Elke dag zwaardvis

In de buitenwijken van de stad Akron, iets ten zuiden van Cleveland, vonden we een motel. We namen één kamer met twee bedden. Billy en ik zouden in het ene bed slapen, en Osna, de zwijgende figurant, in het andere.

De receptioniste vroeg waar we vandaan kwamen. 'Uit Het Land van de Liefde,' zei ik. Toen ze me verbaasd aankeek voegde ik eraan toe, 'een motel, een paar honderd kilometer verderop.'

Op een groot spandoek stond, 'Akron, Klezmerfestival 1996', maar ik besteedde er geen aandacht aan.

Zonder ons uit te kleden gingen we op de bedden liggen. De lakens roken gebruikt, maar daar waren we intussen gewend aan geraakt. We waren doodop. De hele weg had Osna gepraat. Ze vertelde dat ze getrouwd was geweest met een vrachtwagenchauffeur uit Napels en dat ze met die man gelukkige jaren had doorgebracht in Boston. Maar op een dag, bij het ontbijt, had hij haar verteld dat hij tot de conclusie was gekomen dat het huwelijk niets voor hem was en dat hij weer zou intrekken bij zijn moeder. 'Een zoon hoort bij zijn moeder, en een moeder hoort bij haar zoon.' Met die woorden was hij het huis uitgegaan en nooit meer teruggekomen. Om geld te verdienen opende Osna een praktijk als waarzegster. Maar ze woonde in een Italiaanse wijk in Boston en het wemelde daar van waarzegsters.

Nu, in de motelkamer, haalde Osna een grote ochtendjas uit haar koffer. Ze kleedde zich om in de badkamer. Toen ze terugkwam zei ze 'mijn lichaam heeft zijn beste tijd gehad, daarom laat ik het niet zo graag aan mensen zien.'

'Nee', zei Billy, 'laat je lichaam niet aan mensen zien.'

'Ik denk er net zo over', verklaarde ik, 'voor geen goud laat ik mijn lichaam aan mensen zien. Ze moeten echt een pistool op mijn hoofd zetten voor ik mijn onderbroek uittrek.'

'Ik heb vroeger lingerieshows gelopen', zei Osna, 'dat kon ik als geen ander, geloof me.'

Maar ik zei, 'we geloven je Osna, maar nu willen we echt slapen, we hebben een vermoeiende dag voor ons.'

Toen ik wakker werd, dacht ik dat het midden in de nacht was, maar het was tien uur 's avonds. Ik was gewekt door harde vioolmuziek. Ik deed mijn schoenen aan en besloot op onderzoek uit te gaan.

In de hal van het motel was de vioolmuziek nog harder. De receptioniste sliep. Zij had blijkbaar geen last van de muziek.

Ik opende een schuifdeur, en toen stond ik in een zaal waar een paar honderd mannen aan het dansen waren. Op een podium stonden een paar violisten en een accordeonist. En op een groot spandoek stond 'Akron, klezmerfestival 1996'.

Ik wilde me omdraaien en de deur sluiten, maar de muziek was opgehouden en alle mannen waren opgehouden met dansen en keken nu naar mij of naar de deur, dat kon ik niet zien.

'Verkeerde deur', zei ik zacht, 'ik zocht de wc.'

Maar toen stapte de accordeonist van het podium en hij begon te spelen, terwijl hij langzaam in mijn richting liep. Nog een keer, zei ik, maar nu iets harder, 'verkeerde deur, neem me niet kwalijk'.

De accordeonist was halfkaal en heel klein en het leek of hij twee glazen ogen had. Maar misschien kwam dat gewoon, omdat hij ontzettend dronken was. Op 5 meter afstand rook je de alcohol. Hij danste langzaam om mij een, terwijl hij op zijn accordeon speelde, en tweehonderd mannen staarden mij aan.

'Neem me kwalijk', zei ik zo hard als ik kon.

Eén van de mannen kwam naar mij toegelopen. Hij ging vlak voor mij staan, bestudeerde mijn gezicht, en toen riep hij opeens, 'de zoon van de Lubbavitscher is gekomen'.

Voor ik wist wat er gebeurde, tilden twee mannen mij op hun schouder, de violisten begonnen weer te spelen. En 200 mannen dansten met mij op hun schouder. Het was verschrikkelijk. Ik ging van schouder naar schouder. 'Stop, stop', riep ik, maar ik kwam niet boven de muziek uit. Ik voelde me misselijk worden. Gelukkig stopten ze na vijf minuten.

De man die eerder mijn gezicht had bestudeerd, riep, 'de zoon van de Lubbavitscher Rebbe gaat een toespraak houden'.

'Luister', riep ik zo hard als ik kon, terwijl ik nog altijd op de schouders van twee mannen zat. 'Ik ben een eenvoudige handelaar in rozijnen, ik wil terug naar mijn hotelkamer.'

Voor ik verder kon gaan, begonnen ze weer te spelen en opnieuw ging ik van schouder naar schouder. Iemand drukte een fles wodka tegen mijn mond. De helft liep in mijn overhemd, maar dat kon hen niets schelen.

'Je moet nog iets zeggen', schreeuwde een man tegen mij, 'ze wachten op het verlossende woord.'

Hij hief zijn handen omhoog, de muziek stopte, en opnieuw keken 200 mannen naar mij.

Ik voelde me nu echt boos worden. 'Waarom ik?', riep ik, 'kan niet een van jullie het verlossende woord spreken. Ik spreek het verlossende woord niet, al gaan jullie op je hoofd staan.' Anders dan ik verwacht had wekte dit een stormachtig applaus. Ik begreep dat ik nu verder moest, anders kwam ik hier nooit meer uit. 'Het is niet erg tot het eind van je leven backgammon in de schaduw van een boom te spelen', riep ik. 'Doe niets. Het loopt toch slecht af, maar het gaat niet om de afloop en nu moet ik naar de wc.'

'Ja', riepen ze, 'hij heeft gelijk, het loopt toch slecht af.' Ik rende zo snel als ik kon tussen de benen van de mannen naar de uitgang en vandaar naar mijn kamer. Maar ze kwamen acher me aan, de accordeonist voorop, en daarachter de anderen. 'De messias is gekomen', hoorde ik hen nog roepen.

'We moeten weg', zei ik tegen Billy en Osna, '200 dronken joden denken dat ik de messias ben. Ik ga door het raam. Ik zie jullie op de parkeerplaats.'

Toen ik eindelijk bij de auto was, zat Osna in haar ochtendjas al in de auto. 'Dat moet ik weer hebben', zei ze.

De mannen waren nu op de parkeerplaats aan het dansen. 'Hij heeft gelijk', hoorde ik hen roepen, 'het loopt toch slecht af.' Nieuwe flessen wodka werden geopend.

Lang voor ze onze auto hadden bereikt, zaten wij alweer op de snelweg. Het was half twaalf in de avond. We zeiden niets tegen elkaar en nog altijd reden we in westelijke richting.(wordt vervolgd)