Een nieuw Verkade-album over de snelweg; Steeds breder, nooit langer

Tracy Metz: Snelweg/ Highways in the Netherlands. Foto's Theo Baart en Cary Markerink. Stichting Ideas on Paper, distr. Architectura & Natura, ƒ 69,50

Het nadeel van Nederland is dat alles zo dichtbij is. Liefhebbers van de trein zal dit opvallen door een natuurlijk tekort van onze spoorwegen: wij hebben voor binnenlandse trajecten geen slaaprijtuigen. En hoewel er al jaren lang ook in ons land geen gebrek aan auto's is, hadden we tot voor kort geen 'cultuur van de weg' die deze benaming verdient. Niet lang geleden was het assortiment van de benzinestations beperkt tot brandstof, chocola en sigaretten. De wegrestaurants ontleenden hun aantrekkingskracht aan een huiselijk menu met veel gebakken aardappels, voor de gezinnen die op zondag 'een eindje gingen rijden' - de grondslag voor het fortuin der Van der Valken. Onze auto-industrie heeft zelfstandig twee modellen voortgebracht, de DAF 33 en de DAF 55, beide in alle opzichten bescheiden ontwerpen voor de forens die eigenlijk niet van rijden houdt. Files ontstonden alle voor gesloten spoorbomen en op zondag, als de Betuwe in bloei stond. We hadden wel snelwegen maar die hadden de rustieke inslag van de volksaard niet aangetast.

De veranderingen hebben ons beslopen. En nu is het langzamerhand zover dat we gaan nadenken over wat ons op de weg de afgelopen dertig jaar is overkomen. Het is gebeurd, te laat om nog iets van vroeger te herstellen. Het zal niet lang meer duren voor het grootste deel van het volk dubbel gemotoriseerd is, op een oppervlak dat sinds de voltooiing van Zuidelijk Flevoland geen vierkante centimeter groter is geworden. Nederland heeft zijn eigen wegcultuur gekregen, paradoxalerwijs te danken aan ons gebrek aan ruimte. Vroeger waren er wegen tussen vertrekpunt A en B, waar 'we moesten zijn'. Nu zijn we tussen A en B. We moeten.

Dat kunnen we uitrekenen; er valt een eenvoudige formule voor te bedenken. De variabelen zijn de aanwas van het autobezit, de gezamenlijk afgelegde kilometers en de oppervlakte van het geplaveide land. De constante is het nationaal grondgebied. Bedenk daarbij dat er een verband is tussen de bevolkingsgroei en het aantal auto's. Constateer nu dat in 1990 hier 15 miljoen mensen woonden, in 1994 al 15,4 miljoen en dat het er over vier jaar 16 miljoen zullen zijn. Stel ook vast dat het nationale wagenpark vorig jaar 5,9 miljoen voertuigen omvatte en dat dit jaar de autoverkoop weer met vier procent is gestegen. Dan valt het zonder deze eenvoudige formule al te begrijpen dat Nederland als land van autowegen het tegendeel is van een Procrustusbed. Binnen onze grenzen worden we in elkaar gedrukt. Het bewijs voor deze stelling vinden we in de cijfers: de autosnelwegen worden nauwelijks langer maar wel steeds breder. Tussen 1992 en 1995 is er in de lengte maar zeventig kilometer bijgekomen, maar in dezelfde tijd is het geplaveide oppervlak ongeveer dertig vierkante kilometer gegroeid. Op het nationaal totaal heeft het gemotoriseerde deel van het volk vorig jaar 62,3 miljoen uur 'in de file' doorgebracht. Tel daarbij op de tijd die er werkelijk wordt gereden en men begrijpt: een steeds groter deel van het leven speelt zich af tussen A en B; dat wil zeggen men is op de weg (ook en vooral als het op weg zijn stagnatie ondervindt).

Al deze feiten en nog veel meer put ik uit het onlangs verschenen boek Snelweg/ Highways in the Netherlands, geschreven door Tracy Metz, met foto's van Theo Baart en Cary Markerink, uitgegeven door de Stichting Ideas on Paper. Een reeks respectabele sponsors van zeer uiteenlopende signatuur heeft de uitgave mogelijk gemaakt. Daaruit mag blijken dat het hier om een nationale zaak gaat, een spiksplinternieuwe toevoeging aan een onmisbaar, ook een dierbaar nationaal genre. Juist daardoor deed dit boek me denken aan een reeks die de naam van de sponsor draagt en die Nederland in een heel ander tijdvak toont: de Albums van Verkade. Menno ter Braak heeft er een mooi essaytje over geschreven, Het eetbare landschap, zo genoemd omdat je je de plaatjes moest verwerven door de beschuit en ontbijtkoek van Verkade te eten, of in ieder geval te kopen. Ontbijtkoek is ongeveer even ver verwijderd van een McDonalds hamburger als een landschap geaquarelleerd door J.Voerman jr van een snelweg gefotografeerd door Baart of Markerink. Eigenlijk zou je zo'n album - Onze grote rivieren bijvoorbeeld - naast dit boek moeten bekijken; de IJsselburg van Voerman naast de pagina waarop negen luchtfoto's van grote knooppunten staan afgedrukt, de fly-overs, klaverbladen en spaghettislingers. De biotoop van 1936 tegen de biotoop van 1996. Het kan haast niet anders: daar groeit een nieuw soort Nederlanders op.

Wat voor soort? Dat is een vraag voor gogen en logen die in dit boek niet aan het woord komen. De tekst geeft de feiten, de lezer heeft zijn verbeeldingskracht. Langs de Groningse kanalen heb je de oude lintbebouwing; langs de snelweg ontstaan de nieuwe linten. Op de weg wordt behalve gereden veel stilgestaan maar niet minder geleefd: getelefoneerd, koffie gezet, krant gelezen, gekeken naar ongelukken in andere files, verliefd geworden op mensen in andere files. Het snelste oogcontact is al in 1867 beschreven door Piet Paaltjens in zijn gedicht Rika. Het voltrekt zich tussen twee mensen die in elkaar passerende treinen zitten. In de file duurt het langer, en rijden er twee in verschillende auto's in dezelfde richting, dan kunnen ze het rekken. Ter voortzetting van zulke ontmoetingen bestaat nu een bureau: Eye Contact Dating. Ook langs de weg staat het leven niet stil: daar wordt gebouwd, gehandeld, gegeten, geslapen, gesekst, gevochten en beroofd. Op de weg komen tenslotte al jaren omstreeks anderhalf duizend mensen en twee miljoen vogels aan hun eind. Aan dit alles hebben we kennelijk leren wennen. Is het dan overdreven te zeggen, dat de Nederlanders binnen hun nauwe grenzen rijdenderwijs bezig zijn, een ander volk te worden?

En tegelijkertijd: hoe Nederlands zijn we gebleven. Jack Kerouac vertelt dat hij in één zomer twee keer van de Amerikaanse oostkust naar de westkust rijdt, en drie keer in tegenovergestelde richting. Dat is alleen al in afstand gemeten de halve aarde om (laat staan wat er te zien is en wat je onderweg meemaakt). In zijn On the Road komt een kort gesprek voor dat ik, om het verschil tussen de naties te accentueren, onvertaald laat. 'We gotta go and never stop going till we get there.' Where we going, man?' 'I don't know but we gotta go.'

Om in Nederland de helft van de aardomtrek af te leggen moet je 32 keer van Cadzand naar Delfzijl en terug rijden. Dit alleen al maakt het onwaarschijnlijk dat in de Nederlandse literatuur ooit zo'n soort dialoog zal worden geschreven. Onze revolutie van rustiek naar mobiel voltrekt zich op 33.000 vierkante kilometer.

Snelweg/Highways in the Netherlands is een boek om te lezen, zorgvuldig te bekijken en om dan lang na te denken over wat er met dit land gebeurt. Het wordt anders, maar ingeblikt verliest het zijn aard niet.