Het Macondo van Mak; Een dorp aller dorpen

Geert Mak: Hoe God verdween uit Jorwerd. Atlas, 269 blz. ƒ 39,90

'Sietske werd in oktober 1952 ziek. Ze had alles overleefd, maar leverkanker niet. Ze stierf thuis, onder veel pijn. Na de begrafenis was er thee met een krakeling.'

Het getuigt van meesterschap, zo'n zin en je komt ze bij Geert Mak met grote regelmaat tegen: feit, sfeer, leed en dan plotseling die punchline, die doodrustige relativering, waardoor je als lezer achterblijft met een glimlach van weemoed.

Het interessante is dat Geert Mak in deze toon lijkt samen te vallen met de mensen over wie hij schrijft: de bewoners van het Friese dorp Jorwerd. Hij is zelf een Jorwerter geworden, het Friese bloed in hem is gaan borrelen en bruisen, hij is de melkvaarder, de kruidenier, de smid, de schilder en de boer en de lezer wordt onherroepelijk overvallen door een gevoel van schuld. De lezer is namelijk de Ander, de stedeling, die de modernisering op zijn geweten heeft: jullie, of misschien moet ik zeggen 'wij', degenen die denken in termen van tijd en geld en degenen die de tractor bedachten, de melkmachine, de dorsmachine, de ruilverkaveling, de superheffing en de mestquota, om maar te zwijgen over de televisie, de supermarkt en de vakantiebungalow - achteloos hebben wij een duizenden jaren oude levenswijze laten vergaan, een stuk van onze geschiedenis van de aardbodem geveegd. Wij, de lezers van dit belangrijke boek van Geert Mak, Hoe God verdween uit Jorwerd, wij hebben er geen traan om gelaten, we hebben er geen glas melk minder om gedronken, alsof het nergens vandaan kwam, of zoals mijn zoontje laatst vaststelde: 'melk, die komt uit de koelkast van de winkel'.

Waar haalden we het recht vandaan om de wortels van bestaan en de bronnen van eigenwaarde van een aloude gemeenschap aan te tasten? Steden zijn er een paar duizend jaar, nationale staten bestaan pas enkele eeuwen, maar de dorpsgemeenschap is iets van de hele menselijke geschiedenis; alleen al uit eerbied voor de ouderdom hadden we moeten voorkomen dat die in amper vijftig jaar tijd werd uitgeroeid.

En toch klinkt Geert Mak geen moment verontwaardigd en dat is, ik zei het al, ware meesterschap. Waar haalt hij al die tederheid vandaan, voor de slachtoffers én de daders, hoe vermijdt hij het goedkope moralisme, de makkelijke veroordeling, het directe politieke verwijt? Geert Mak lijkt altijd in evenwicht met zichzelf, hij is overtuigend in zijn zachtheid en zo dicht op de huid van al die vreemde wezens uit Jorwerd, Peet en Folkert, Fedde en Minne en Eef, met hun roodgegroefde gezichten, dikke maar sterke lijven, glad opgeknipte blonde haren, littekens en builen van het zware boerenwerk. Dat is wat hij ook in zijn eerdere boek De Engel van Amsterdam deed: het schijnbaar overbekende maakt hij vreemd, onopvallende mensen worden absurd en bijzonder, zoals Peet in Hoe God verdween uit Jorwerd die de wereld in had gewild en daarom op zijn fietsje stapte richting Spanje. Hij reed door het 'platte land zonder echo', over de Afsluitdijk, hij kwam tot in Hoorn waar zijn vader hem inhaalde en hem mee terug nam naar huis.

Sommige denkers beweren dat de westerse beschaving op twee pijlers steunt: een romantische en een rationele. De laatste kennen we maar al te goed, het is de stroming van Verlichting en vooruitgang, berekening en verandering, die de wereld de modernisering en verstedelijking heeft gebracht. De romantische pijler is die van de herinnering, het gevoel, de traditie, die gemeenschap en geborgenheid onderzoekt. In Hoe God verdween uit Jorwerd gaat het om de botsing tussen deze twee levenshoudingen, verbeeld in termen van stad en platteland en vanuit het perspectief van het laatste, de verliezende partij, het arme Jorwerd met zijn driehonderdendertig inwoners. Tot enkele decennia geleden was het een kleine, autonome boerengemeenschap waarin 'vaders, zoons, moeders, dochters, grootouders en kleinkinderen het grootste gedeelte van de dag in elkaars fysieke nabijheid verkeerden en het meeste werk samen deden'. Ze hadden een groot ontzag voor grond, dier en natuur en ze bevochten hun brood met taaiheid en volharding. Deze strijd maakte hen tot een ander slag mensen, met een eigen manier van werken en herinneren, spreken en zwijgen, met eigen rituelen en een vaag onderscheid tussen het persoonlijke en het openbare. Ze deden alles met elkaar en voor elkaar en letten daarom goed op elkaar.

Toen kwamen de veranderingen: de melkmachine maakte de knechten overbodig en de drukte in de stal verdween. De koeltank maakte de melkrijder overbodig en er kwamen vacuümleidingen, elektrische bedradingen en leningen bij de bank voor maaidorsers, bietenrooiers, beregeningsinstallaties, spuitmachines, zodenbemesters, hydraulische schudders. De eeuwenoude stilte ging verloren, de hoeven van de paarden op de straatkeien, de klompen van de knechten, de hamerslagen van de smid werden overstemd door de modernisering.

Ook de kleuren en vormen veranderden: de gele hooibergen werden blokken van zwart plastic, het wit van de madelieven, het geel van de paardebloemen en het rood van de zuring werd vervangen door het eeuwig groene Engelse zaaigras. Op de boerderijen verschenen silo's en loodsachtige ligboxstallen. Zelfs de geuren bleven niet hetzelfde: vroeger had de mest een warme, niet onprettige geur. Maar de gier die sinds de jaren zeventig uit de stallen kwam rook scherp en gemeen door het krachtvoer, het spoelwater en de nageboortes die door de betonnen roosters waren weggetrapt.

De boeren werden zakelijker en materiëler, ze moesten risico's nemen en grote investeringen doen en wie te weinig grond of moed had, kon ophouden. De rijken werden rijker en de armen vertrokken naar de stad. De achterblijvers kochten auto's en verfraaiden hun woningen volgens de folders van de doe-het-zelf-zaken, de jongeren gingen naar disco's en de ouderen uit eten. De eigen kruidenier en het eigen café werden verwaarloosd: 'In de dijk van trouw en traditie vielen steeds meer gaten en ineens was de dorpseconomie weggespoeld en leek het alsof die nooit had bestaan'.

Geert Mak vertelt het met kalmte en hartstocht tegelijk en je voelt zijn pijn als hij het over de nauwkeurige protocollen bij kraamvisites en begrafenissen van vroeger heeft. En de bruiloften! Aan de hand van oude huwelijksportretten 'met gezichten van hout, arm aan uitdrukking, bang voor het tonen van gevoelens, de handen zwaar in de schoot, als werktuigen en gereedschappen' beschrijft hij de liefde tussen boer en boerin: 'minder romantisch, maar ook minder ijl', want de bruid moest per slot vooral wat land of geld meebrengen, een flink stel handen hebben en goed met de knip kunnen omgaan. En genegenheid was er wel degelijk, als je de boer beluistert die over zijn vrouw zegt: 'Je bent zo heerlijk, mijn grote lieve schat, je bent zo fris, net een groot veld kool'.

Het zal duidelijk zijn: dit boek gaat niet over Jorwerd alleen, het gaat over alle dorpen in de wereld, de oudste levensvorm die we kennen, waar al onze voorouders, onze collectieve herinneringen, onze hoogste waarden en mooiste verhalen vandaan komen. Het Jorwerd van Mak is als het Macondo van García Márquez, het is geen plaats maar een gemoedsgesteldheid, een besef van de teloorgang van intimiteit, gezelligheid en saamhorigheid.

Maar hier merken we ook het grote verschil: Macondo is niet alleen een zacht wolkje in de hemel van het verleden, maar tevens een kolkende vuurhaard in de hel. Er is ook nijd, haat en domheid, er is roddel en achterdocht, misverstand en drama. En dat komen we bij Geert Mak niet tegen. Zelfs waar hij het wantrouwen van de boeren beschrijft, klinkt het pittoresk en onschuldig en zelfs tegenover de NSB-ers in de Tweede Wereldoorlog is hij vergevingsgezind, omdat er ook boeren waren die joodse onderduikers in huis namen met de uitspraak: 'Nou ja, breng ze maar, het is anders ook zo sneu voor die mensen'.

Geert Mak erkent wel dat er zoiets bestaat als een 'dorpsbeklemming', omdat men in zo'n kleine gemeenschap die op elkaar is aangewezen erg naar elkaar kijkt, terwijl buitenstaanders worden geweerd, maar hij voegt er schouderophalend aan toe dat hij 'eerlijk gezegd vond dat het in alle opzichten meeviel'.

Er kan ook een teveel aan tederheid zijn, denk ik dan. Want ook al wil Geert Mak niet suggereren dat het vroeger beter was, ook al geeft hij aan hoe wreed en vreselijk het bestaan was dat deze mensen leidden en dat de jongeren misschien wel gelijk hebben als ze hun vaders en moeders niet willen opvolgen, de toon blijft onverbloemd nostalgisch. Jorwerd is geen universum geworden van goed èn kwaad, maar een herinnering die alleen maar aandoenlijk is. De romantiek wint het al te makkelijk van de Verlichting en voor een evenwichtig mens als Mak is dat hoogst merkwaardig.

Het komt waarschijnlijk doordat Geert Mak zich vooral tot ons wendt, zijn lezers, de stedelingen. Hij wil niet ook de dorpelingen een spiegel voorhouden, maar ons wijzen op onze onachtzaamheid - wat hij overigens schitterend doet, op een toon die alleen hij beheerst en met een effect waar ik dagen onder geleden heb: een diep knagend gevoel van weemoed.

    • Anil Ramdas