Rotterdam. Uitg. Atlas, 126 blz. ƒ 24,90

Omstreeks het eind van november hing er een ondefinieerbare opwinding in de lucht, die iets geheimzinnigs en tegelijk heerlijk angstigs had en onmiskenbaar met het naderen van de vijfde december en de lange, donkere wintermaanden had te maken. Bij de banketbakkers Verhave en Ales tegenover ons huis in de Zwartjanstraat en bij Jamin op de hoek van de Jacob Catsstraat hing de bekende plaat van een wuivende Sinterklaas op zijn schimmel weer tegen de etalageruit, waarachter op trapsgewijs gedrapeerde lakens een overvloed aan zoetigheid was uitgestald. In het speellokaal van de bewaarschool zongen we in een halve kring om de piano 'Zie de maan schijnt door de bomen' en 'Zie ginds komt de stoomboot', wat we pas hadden geleerd en waarbij juffrouw Ladage haar handen zo krachtig op de toetsen liet neerkomen dat het parelsnoer in de v-vormige uitsnijding van haar blouse zacht meetrilde.

Ter bezuiniging van elektriciteit aten we op aandringen van mijn moeder al om halfvijf - 'nog bij daglicht' noemde ze het - en wanneer ze na afloop van de maaltijd haastig en bijna op de tast de afwas deed, zag ik in de vallende duisternis vanuit het raam in de achterkamer nog net de slip van een rode mantel om de hoek van het gevangenisgebouw verdwijnen, of was ik ervan overtuigd de vage omtrekken van een paard tussen de kale populieren langs de muur te zien weggalopperen. Voor het naar bed gaan zette ik mijn schoen klaar, waar 's ochtends weleens een fondantje in lag, wat mij telkens opnieuw voor een raadsel stelde, ook omdat het niet via de kachelpijp in de asla was beland; en als de wind aanwakkerde en de storm door de schoorsteen loeide, hoorde ik duidelijk een gedempt hoefgetrappel op het dak.

Het wonderlijkste van al deze wonderlijke dingen was echter de gunst die Sinterklaas mijn vader had verleend door hem als zijn enige plaatsvervanger aan te stellen (de nachtelijke tochten over de daken natuurlijk niet meegerekend) wanneer hij ondanks de hulp van zijn zwarte Pieten het vele werk in Rotterdam en omstreken niet meer aankon. Alle andere Sinterklazen - ook wel 'Hulpsinterklazen' genoemd - waren gewone verklede mannen, werd mij gezegd, die de verregaande brutaliteit hadden zich op eigen houtje voor hem uit te geven, zonder zich van de ernst van hun taak bewust te zijn.

Daarentegen leefde mijn vader zich met zoveel plezier en toewijding in zijn rol in dat hij ruimschoots de tijd nam om allerlei voorbereidingen te treffen, hetgeen niet alleen voor de nodige bedrijvigheid zorgde maar ons ook ruim van tevoren in een feestelijke stemming bracht. Zo werd er druk gecorrespondeerd met de families bij wie hij zijn opwachting zou maken, de deugden en ondeugden van hun kinderen werden in het befaamde dikke boek opgeschreven, de duur van de bezoeken werd genoteerd en meermalen moest er met de man van het taxibedrijf worden onderhandeld. Uit een speciale kist, die bij het openen een penetrante kamfergeur verspreidde, werden de zilvergrijze pruik, snor en baard met dito wenkbrauwen te voorschijn gehaald, de prachtige fluwelen mantel werd op zolder te luchten gehangen en zowel het kruis op de mijter als het goud van de staf werd met verguldsel bijgewerkt, terwijl de laatste, die met het oog op het vervoer per auto op een ingenieuze manier in en uit elkaar geschoven kon worden, een grondige oliebeurt kreeg.

De vijfde december, en ook de dag ervoor en de dag erna, werd ons woonvertrek herschapen in een rommelige kleedkamer, waar mijn vader zich schminkte en ten minste honderd jaar leek zodra hij de pruik had opgezet en de baard en alles wat erbij hoorde op zijn gezicht had geplakt. Ik moest wel even aan zijn gedaanteverwisseling wennen en keek hem met gemengde gevoelens van trots en bevreemding na als hij, licht nijgend naar de mensen die op het trottoir bleven stilstaan, in vol ornaat het huis verliet, waarheen hij na elk bezoek kortstondig terugkeerde, met enthousiaste verhalen en een envelop die mijn moeder met een blij gezicht in ontvangst nam. Op de avond zelf spoedde hij zich echter zonder onderbreking van het ene adres naar het andere en gingen mijn moeder en ik Sinterklaas bij haar zuster vieren, die met haar gezin aan de Noordsingel woonde, waar ook grootmoeder met haar ongetrouwde dochters nooit ontbrak.

Ieder jaar stond er onveranderlijk een pan chocolademelk op de haard en zaten we met ons allen - ik tussen mijn nichtje Annie en haar oudere zusje Dina - in gespannen verwachting om de tafel met de boterletter van Pukkel, de glimmende borstplaatjes van Pel en de brosse, lichtbruine speculaasjes met een vliesdun laagje poedersuiker, die onbeschrijfelijk lekker waren. En altijd speelde Dina op de piano haar hele repertoire sinterklaasliedjes af, die door de familie werden meegezongen, terwijl Annie en ik zalig huiverend en met een brok in onze keel luisterden of we de bel hoorden overgaan. Want steeds verliep ons samenzijn volgens een vast programma, waartoe ook de waarschuwing van mijn vader behoorde dat we niet al te vast op een bezoek van Sinterklaas moesten rekenen, omdat het niet zeker was wie van beiden - de oude bisschop in hoogsteigen persoon of hijzelf als zijn plaatsvervanger - daarvoor nog tijd zou hebben. Maar wij wisten uit ervaring dat er, naarmate de avond vorderde en we bijna de hoop hadden opgegeven, op een gegeven moment heel hard zou worden gebeld en dat er vervolgens een diepe, veelbetekenende stilte zou vallen waarin Annie en ik ons niet meer durfden te verroeren. Als het dan eenmaal zover was en Sinterklaas toch nog plotseling op de drempel verscheen, in een aureool van rood en goud en met de fonkelende ring aan een van zijn gehandschoende vingers, vergaten we in paniekerige verwarring erop te letten of het nu wel of niet mijn vader was. Pas wanneer hij afscheid had genomen en ons uit een soort jutezak, die heimelijk achter zijn stoel was neergezet, het gebruikelijke gele suikerbeest, de letter, speculaaspop of het wiegje van chocola met een bakerkindje onder een roze geglazuurd dekentje ten geschenke had gegeven, vroegen Annie en ik ons de verdere avond fluisterend af of het misschien wel de echte was geweest.

Een paar jaar later legde Greta Vergoes me op weg naar school uit dat Sinterklaas niet bestond. Ze zat bij mij in de tweede klas, en toen zij de verbijsterende woorden uitsprak, naderden we juist de waterstokerij in de Ackersdijkstraat, waar een vrouw met een dampende emmer heet water naar buiten kwam. Zonder de rest van Greta's betoog aan te horen, staarde ik door de geopende deur naar de grote lichtblauwe koffie- en theeblikken van Van Nelle en wilde het liefst hard weglopen. Ik weet niet meer wat ik tegen Greta heb gezegd, maar terwijl ik werktuiglijk naast haar voortliep, dacht ik aan mijn vader en de rol die hij elk jaar met zoveel overtuiging speelde, en wist dat ik altijd in Sinterklaas zou blijven geloven, ook als het waar was wat zij had verteld.

    • Tonny van der Horst