Engagement met de ploeteraar; De wraak van Moreau en Katadreuffe

In de literaire kritiek wordt het zelden openlijk toegegeven. Maar een boek wurgt je pas als je je kan vereenzelvigen. In zijn Verwey-lezing, gisteren in Leiden, bekent Adriaan van Dis zich tot Jacob Willem Katadreuffe van Bordewijk en Frederic Moreau van Flaubert. Twee helden die hun liefde en haat in geld uitdrukken, twee karakters die de geboortegolf juist nu confronteren met de hypotheek van de 'verbeelding aan de macht'.

Als ik onder belezen vrienden weer eens klaag hoe langzaam ik lees - en dus veel minder weet dan zij - troost mijn geleerdste vriend mij altijd met de opmerking dat ik nu eenmaal 'een ideale lezer' ben. 'Schrijvers dromen van de aandacht waarmee jij leest,' zegt hij, 'jij gaat tenminste helemaal in een boek op. Je leeft erin. Je gaat er zelfs anders door praten. Telkens als je vreemde kuren vertoont, blijken ze aan je laatst gelezen boek te kunnen worden toegeschreven.' Het mag zijn dat ik licht beïnvloedbaar ben en dat ik, eenmaal opgenomen in een verhaal, er zolang mogelijk in wens te verblijven; of juist andersom, ik wil er meteen uit: het boek grijpt me zo aan, dat ik niet verder kan lezen. En het is ook waar dat ik mij plotseling soms anders kleed, of een vreemde voorkeur voor bepaalde spijzen aan de dag leg, alleen om de uitgesproken smaak van de hoofdpersoon op dat gebied. Maar als het boek eenmaal terzijde is gelegd, gaan ook de wanen in de kast en ben ik de inhoud weer snel vergeten. Het zijn maar liefdes, kortstondige, dweepzieke liefdes.

Voor mij heeft lezen, en de waardering van een boek, klaarblijkelijk veel met identificatie te maken. Een begrip dat je weinig in de literaire kritiek tegenkomt, omdat het zo overduidelijk subjectief is en voor een beroepslezer ondoenlijk is in elke recensie zijn ziel en zaligheid bloot te geven. Toch laten vele lezers, en ook critici, zich er heimelijk door leiden. Al uit zich dat soms in bestraffende woorden die het al te herkenbare juist afwijzen.

Je vereenzelvigen met de hoofdpersoon van een boek. Zo plat als het klinkt. Neergezet worden in een door een auteur opgeroepen wereld, meegaan met de gedachtenstromen, naast de auteur staan en tegelijk in de jas en in het karakter van de personages stappen. Verdriet, geluk, jaloezie, moord, overspel, een ander meesterlijk de bek snoeren, aan alles wil ik medeplichtig zijn. Zulke sensaties kunnen mij gelukkig maken en dat is één van de redenen waarom ik lees, om dat alles te ervaren.

Twee leeservaringen hebben diepe sporen in mijn leven nagelaten: Karakter van F. Bordewijk en De leerschool der Liefde van Gustave Flaubert. Wat hebben die boeken gemeen? Daarvoor moet ik eerst de staat van ontvankelijkheid beschrijven waarin ik mij bevond toen ze begon te lezen. Zonder bedding geen indruk.

Als kind was ik een moeizame lezer. Mijn eerste letters werden erin geramd. Mijn vader vond dat ik voor de lagere school het lezen en schrijven machtig moest zijn. Als oud-militair meende hij dat slaag de beste leerschool was. Tot zover niks bijzonders. Vervelend was wel dat ik in de eerste klas niet nog eens bereid was het alfabet te leren. Ik had geen juf meer nodig. Mijn handschrift had al eigenwijze trekken en zinnen las ik zonder haperen. Deze vaardigheid werd mij door mijn klasgenoten niet in dank afgenomen. Ik moest me niks verbeelden, pas op de plaats - met gymnastiek pootje gelicht, na school ventiel uit de band - ik had mij aan de regels van de groep te houden. Ik telde graag mee en paste mij aan. Na een maand schreef ik geen zin zonder fouten en veinsde geen woord te kunnen lezen.

'Leesstoornis,' zeiden de juffen. Mijn vader was toen al te ziek om te slaan. Geen goede basis voor een lezer. Ik liet me liever voorlezen. Vooral van de verhalen van mijn oudere zusters kon ik geen genoeg krijgen. Sprookjes, Cissy van Marxveld en de hele Kluitman-serie, want die van Kluitman zaten bij hen op school. Ik vrees dat mijn kijk op de wereld er lang door werd bepaald: vrouwen waren prinsessen, al dan niet opgesloten in torenkamers, mannen ridders die hen bevrijdden, of berijders van sportwagens die hen verleidden, maar de meesten waren gemeen of een kei in sport - wat voor mij hetzelfde was - stiefmoeders deugden niet en arme mensen stierven met een glimlach op de lippen.

Wie zo denkt mag niet doorleren. Ik was de enige uit de klas die te licht werd bevonden voor de middelbare school. Terwijl de anderen zich bogen over sommen waarin een mijnheer van A naar B fietste, mocht ik een tak tot kersstukje vergulden.

Op de mulo lazen de meesten nog met hun wijsvinger en hun lip. Met dat tempo durfde ik weer te spellen en te lezen. Voor het eerst van mijn leven las ik boeken in één adem uit. Schateiland, De Zwitserse familie Robinson, De graaf van Montecristo... hoe verder weg, des te erger besefte ik de grenzen van de mulo. Mijn klasgenoten verheugden zich op de vrijheid na het diploma: voor de jongens een bromfiets, een baan bij de gemeente of de Seintoestellen-fabriek en voor de meeste meisjes werk in een winkel en een liste de marriage bij Au bon gout. Ik was een zessenleerling, zou ik het examen ooit wel halen? Een vriend van mijn toen al overleden vader zag mij graag op zijn handelsbureau. Brieven schrijven: 'Veuillez agréer, Monsieur, l'expression de mes sentiments distingués.' 'Looking forward to your early reply, I remain.' Was er nog leven na de mulo?

Met Bordewijk kwam de hoop. Karakter. Ik moest het lezen voor mijn lijst. Na een paar bladzijden was het geen moeten meer, of toch, ik moest hele citaten overschrijven, ik moest het meteen voor een tweede keer lezen. Ik kocht het in de Zakdoekenreeks en ik bezit het nog. Met strepen en uitroeptekens op bladzijde 34. Het moment waarop Jacob Willem Katadreuffe, het onwettige kind van Joba Katadreuffe, voor het eerst zijn verwekker ziet, de deurwaarder A.B. Dreverhaven. Jacob Willem is dan 21 jaar oud en meldt zich wegens een dreigend faillissement bij het advocatenkantoor Stroomkoning.

'Zijn vader. Daar in de andere kamer stond zijn vader. Dit was dus zijn vader. Dit was dus zijn vader. Dit was de man met wie zijn moeder nooit had willen trouwen. Anders had hij Dreverhaven geheten en niet Katadreuffe. Nu heette hij Katadreuffe. Katadreuffe, de zoon van Dreverhaven. Maar het was helemaal zijn vader niet. Dat kon niet, dat bestond eevoudig niet. Hij voelde voor die man niets, een man, een kerel voor zijn part. Als hij wat voor hem voelde was het op zijn best een opluchting dat hij nooit met zo'n vader iets te maken had gehad...'

Voor een jongen van zestien, zelf onwettig kind, drager van zijn moeders meisjesnaam en vol haat tegenover een tirannieke vader, voor zo'n jongen sloeg die passage in als een bom. Je mocht dus je vader 'een beest' noemen. Bordewijk schreef het, Katadreuffe voelde het zo en ik dus ook. Mijn haat werd gelegitimeerd. En dat mijn held een paar regels verderop aan zichzelf toegaf eigenlijk ook trots op die vader te zijn, dat voelde ik ook, maar dat duwde ik weg, evenals Katadreuffe, want ook hij had geen lust zijn gevoelens te ontleden.

Katadreuffe's vader maakte - en ik citeer weer een door mij destijds aangestreepte passage - 'zeer duidelijk een strijdlust in hem wakker, hij dacht: wacht jij maar kerel, je krijgt me toch niet klein, we zullen nog eens tegenover elkaar staan.' Ik had het zelf kunnen zeggen. Nee, ik had het zelf kunnen schrijven. Nog een andere vonk sloeg over... Zou ik dat kunnen? Zou ik het durven? Was ik er niet te dom voor? Opnieuw streepte ik een passage aan: 'Een mens ontdekt soms zijn gaven laat. Maar het is zulk een waar woord: laten we toch allen van ons leven maken wat we kunnen. Laten we beginnen met ons zelf te ontdekken. Ik wil niet anders dan graag vooruitkomen. Ieder onzer moet dat willen, dan kòmt hij vooruit...'

De tegenwerking van mijn vader zou me daar juist bij helpen. Al was hij dan dood, hij zat nog steeds in mijn kop, liep mee in mijn rechterooghoek en keurde alles wat ik deed af. Bordewijk legde mij uit waarom, want mijn vader dacht er net zo over als Katadreuffes vader: 'ik zal hem [mijn zoon] wurgen, ik wurg hem voor negen tienden en dat ene tiende dat ik hem laat, dat kleine beetje asem zal hem groot maken, hij zal groot worden, hij zal, bij God, groot worden!' En ook die passage kreeg een dikke streep: ik zou groot worden.

Ja, ik zou tonen wie ik werkelijk was en ik streepte aan hoe ik zou worden: 'Hij moest kunnen meespreken over alles, niet met de boekengeleerdheid van een lexicon, maar schertsenderwijs. Hij moest een vlotte conversatie kunnen ontwikkelen onder mannen, en op een andere wijze weer, bij vrouwen, zijn literatuur kennen, vreemde talen spreken met het juiste accent, hún litteraturen kennen, - hij moest vlot leren reizen in vreemde landen, hij moest kunnen vertellen van steden, landschappen, volkeren, gebruiken en eigen ondervindingen, - hij moest geestig kunnen zijn...'

En zoveel meer moest Jacob Willem Katadreuffe kunnen. Want Jacob wilde advocaat worden, hij wilde een koperen plaat met zijn naam erop. Hij zou meester in de rechten worden, zijn milieu ontvluchten, breken met zijn moeder, zich afzetten tegen zijn onredelijk strenge vader. Jacob Katadreuffe moest hard werken, harder dan alle andere jongens, maar hij zou ze voorbijstreven.

Er was maar één uitweg: meester in de rechten worden. Evenals Jacob Willem, net als Bordewijk. In mijn schoolagenda schreef ik op elke bladzijde: word MR, word MR. Week in week uit. Een mantra voor mijn mulojaren. Zonder Karakter was ik mogelijk commies op de burgerlijke stand geworden. Geboorteregisters bijhouden, logboeken van fatsoen, mooi werk voor een bastaard.

Bij het herlezen, enkele dagen geleden, schrok ik hoezeer de vader-zoon verhouding die Bordewijk beschrijft, mijn eigen Indische Duinen heeft doordesemd... de afkeer die omslaat in een pijnlijke genegenheid. Ja, dat boek heeft meer voor mij betekend dan ik besefte.

Het duurde dertig jaar voordat zich een tweede roman aandiende die een zelfde effect op mijn leven zou hebben. Gustave Flauberts De Leerschool der liefde. Wat was er met me gebeurd dat ik daar zo ontvankelijk voor was?

Terug in de tijd: vader dood, zusters het huis uit, Indië de hutkoffer in, moeder voedt op. We woonden in Hilversum, een dorp dat ik haat, een standsdorp, trappen naar beneden en likken naar boven. Na de mulo en een jaar kweekschool, deed ik eindexamen hbs-a. Ik zou naar Amsterdam gaan om te studeren. Nederlands. Wraak nemen op alle eenendictees. Zelfs schrijver worden.

Wat heb ik me die zomer van '67 verveeld... tot ik bij een moeder van een schoolvriendin een vrouw met een tekkel in de serre thee zag drinken. Zwart kort haar met puntjes tussen oog en oor. Zoals ze haar tompouce leegschraapte, beheerst en toch wellustig. Ze leek op een Franse zangeres van melancholieke liedjes, maar dan een nette in een zachtroze mantelpakje. Mantelpakjes, ik ben gek op mantelpakjes. We raakten in gesprek, ze heette Anne - ja, laat ik haar dit keer Anne noemen. Anne woonde in Parijs, maar was in Nederland geboren. De moeder van mijn vriendin kende haar nog van de lagere school. ...Bien, zei Anne, dus ik ging Nederlands studeren? Alleen maar Nederlandse littérature? Ze gaf haar zinnen een mooi Frans deuntje. En hoe heten onze schrijvers van tegenwoordig. Pardon? Ik moest haar voortaan op de hoogte houden. We lieten haar hond uit en ze gaf me haar adres in Parijs. Ik moest beslist eens langskomen, met een mooi Nederlands boek. Ze wilde de batterijen van haar taal opladen. Maar waarom ook niet meteen, hier in Hilversum waar ze bij een oude tante logeerde? De volgende dag stond ik daar met een tas vol boeken voor de deur. Het soort villa waar ik als lagere-schooljongen een keer het grindpad was afgestuurd toen de vader van mijn nieuwe vriendje ontdekte dat ik bruine zusjes had en ook nog eens een onwettig kind was. Maar Anne wees me niet de deur, ze schonk weer thee in een ander mantelpakje en zou de hele stapel lezen.

Ik was verliefd. Voor het eerst. Negentien was ik, de dagen vlogen om. Wat was ze mooi, en rijk, die witte barracuda voor de deur was van haar! Ze sprak zes talen vloeiend, had op buitenlandse internaten gezeten en kende de halve wereld. Haar vader was een grootindustrieel, zijn enige dochter hoefde niet te werken. Ze had nog veel meer mantelpakken.

Vier dagen later reed ik met haar mee naar Parijs. Met Anne at ik mijn eerste vlees. Eerst voorzichtig bedekt met een sausje, later steak tartare - tres affiné - bij Balzar in de rue des Écoles. Na mijn vaders dood en het verdwijnen van de door hem bereide rijsttafels was ik vegetariër geworden. Vlees vond ik eng.

Anne nam de angsten weg. Mijn angst te converseren in gezelschap, mijn angst voor de grote stad, voor autorijden, voor vrouwen. Met haar dronk ik mijn eerste champagne, ik leerde hoe je een kreeft at, hoe je in een restaurant gedroeg, hoe je je inschreef in een hotel. We gingen naar theater, ballet, opera, we soupeerden. Ik ontmoette bekende schilders, schudde op een vernissage Salvador Dali de hand. Anne maakte mijn wereld groter. Ik zoog het allemaal in mij op.

De colleges begonnen, ik moest naar Amsterdam, maar drie weken later liftte ik weer naar Parijs en bleef een week bij haar. En dat gebeurde voortaan elke maand. Het was alsof ik al liftend naar het zuiden ook elke keer een ander werd. Ik leefde in twee werelden: in Amsterdam was ik de student driehoog achter in West, mijn medestudenten waren links en ik deelde hun idealen. Ik zong de Internationale op het Beursplein, protesteerde tegen de oorlog in Vietnam en maakte me druk over het kolonelsregime in Griekenland.

Drie kwart jaar later braken er in Parijs studentenrellen uit. De mei-revolutie ging geheel langs Anne heen: in het zestiende arrondissement stonden geen barricades. Mei '68 hing ook langs mij heen, ik werd te zeer door mijn verliefdheid in beslag genomen. Anne en ik spraken nooit over politiek, anders kregen we ruzie. Zij kende mijn wereld niet.

Het was een onmogelijke liefde die van haar kant ook nooit beantwoord is. Zij vond het leuk om mij op te voeden. Maar ik moest nog heel veel leren en lezen.

Het kostte me veel moeite om aan haar eisen te voldoen. Vooral financieel. Ik leefde boven mijn stand, begon geld te lenen en goochelde met betaalcheques. Alles verzilveren, nieuwe rekening openen, nieuwe cheques aanvragen, verzilveren en oude schulden afbetalen. Zo kon ik boeken voor haar blijven kopen, boeken die ze nooit las. Ik moest haar cadeaus geven, niet om indruk op haar te maken, maar uit een gevoel van verering, wijding.

Mijn studie vlotte niet. In mijn tweede jaar kocht ik een rugzak en trok richting India. Ik was ontevreden over mijzelf, leefde tegen mijn gevoelens en principes in, zat tot mijn nek in de schulden en verloochende oude vriendschappen. Weg, weg, weg moest ik. Breken met het verleden. Dag moeder, dag Anne, vrienden, knekelhuis.

Onderweg kwam ik zoveel tot niksen gedoemde hippies tegen dat ik voldoende ambitie verzamelde om twee studies af te maken. Pas op de universiteit ontdekte een docent mijn halve dyslexie. Maar daar bleek met mulo-slimheid heel wat aan te doen: wat telkens moeilijk en fout gaat gewoon uit je kop leren.

Elf zomers na mijn ontmoeting met Anne studeerde ik definitief af. Ik kreeg een baan aangeboden als chef van het Zaterdags Bijvoegsel van NRC Handelsblad. Dat was in die tijd, 1978 geloof ik, heel wat. Ik moest een budget van enige tonnen beheren - ik, die totaal niet met geld kon omgaan. En de mensen schreven mij macht toe, ik kon journalisten een platform geven, of uit mijn kolommen mieteren. In mijn gezicht deed iedereen erg aardig tegen mij, ik sprak met ministers, schrijvers en kunstenaars en vroeg of ze het Hollands Dagboek wilden schrijven. Schrijven, schrijven, de besten moesten voor mij schrijven. Maar ik was dood ongelukkig, ik was gevraagd omdat ik zo aardig kon schrijven en ik schreef zelf nooit. Altijd maar jagen en jagen. Redigeren, corrigeren, mee helpen opmaken, we zouden de beste bijlage van het land maken. Contacten met invloedrijke mensen vond ik belangrijker dan het onderhouden van oude vriendschappen. Ambitie, ambitie. Notabiliteit. Anne's opvoeding kwam mij goed te pas.

Drie jaar werkte ik me te pletter, tot ik tijdens een hernia Flauberts De Leerschool der liefde las. Het was een boek dat me al op de eerste bladzijde bij mijn lurven greep. Een boek met ruggegraat en daar ontbrak het mij op dat moment aan.

Ook Frederic Moreau, de hoofdrolspeler in de Leerschool, werd opgevoed door zijn moeder, hij had zijn vader op jeugdige leeftijd verloren, er was weinig geld, maar op zijn eenentwintigste kwam zijn erfdeel vrij, een bescheiden rente, genoeg om zijn stand mee op te houden. Frederic Moreau wachtte een lange zomer voor hij naar Parijs ging. Frederic luierde en lanterfanterde en 'dacht aan de kamer die hij in Parijs ging huren, aan het plot voor een drama, onderwerpen voor schilderijen, toekomstige liefdes.'

Hij koesterde de ambitie eens de Walter Scott van Frankrijk te worden. Frederic besprak zijn plannen en dromen met zijn jeugdvriend, Charles Deslauriers, een boom van een kerel, van een ietwat lagere komaf. Hij was al een jaar eerder naar Parijs vertrokken om rechten te gaan studeren. Frederics moeder mocht Charles niet, hij verkondigde republikeinse zienswijzen en ze was er zeker van dat hij haar zoon had meegetroond naar verdachte huizen. Frederic moest van zijn moeder goede contacten leggen in Parijs, met de familie Dambreuse bijvoorbeeld, de rijke handelaar die ook banden met haar dorp onderhield. Heethoofdige praatjes zouden zijn carrière alleen maar schaden.

De Leerschool der liefde speelt zich af tijdens de roerige jaren voor en na 1848. Februari 1848 brak in Parijs een revolutie uit die spoedig naar andere steden overwaaide. Heel Europa gistte. Na de Franse revolutie had de bourgeoisie steeds meer macht gekregen, ze werd niet alleen zelfbewuster, maar ook steeds zelf genoegzamer; vooral na 1840, onder de conservatieve premier Guizot, wiens leus 'enrichissez-vous' hoog in het vaandel van de bezittende klasse stond geschreven. *

Uit de republikeinen en links-liberale groeperingen verhieven zich stemmen die een revolutionair socialisme predikten. De utopisch socialist Fourier, die onder andere voor produktiecoöperaties van arbeiders pleitte; Saint Simon, die wilde dat de staat geheel op het welzijn van de armste klasse was gericht; Proudhon: La propriété c'est le vol; Louis Blanc, voorstander van een gematigd proletarisch socialisme. Heel dit ideeëngoed van een generatie komt uitvoerig in De Leerschool aan bod. Het verraad van de bourgeoisie aan het proletariaat, die met de Revolutie van 1789 een zelfde strijd voor een rechtvaardige maatschappij leek te strijden, staat voor de ontwikkeling die onze held Frederic Moreau doormaakt. Frederics persoonlijk falen, de concessies die hij doet aan zijn idealen en het verzaken van zijn intellectuele plichten, zijn symbool voor het geestelijk bankroet van zijn generatie.

Deze achtergrond is van groot belang voor het boek en toch raakt het de hoofdpersoon niet wezenlijk. Flaubert vond het een uitdaging de gebeurtenissen in Frankrijk tussen 1840 en 1851 als achtergrond te gebruiken. Maar de zaken van algemeen belang laten Frederic eigenlijk onverschillig, hoezeer hij er ook met zijn vrinden over spreekt, hoezeer hij ook als jongeling links-liberale ideeën verkondigde. Frederic wordt vooral in beslag genomen door zichzelf. Frederic is verliefd.

Het zal niet verbazen. Na tien bladzijden wist ik het al: Frederic Moreau, c' est moi. Niet zoals ik wilde zijn, misschien nog niet zoals ik was, maar het gevaar lag op de loer.

Ook in Karakter is de tijdgeest en het decor van groot belang. De jaren van na de eerste wereldoorlog, de malaise, de crisis. De roerende stem van de communisten. Katadreuffe stond er middenin, samen met zijn communistische vriend Jan Maan bezocht hij de vergaderingen van de Communistische Partij Holland, ging naar de Russische films. De gebeurtenissen tussen 1916 en 1937 spelen beslist een rol in de compositie van het verhaal, maar aan Katadreuffe gaat de revolutionaire koorts toch voorbij. Jacob Willem Katadreuffe was verliefd, verliefd op Lorna te George. Hij vergenoegde zich slechts met de bruiloft van zijn gedachten; Katadreuffe wees haar af omdat hij nog meer verliefd was op zijn ambities.

Frederic Moreau was dus ook verliefd, maar bij hem leveren ambitie en liefde een veel ingewikkelder strijd. Op de boot van Le Havre naar zijn dorp zag Frederic zijn geliefde voor het eerst zitten zitten: 'Het was net een visioen: Zij zat midden op de bank, alleen; hij zag althans niemand anders, zozeer werd hij door haar stralende ogen betoverd. (...) Haar zwarte haar viel in twee helften langs de uiteinden van haar lange wenkbrauwen neer, als tedere sluiers om haar gezicht.' Zij leek op de vrouwen uit romantische boeken. Hij zou niets aan haar willen toevoegen of veranderen. Plotseling was de wereld groter geworden. Zij was het brandpunt waarin heel het bestaan samenkwam.

De vrouw heette Marie Arnoux en ze was getrouwd met Jacques Arnoux, eigenaar van de Art industriel, Boulevard Montmartre, 'een gemengd bedrijf dat zowel een kunsttijdschrift als een schilderijenhandel bevatte'. Frederic probeert met de man in gesprek te komen, het lukt en later in Parijs zal hij hem dikwijls opzoeken, om haar te zien, Madame Arnoux, al was het maar een glimp. Door Jacques Arnoux maakt Frederic kennis met de beau-monde. Hij introduceert hem in het grote leven, de kunsthandelaar houdt salons waar schilders, journalisten, politieke idealisten en bonvivants te samen komen. Frederic zit aan, doet mee en zuigt de nieuwe wereld in zich op. Hij trakteert, zwetst onzin over een ophanden zijnde revolutie, laat zich veel te dure kleren maken, huurt een appartement boven zijn stand, richt zich te luxueus in, kortom Frederic maakt schulden.

Hij verzaakt zijn oude vriendschap met Charles Deslauriers en teert ernstig in op zijn kapitaal. Hoe groot zijn liefde voor de onbereikbare Madame Arnoux ook is, hij houdt er ook een maîtresse op na - 'uit wanhoop,' zegt hij haar later, 'zoals je ook zelfmoord pleegt' - en omdat hij niet graag door een slecht geweten wordt gestoord, verlustigt hij zich in romantische clichés. Frederic laat zich drijven op de stroom van het leven, en door zijn slapheid en gemakzucht faalt hij de grote schrijver of schilder te worden die hij zich als jongeling had gedroomd. Om zich te troosten maakt hij zichzelf wijs dat hij geen enkele eerzucht heeft.

Als hij echter ontdekt dat zijn moeder zijn erfenis voor een deel heeft verloren en hij heel wat minder rijk is dan hij dacht, moet hij terug naar de provincie. Hij zal een rijke jonge boerendochter trouwen, ze wacht op hem want in zijn zwakheid had hij haar ook al een toezegging gedaan. Maar eenmaal terug op zijn geboortedorp bedenkt hij zich: de armoede zou hem juist kunnen sterken, het zou hem terug bij zijn idealen kunnen brengen, zijn talent aanwakkeren, en hij ziet zich al op een zolderkamer grote werken schrijven. Maar dan wel in de hoofdstad: kunst, wetenschap en liefde - de drie gezichten van God - kunnen uitsluitend gedijen in de hoofdstad. Dus keert hij weer terug naar Parijs.

Hij droomt maar wat, die Frederic, hij doet niets en alles lijkt om geld te draaien. Leningen, woordbreuk, faillissementen, deurwaarders, de hoofdpersonen praten over niets anders. Het woord rente komt meer voor dan het woord liefde. Telkens worden Frederics wensen door geldgebrek gedwarsboomd, of juist door een verlangen naar geld ingegeven.

Frederic wordt heen en weer geslingerd tussen vier zaken: loyaliteit, geld, zinnelijkheid en de extase van het kunstenaarschap. Deze vier ogenschijnlijke tegenstellingen zien we voortdurend met elkaar strijden in vier liefdesaffaires: de avances voor het boerenbuurmeisje, puur om het geld; de vrijages met de maîtresse om 'de vrolijke verwarring' en de lust; de aanbidding van de steenrijke weldoenster mevrouw Dambreuse: om geld, aanzien en carrière; en de ware liefde voor madame Arnoux: onbereikbaar, zuiver, nooit geconsumeerd. Zij schenkt hem de zielsvervoering die hij vroeger in het kunstenaarschap zocht. De hartstocht ging hem immers boven alles. En in al deze affaires speelt de loyaliteit een rol. Hij verraadt zijn vrienden voor zijn vrijages. Als ze in nood zitten, of als de revolutie hem roept, hoert en snoert onze Frederic en laat hij het afweten. Hij bedriegt zijn geliefdes en het meest nog zichzelf: hij is niet trouw aan zijn idealen. Frederic moet keuzes maken en hij kan het niet, de conflicten hadden hem moeten vormen - dat is de leerschool der liefde - maar onze held brengt er weinig van terecht. Hij is een anti-held, een slappeling. Frederic Moreau heeft geen karakter.

De leerschool der liefde was bij eerste lezing een levensspiegel. De leerschool toonde mij hoe ik me staande moest houden in de wereld van de journalistiek, het beroep van de snelle schouderklop, waarmee je zo makkelijk een succesje kon behalen, als het niet bij de lezers was, dan in ieder geval bij je collega's in het café. Flaubert liet me zien hoe ik om moest gaan met macht, roem en glamour. Ik streepte allerlei passages aan. De verwijten van zijn vriend Deslaurier: 'Op school zweer je dure eden, maar als het erop aankomt, houd je alles voor jezelf.' Over opportunistische vriendschappen: 'Er zijn mensen die bij hun medemensen geen andere opdracht hebben dan te dienen als tussenpersoon; men loopt over hen heen als over een brug en gaat verder.'

Het waren niet de idées reçues, de gemeenplaatsen en pasklare ideeën waarin Flaubert zijn hoofdpersonen voortdurend laat praten en waarmee hij het onvermogen van zijn romanfiguren wilde schetsen om een originele gedachte of een wezenlijk gevoel te uiten. Nee, ik streepte vooral Flauberts ironische terzijdes aan, want al vond de schrijver dat de auteur zelf niet in het werk aanwezig mocht zijn - il faut que l'auteur soit absent de son oevre - er zijn heel wat momenten waarin de schrijver wel degelijk met zijn eigen mening naar voren komt. De opmerkingen die Flaubert maakt over de journalistiek bijvoorbeeld. Armzalig vuurwerk noemt de schrijver het. Al die meningen, al die kritiek op diegenen die uit de pas lopen met de modes van de dag, het makkelijk neersabelen van bekende persoonlijkheden, de roddels, de sensationele nieuwtjes. Verdieping eiste hij, rust en concentratie, alleen zo kon je waarachtig schrijven.

En ik maar aanstrepen en instemmen. Wat was ik het met mijn grote schrijver eens. Ik had het boek nauwelijks uit, of ik schreef een ontslagbrief naar de hoofdredactie: ik wilde niet langer chef zijn, baas spelen, geld uitgeven, dineetjes aflopen. Nee, ik moest voor mijn ware liefde kiezen: schrijven. Dankzij De Leerschool der liefde had ik mij bevrijd. Het portret van een slap karakter, kon je karakter ook sterken.

Dat het nog allemaal een tijd zou duren voor ik me werkelijk losmaakte van de journalistiek en dat ik nog steeds strijd lever met de stilte en de concentratie die nodig is voor het waarachtig schrijven, is een andere zaak. Zaak was en is dat literatuur mijn leven kon veranderen.

Ik herlas De leerschool na het herlezen van Karakter en ik schrok hoeveel die boeken met elkaar te maken hebben. In beide boeken zijn de hoofdpersonen niet in staat hun gevoelens te uiten.

Liefde en haat worden in geld uitgedrukt.

O, over geld valt zoveel meer te vertellen. Jacob Willem Katadreuffe wordt verwekt uit woede, woede om geld. Dreverhaven had een groots plan uitgedacht en hij zag het voor zijn ogen vergaan omdat de geldschieter zich op het laatst terugtrok. Om zijn woede te bekoelen verkracht hij Joba Katadreuffe. Frederics liefde voor mevrouw Arnoux wordt pas openlijk beleden als hij al zijn kansen heeft verspeeld om er financieel beter van te worden. Pas dan toont hij zijn ware passie, passie voortkomend uit armoede.

En ik, alias Frederic en Jacob Willem? Waarom herkende ik me zo in de kasboekzorgen van mijn helden?

Mijn eerste vijf levensjaren stonden in het teken van de gulden. Geld was er niet. Geen kapitaal, geen salaris, geen pensioen. Mijn moeder heeft jaren moeten vechten voor het pensioen van haar in de oorlog vermoorde man. Al het verdriet, alle boosheid om de oorlog werd thuis in geld uitgedrukt. Mijn vaders gekte werd toegeschreven aan het feit dat hij al zo lang zonder werk zat.

Het is verbazend hoeveel er in beide boeken over geld wordt gesproken. Karakter begint niet alleen met geld, het eindigt er ook mee. De dag dat de eindelijk tot advocaat beëdigde Jacob Willem het 'vadermonster' voorgoed uit zijn leven zet en in een wankele stemming troost zoekt bij zijn stroeve moeder, vindt hij haar spaarbankboekje in de naaimand. 'Zijn hand speelde met de bladen, hij las op de laatste bladzijde een hoog cijfer, en met bevreemding teruglezend zag hij van maand tot maand dezelfde inlagen, van maand tot maand had zij het geld dat hij haar gaf, gebracht op de bank. En toen, op de eerste bladzijde las hij haar testament, in groot, kinderlijk gebleven schrift: 'Voor mijn zoon Jacob Willem na mijn dood. Mej. J. Katadreuffe.' (...) Het testament, onwettig, ongeldig, onnodig. Het sublieme testament.'

Ook De leerschool der liefde eindigt met geld: hoe Frederic op bescheiden voet probeert te leven van zijn voor tweederde opgesoupeerde vermogen.

Het is opmerkelijk hoeveel thema's in beide boeken elkaar raken, met elkaar oplopen en elkaar bestrijden. Thema's die ook in mijn eigen boeken voorkomen. Dat ontdekte ik nu pas.

Identificatie, als drijfveer voor de lezer. Het klopt niet. Als er al sprake van herkenning is, is dat voornamelijk om wat je niet bent. De prins die de schone slaapster wakker kust. Je leest een leven dat je had kunnen overkomen als... als... De lezer leeft een paar uur in een verhevigde romanwerkelijkheid. Identificatie is een valse spiegel.

Nee, wat me uiteindelijk in beide boeken raakt en wat ze ook voor mij aan elkaar verbindt, gaat dieper dan de glanslaag van een spiegel.

Bordewijk toont ons de kracht en laat het goede overwinnen. Jacob Willem Katadreuffes handelwijze geeft ons hoop, de schrijver voert ons omhoog. Ook voor de ploeteraar is er een uitweg. Karakter is een roman van de wilskracht, een ouderwets exempel.

Flaubert toont het zwakke en ontleedt het slechte in onszelf. De schrijver laat ons zien waar gemakzucht en zinnelijkheid toe leiden. De schrijver drukt ons teneer. De leerschool der liefde is een roman over het gebrek aan karakter.

Misschien etst Frederic Moreau zich daarom wel dieper in onze ziel dan die brave Jacob Willem. Wie bleef er immers trouw aan zijn idealen, wie moet er niet met zijn eigen falen leven?

Karakter toont ons de moeizame weg tot succes, aanzien en macht. De leerschool der liefde laat zien hoe succes, aanzien en macht een mens uiteindelijk corrumperen. Niet alleen één mens, een hele generatie. Ik heb De leerschool nooit los van mijn eigen tijd kunnen lezen. Flaubert klaagt niet alleen het morele verval van zijn eigen generatie aan, de generatie die tijdens het uitbreken van de februari-revolutie van 1848 zo'n twintig, dertig jaar oud was, hij klaagt ook mijn generatie aan.

Mijn generatie - die massa naoorlogse borelingen - heeft altijd duidelijk laten merken dat ze er was. Omdat we met zovelen waren, hebben ze de scholen voor ons moeten vergroten, de wegen moeten verbreden, de drempels tot de universiteiten geslecht. En als er geen ruimte was hebben we die ruimte gekraakt. We hebben een stempel op onze tijd gezet: we hebben gedemonstreerd, inspraak bedongen, medezeggenschap. L'imagination au pouvoir was in '68 de kreet van de studenten in Parijs. 'De verbeelding aan d macht', riepen ze een jaar later in Amsterdam.

En waar komt die verbeelding nog geen dertig jaar later op neer? Op een hypotheek, een tweede huis, koopsompolissen en andere Zwitserleven-gevoelens. De verbeelding van de markt. Enrichissez vous! De sprong van utopisch socialisme naar utopisch kapitalisme is minder groot dan we dachten. Ik ben geen haar beter, ik ben ook maar een kind van mijn tijd, maar toch verzet ik me ertegen. Het is een strijd tegen mezelf. Flaubert en Bordewijk hebben me doen inzien dat, wil je iets van je zuiverheid behouden, je je afkomst niet kan verloochenen: de ploeterplek waar de meesten van mijn generatiegenoten uit voortgekomen zijn. Wat doen wij voor de ploeteraars van nu? De asielzoekers, de vluchtelingen, de migranten, zij die buiten de boot vielen. De mensen op drift die ook zo graag willen laten merken dat ze er zijn. Ik ben teleurgesteld in de zelfgenoegzaamheid van mijn generatie. Wij houden alles bezet, schuiven niet op. Onze weekbladen worden grotendeels gevuld door journalisten van onze eigen generatie, we schrijven over elkaar, interviewen elkaar. We praten over onze eigen kleine zorgen. Ik ook. Maar ik ben teleurgesteld omdat mijn generatie niet verder kijkt dan de termijn van hun koopsompolissen. Wie interesseert zich echt voor het debat met het Zuiden? Hoe vaak hoor je erover praten in onze Tweede Kamer? Schrijven onze columnisten er ooit over? De miljoenen aan de gatkant van de wereld willen ook een aandeel in onze welvaart. Viervijfde van de wereldbevolking leeft in omstandigheden die spotten met de retoriek van de Verklaring van de rechten van de mens. Ook zo'n produkt van onze verbeelding. Cliché's, ik weet het. Onrecht is van alle tijden.

Maar mijn generatie heeft zo'n grote mond, is zo verschrikkelijk slecht in delen. Ook met de generatie die na ons komt.

Mijn engagement met de ploeteraar komt niet alleen voort uit mijn achtergrond. Deze gevoelens zijn ook gevoed en aangescherpt door Karakter en De leerschool der liefde.

Flaubert zou me uitkafferen als hij het hoorde. Hij voelde zich op geen enkele manier betrokken bij het lot van de armen, de slaven, de zwarten en de uitgestotenen. De wereld is mijn woning niet, hij schrijft het keer op keer in zijn prachtige brieven aan Louise Colet: 'Er is geen ijsbeer op zijn schots in het verre noorden, die minder op de hoogte is van wat er in de wereld omgaat dan ik (...). Ik heb me in mijn hol gegraven en ik blijf er zitten met geen andere bekommernis dan er steeds dezelfde temperatuur te laten heersen.' Maar toch heeft de kluizenaar van Croisset de wereld vanuit zijn hol met zoveel mededogen beschreven, dat hij ondanks zichzelf mijn sociale betrokkenheid alleen maar heeft aangewakkerd.

Of, zoals Flaubert het in een brief uit 1853 verwoordde: 'Wat heb ik toch in me dat al wat zwakzinnig, gek, idioot en wild is, op het eerste gezicht voor mij in liefde ontvlamt? Begrijpen die arme schepsels misschien dat ik één van hen ben? Voelen zij dat er tussen ons een band bestaat? Het moet wel zo zijn.'

*Ik vat hier het nawoord van de vertaler Hans van Pinxteren kort samen. Voor de historische achtergrond bij 'De Leerschool der Liefde' citeer ik uit 'De geschiedenis van een generatie', het nawoord bij de briljante vertaling van Hans van Pinxteren. Uitgeverij Veen.

    • Adriaan van Dis