Essays over cultuurkritiek; De volstrekte pessimist schrijft geen boeken

Remieg Aerts en Klaas van Berkel (redactie): De pijn van Prometheus. Essays over cultuurkritiek en cultuurpessimisme. Historische Uitgeverij. 302 blz. ƒ 65,-

'Ondergangsprofetieën, jammerklachten over het verval van onze beschaving - dat zijn zetten in de ondermijningstactiek van haar belagers', schreef de historicus Pieter Geyl in zijn afscheidsrede als hoogleraar in 1958. En tegen de 'campagne van pessimisme en zelfkritiek, waarmee men het erop toelegt ons moreel aan te tasten' hield hij een geharnast pleidooi voor de 'vitaliteit van de westerse beschaving'. Tegen de achtergrond van de Koude Oorlog, toen het Sovjet-communisme een reële bedreiging inhield, is Geyls pleidooi alleszins begrijpelijk. Maar men kan het ook opvatten als een reactie op de gangbare - vaak zeer pessimistisch getoonzette - cultuurkritiek, die zelf eveneens een vorm van cultuurkritiek vertegenwoordigt.

'Cultuurkritiek is een onderwerp zonder vaste grenzen', schrijven Remieg Aerts en Klaas van Berkel in De pijn van Prometheus, een bundel essays over cultuurkritiek en cultuurpessimisme. Geyls anti-cultuurpessimistische cultuurkritiek suggereert iets van de mogelijke ruimte. Voor Aerts en Van Berkel markeert diens afscheidsrede het einde van de 'cultuurkritiek-oude stijl' in Nederland, die onder meer in Huizinga's bezorgde beschouwingen over de verwording van de moderne beschaving een welsprekende stem had gevonden.

Huizinga was één van de velen, in binnen- en buitenland. Hij past in een lange traditie van cultuurkritiek en cultuurpessimisme, die al in de Oudheid is begonnen. In zijn inleiding bij de bundel citeert Remieg Aerts Cicero's bekende 'o tempera o mores' en wie goed zoekt zal ongetwijfeld nog vroeger kunnen uitkomen. Klachten over het verval zijn van alle tijden. Maar voor een zinvolle behandeling van het genre is iets meer rigueur gewenst. Aerts legt dan ook terecht een cesuur bij de achttiende eeuw, toen voor het eerst het begrip cultuur zijn intrede deed als aanduiding voor het geheel van de - inmiddels geseculariseerde - beschaving, nauw verbonden met een door de mens zelf voortgebrachte Vooruitgang.

'Juist van dit Vooruitgangsgeloof is de cultuurkritiek de schaduw', schrijft Aerts, aldus onderstrepend hoezeer cultuur en cultuurkritiek met elkaar verbonden zijn. Omdat in het moderne cultuurbegrip altijd ook een norm besloten ligt, lokt het zijn kritiek vanzelf uit, bij elke al dan niet vermeende afwijking. In feite betreft het een zelfkritiek van de westerse cultuur, die grofweg in de tegenstelling tussen Verlichting en Romantiek haar woelige bedding heeft gevonden.

Willekeur

Om hieraan in één boek recht te doen, is onmogelijk. Daarvoor zijn er in de loop van de tijd te veel critici, pessimisten en hoopvol gestemden, opgestaan. Er moet gekozen worden. Men zou, uitgaande van Aerts' inleiding, een reeks exemplarische cultuurcritici kunnen behandelen of men zou een aantal telkens terugkerende thema's door de tijd heen kunnen volgen. Helaas laat De pijn van Prometheus, ondanks de mooie titel, de lezer hier een beetje in de steek. Alle bijdragen zijn afkomstig van een Gronings symposium van 'enkele jaren geleden' en dat is in de willekeur van de samenstelling te merken.

Alle essays zijn op zichzelf de moeite waard, maar een representatief beeld van de cultuurkritische traditie komt er niet uit naar voren. Zelfs de in de inleiding gestelde tijdlimiet wordt overschreden. Want Karin Tilmans reconstructie van de Bataafse mythe in de vijftiende eeuw en Wessel Kruls verkenning van de klassieke pastorale mogen dan bepaalde cultuurkritische elementen blootleggen - modern, dat wil zeggen gerelateerd aan enig Vooruitgangsgeloof, kunnen die onmogelijk worden genoemd.

Voor de overige bijdragen geldt dit bezwaar niet. Oswald Spengler, gezien door de bril van de Nederlandse dichters A. Roland Holst en Marsman, Sigmund Freud, P.J.Bouman en Hans Freyer behoren inderdaad tot de moderne cultuurkritiek. En zo is het ook met de teloorgang van de 'zedelijkheid', die Henk te Velde schetst in zijn essay over dit op ethiek en seksualiteit slaande begrip en het gebruik dat ervan werd gemaakt in het verzuilde Nederland.

Een rode draad in de bundel is het verschil tussen cultuurkritiek en cultuurpessimisme. Tot de pessimisten worden Spengler en Freud gerekend, en - met een slag om de arm - Bouman. Het verschil zit hem vooral in het ontbreken van een hoopvol perspectief. Terwijl de meeste cultuurcritici bij alle ergernis toch nog altijd de deur op een kier laten, is bij pessimisten de mogelijkheid van een gunstige ommekeer uitgesloten. Zij gaan uit van een deterministisch geschiedbeeld waarin de ondergang bij voorbaat is gegeven, of zij zien, in navolging van Rousseau, de cultuur zelf als een fatale kracht die het verval onherroepelijk maakt.

Toch lijkt het onderscheid mij in de praktijk minder eenduidig dan het in de bundel wordt voorgesteld. Neem Freud, over wie Frank Ankersmit een doorwrocht essay heeft geschreven, waarin het cultuurpessimisme wordt voorgesteld als de logische consequentie van de psycho-analyse. Het 'onbehagen in de cultuur' komt immers voort uit de cultuur zelf, die niet kan bestaan zonder een verregaande 'driftverzaking'. Wat de cultuur mogelijk maakt, verijdelt tegelijkertijd het menselijk geluk. Negatiever kan haast niet. Maar Ankersmit vergeet vreemd genoeg de Todestrieb, die in Freuds Das Unbehagen in der Kultur toch een niet onbelangrijke rol speelt. Niet alle driften leiden, bij volle bevrediging, tot het geluk, en dus kan ook de noodzakelijke driftverzaking niet automatisch met ongeluk worden gelijkgesteld. Freud heeft oog voor een tragische kant van de cultuur, maar waardeert haar als rem op het natuurlijke geweld. Zijn houding zou ik daarom liever ambivalent dan puur pessimistisch willen noemen.

Het geloof in de ondergang van de beschaving, dat bij Freud ten enenmale ontbreekt, vinden we tot in de titel van zijn hoofdwerk terug bij Spengler. In zijn 'morfologische' geschiedfilosofie komt elke cultuur op zeker moment aan haar eind. Klaas van Berkel maakt in zijn essay over Bouman onderscheid tussen een sterk en een zwak cultuurpessimisme: het eerste accepteert de ondergang, het tweede klampt zich op het laatste nippertje vast aan een mogelijk herstel. Spengler is voor Van Berkel, anders dan Bouman, het prototype van de sterke pessimist.

Intensiteit

Maar ook daar valt iets op af te dingen, als men let op de compensaties die Spengler vindt in de vervalfase van de westerse ('Faustische') cultuur. Juist die fase, van de zielloze, louter op expansie gerichte Zivilisation, presenteert hij als een kans voor Duitsland en een daarbij behorend 'Pruisisch socialisme' op de wereldheerschappij. Spengler predikt weliswaar de ondergang, maar zich erbij neerleggen doet hij nauwelijks. Zelfs wanneer zijn pessimisme - na de publikatie van Der Untergang des Abendlandes - acuut wordt, weet hij er nog een zeker genot aan te ontlenen, door aan intensiteit de voorkeur te geven boven duurzaamheid. 'Liever een kort leven vol daden en roem dan een lang leven zonder inhoud', schrijft hij in Der Mensch und die Technik (1930).

Dat zou men letterlijk een sterk pessimisme kunnen noemen, gezien de nadruk op kracht en volharding, maar het is niet van elke hoop verstoken. Waarom zou hij anders ook zijn boeken hebben geschreven? Kennelijk gaat zelfs de sterkste cultuurpessimist ervan uit dat zijn stem ertoe doet, met als onvermijdelijk gevolg een relativering van zijn pessimisme. De volstrekte pessimist schrijft geen boeken, maar grijpt in stilte naar de fles of knoopt zich op.

Bij de cultuurcritici bestaat er altijd een uitweg uit de malaise; hun alarmerende diagnoses blijven nooit zonder remedie. Iets anders is de aantrekkelijkheid van die remedies. Bouman bijvoorbeeld en ook de Duitse socioloog Freyer hebben, in elk geval een tijd lang, het heil verwacht van het nationaal-socialisme. In zijn essay over Freyer legt Peter van den Berg begrijpelijkerwijs de nadruk op het risico van diens 'holistische' cultuurkritiek. Door de bedreigde cultuur als een monolitisch 'geheel' te beschouwen dat aan één beslissende politieke remedie behoefte had, stelde Freyer zich bloot aan de totalitaire verleiding.

Maatschappijkritiek

Het is alleen jammer dat Van den Berg zich zo strikt laat leiden door zijn eigen - democratische - voorkeur. Hij verwijt Freyer dat deze zijn visie op de politiek verabsoluteert, maar zelf doet hij niet anders. Zo ontzegt hij zich de mogelijkheid om te achterhalen of Freyers holistische blik wellicht iets van de moderne cultuur laat zien, waarop het democratisch en pluralistisch a priori ons het zicht beneemt.

Wat dit betreft had Van den Berg iets kunnen opsteken van Jaap den Hollander, die in het laatste essay van de bundel de filosofische hermeneutiek van Hans-Georg Gadamer aanwijst als de 'open ruimte' waar de cultuurcriticus niet volledig aan zijn eigen culturele horizon vastzit. Hetzelfde geldt uiteraard voor de historicus, die zich buigt over een cultuurcriticus met een andere horizon. Een nadeel van Den Hollanders essay is wel dat hij zo getrouw de gedachtengang volgt van Gadamer, die zelf niet expliciet de cultuurkritiek behandelt. Minder duidelijk wordt daardoor hoe de cultuurcriticus erin zou kunnen slagen zich van zijn eigen horizon te distantiëren, terwijl dat misschien nog het meest cruciale probleem is waarmee de cultuurkritiek te kampen heeft.

De auteurs van De pijn van Prometheus lijken al met al niet erg positief over cultuurkritiek en cultuurpessimisme. Misschien komt het doordat allen historici zijn, maar zij behandelen het verschijnsel als iets dat tot het verleden behoort. De 'cultuurkritiek-oude stijl' is tegenwoordig vervangen door maatschappijkritiek en door beschouwingen over meer specifieke kwesties als de bedreiging van het milieu of de plaats van Europa in de wereld, meent Remieg Aerts in zijn inleiding. Het blijft de vraag of het werkelijk zoveel verschil maakt. Want de oude thema's steken nog altijd met verrassende hardnekkigheid de kop op. Zelfs sommige van de remedies (moreel en religieus reveil, metafysisch herstel, overbrugging van de kloof tussen alfa en beta-cultuur) zijn blijkbaar niet weg te branden.

Toch bestaat er wel één belangrijk verschil: zulke remedies worden, behalve op de opiniepagina's van onze kwaliteitskranten, eigenlijk nergens meer serieus genomen. De repetitie wekt voornamelijk verveling. Men heeft hetzelfde al te vaak gehoord om er nog door geraakt te worden. Op deze manier werkt de cultuurkritiek onbedoeld mee aan datgene wat zij zou willen bestrijden; zij vergroot de onverschilligheid meer dan dat zij deze vermindert.

Dat is niet, naar ik vrees, een bewijs voor Geyls 'vitaliteit' van onze beschaving, het laat hoogstens zien hoe moeilijk het is geworden om de maar al te reële 'pijn' van Prometheus nog tot ons te laten doordringen.

    • Arnold Heumakers