Het eenmanstijdschrift

De redactie van het tijdschrift De Parelduiker is opnieuw op een goed idee gekomen. Het zojuist verschenen nummer is gewijd aan het eenmanstijdschrift, het blaadje dat de schrijver zelf volschrijft, laat drukken of kopiëren, verspreiden, of beter nog, ook dat allemaal in eigen hand houdt.

Zo'n blaadje - het klinkt in dit geval niet denigrerend - is een van de mooiste verschijnselen die een schrijfcultuur kan voortbrengen; niet omdat alles even meeslepend, onthullend, scherpzinnig of ontroerend is maar omdat daarmee de schrijver bewijst dat de combinatie van het schrijven en wereldkundig maken zijn diepste drang is. Een dubbeldrang. Men zal zeggen: die heeft iedere schrijver, dichter, filosoof. Wat men denkt kan men nog altijd voor zich houden en wat men zegt is meestal de volgende seconde door spreker en luisteraar weer vergeten. Maar alles wat geschreven wordt, uitgezonderd misschien het dagboek, dient om te worden gelezen. Dat is waar, maar vrijwel altijd komen derden zich ermee bemoeien: redacteuren, de posterijen, de uitgever. In zijn eenmansblaadje heeft de schrijver van niemand last. Hij is behalve schrijver activist geworden. Hij is verwant aan de jongen die houtskool, salpeter en zwavel tot zijn eigen buskruit mengt (wat, zoals Rudy Kousbroek heeft geschreven, de kroon op het jongensleven is). Zoals een man als kind zijn eigen buskruit moet hebben laten ploffen, zo hoort een schrijver vroeg of laat zijn loopbaan te voltooien door zijn eenmanstijdschrift te maken. (of een schrijfster haar, vanzelfsprekend).

Wie er nu mee begint heeft beroemde voorgangers. Politics van Dwight Macdonald, I.F.Stone's Weekly van I.F.Stone, Maintenant van Arthur Cravan, Jacques Gans met zijn Weekblad tegen het publiek, en recent, de Feuilletons van Jeroen Brouwers en The Daily Invisible van Julius Vischjager. Horen Hermans' Mandarijnen op zwavelzuur tot het genre? Meer met enige regelmaat verschenen deeltjes, zou ik zeggen; ieder deeltje gewijd aan een mandarijn.

Hierin schemert al het begin van een definitie. In ieder nummer van een eenmanstijdschrift worden zoveel mogelijk onderwerpen aangesneden; meer aangesneden dan behandeld. De redacteur leeft voortdurend in hetzelfde dilemma. De onzin, het geklets, het gelieg van de wereld zijn hem dagelijks teveel. Omdat hij een in alle opzichten actieve natuur heeft, moet hij er iets aan doen, niet om meteen te verbeteren (want die hoop heeft hij misschien al lang geleden opgegeven) maar om te laten weten dat hij er niet het slachtoffer van is geworden. Daartoe komt hij handen, tijd en inkt tekort. Om de veelheid van het gebeuren toch te kunnen bijhouden, beperkt hij zich tot aansnijden, zo scherp en zoveel mogelijk. Vandaar dat de meeste eenmanstijdschriften een overvolle indruk maken. Dat is, in dit geval, het waarmerk en een van de beste kwaliteiten.

Waarom zoekt iemand die het zo druk heeft, niet een bondgenoot of een hulpje? Omdat buiten de redacteur zelf niemand valt te vertrouwen. Het kan zijn dat een eenmanstijdschrift als alliantie is begonnen, maar dan is het zeker dat zich binnen de tijd van twee of drie afleveringen een probleem zal hebben aangediend waarover het bondgenootschap het niet eens kan worden. Vervolgens zijn er twee mogelijkheden: de oprichter gooit zijn makker eruit en gaat alleen verder, wat het beste is maar hij had zich de misère kunnen besparen door er meteen zijn solo van te maken; of hij doet water in zijn wijn en daarmee is eigenlijk de onderneming in de kern bedorven. Artikel een van het tijdschrift is: Hier worden geen compromissen gesloten.

Zo komen we aan een andere wezenseigenschap van het genre: het is naar inhoud èn vorm totaal eenmans. Vroeg of laat vallen de meeste schrijvers met hun manuscripten in handen van een of meer vormgevers die hun eigen denkbeelden over lettertype, lay-out, omslag en illustraties hebben. Wat deze deskundigen bedenken - zeker, met de beste bedoelingen - komt op z'n best in de verte overeen met wat de auteur zich heeft voorgesteld. Na onderhandelingen volgt het compromis, bij een roman of ander boek met een eenheid van inhoud voor de schrijver misschien nog te verdragen, maar niet voor de eenmansredacteur. Het beeld, de vorm, hoort evengoed tot het totaal, want anders verdient het die naam niet, en het bewijs van iedere inmenging wordt de schepper op den duur een kwelling.

Men denkt weleens dat het eenmanstijdschrift een zwaktebod is, of het laatste redmiddel voor iemand die zijn geschriften nergens gedrukt krijgt, of die te verlegen is om naar een uitgever te gaan. Het is andersom. De rest is te dom om met de eenmanstijdschriftmaker op voet van gelijkheid te verkeren. Zijn blaadje is een bewijs van hoogmoed die niet valt te bestrijden.

    • H.J.A. Hofland