Een lesje mensenkennis voor de goden; Euripides' tragedie Ion bij Het Nationale Toneel

Apollo heeft het beste voor met de Atheners: hij verkracht koningin Kreöesa, zodat de kinderloze vorstin toch een zoon, Ion, krijgt en een opvolgingsoorlog uit kan blijven. Maar de god heeft een blinde vlek: het menselijk hart. “Wat Apollo in principe heel kunstig heeft georganiseerd, kan plotseling in een bloedige tragedie verkeren.” Morgen gaat Euripides' Ion in première bij het Nationale Toneel, in de regie van Ger Thijs.

Ion. Koninklijke Schouwburg, Den Haag, 30 nov. t/m 31 dec. Daarna tournee t/m 31 jan. 1997.

Ion van Euripides is om te beginnen het verhaal van de weesjongen die zijn moeder terugvindt in een van de mooiste herkenningsscènes die er geschreven zijn. Tijdens deze scène zal de jonge man, Ion, gaan begrijpen dat zijn vader de god Apollo zelf is, en dat die bovendien niet anders genoemd kan worden dan een verkrachter. Ion heeft dezelfde Apollo altijd vol vrome eerbied gediend; dat Apollo van nu af aan geen goede god meer is, maar zeker ook een misselijkmakend ongevoelige, dat te beseffen maakt van de jongen Ion een man. Hij wint gedurende dit stuk hetzelfde inzicht dat Euripides zijn publiek tragedie na tragedie heeft trachten in te prenten: de voorzienigheid is goed noch slecht. De goden doen wat zij willen, en weten niet wat wij doormaken. Tweeduizend jaar na de eerste tragedies zou Pascal het tragische in een sindsdien bijna platgeciteerde formule vangen: 'De mens is een riet, maar hij is een denkend riet'. Wij worden ons van het noodlottige bewust, dat is onze grootheid, maar ook het begin van angst, bezetenheid en ellende.

De eigenlijke, zij het onzichtbare hoofdpersoon van Ion is dan ook Apollo. Hij heeft met het volk van Athene een duidelijk plan voor ogen. Het koningshuis aldaar dreigt namelijk uit te sterven. Wat dat betrof was Ion voor de Atheners van de vijfde eeuw een lesje vaderlandse geschiedenis. Eens dreigde een afschuwelijke opvolgingsoorlog omdat koningin Kreöesa geen kinderen kon krijgen. Gelukkig had Apollo haar in haar jeugd verkracht, zodat ze op zeker moment, twintig jaar later, tegen een jonge man kon zeggen: dit is hem. Het kind uit mijn schoot, degene die de toekomst van het huis Erechtheus, en dus van Athene veiligstelt.

Met deze Apollo-lijn wordt iets verteld over de verhouding tussen de alles voorbeschikkende goden en de naarstige stervelingen. Aan de loop der dingen kunnen wij mensen niets veranderen, zegt Euripides. Maar we kunnen, domweg omdat we dit beseffen - wat zeggen wil: aan gedachten en dus ook aan hartstochten onderhevig zijn - de boel wel in de war sturen. Zozeer zelfs dat de goden moeten ingrijpen, wil hun onwrikbaar plannetje toch doorgang vinden.

Die menselijke gedachten en hartstochten zijn in de eerste plaats onbeheersbaar en destructief. Ze maken dat wat Apollo in principe heel kunstig heeft georganiseerd, plotseling in een bloedige tragedie zou kunnen verkeren. Want dat Apollo iets gunstigs met de mensen voor heeft, en streeft naar een verzoening tussen alle personages, dat is het curieuze, ontragische aan dit stuk. In de Medea, of de Bacchanten, of Iphigeneia in Aulis, is de afloop zoals de goden die in petto hebben, veel grimmiger voor de mensen: oorlog, zelfmoord, de dood van een dochter.

Moederwanhoop

Wat Euripides over Apollo beweert is intussen iets anders dan wat bijvoorbeeld het Oude Testament over God beweert. Daar zijn Zijn wegen uiteindelijk ondoorgrondelijk. Als wij ze ontstellend vinden, dan begrijpen we iets (nog) niet van Hem. Bij Euripides is Apollo's plan, voor het publiek althans, juist volstrekt doorgrondelijk. Apollo zal, vertelt Hermes meteen al in de proloog, het geslacht Erechtheus redden, en daartoe heeft hij, lang voor het stuk begon, hoogstpersoonlijk de koningin verkracht. Natuurlijk moest het kind daarna te vondeling gelegd worden; natuurlijk zal dat enig verdriet veroorzaken, en ook wat moederwanhoop. Maar uiteindelijk heeft Apollo het allemaal zo geplooid dat het kind zijn moeder hervindt. Alleen - wat Apollo zich, omdat hij een onsterfelijke god is, niet realiseert is dat mensen vreemd en irrationeel reageren op het onafwendbare. Zo ook moeder Kreöesa. Zij zal op zeker moment zelfs haar zoon willen vermoorden, niet wetend dat hij haar zoon is.

Het komt er op neer dat de onsterfelijke god niet begrijpt wat sterfelijkheid inhoudt voor een mens. Hij begrijpt niet wat tijd is; dat mensen door hun besef van tijdelijkheid en eindigheid mensen zijn, en dus: potentiële bezetenen.

Bij Euripides is een god daarom iemand die alles kan, overal een oplossing voor heeft, elke wending in het verhaal kan voorzien - maar die tegelijkertijd iets vitaals niet begrijpt. Hij is een soort ingenieur van de Atheense geschiedenis, een macher, een orakelende Programmeur, met één blinde vlek: voor het menselijk hart. Daar rekent hij, althans in dit stuk, buiten. Zo beschouwd is Ion een soort duel tussen twee jaloerse scheppers, of beter: tussen een schepper (de god van de Plot, Apollo) en een zelfbewuste, maar melancholieke toneelschrijver (de kenner van het menselijk hart en dus van de haat, Euripides zelf). De schrijver doet al schrijvende zijn uiterste best om Apollo te verslaan op het punt waarop die analfabeet is - de inleving. Euripides gaat zó ver in het wanhopig, en vervolgens verdrietig, en tenslotte haatdragend maken van zijn personages, dat hij het Apollo onmogelijk maakt om niet in te grijpen. Het is alsof Euripides zegt: okay, als dit de onwrikbare afloop is die jullie goden met ons voor hebben, zorg er dan zelf voor dat het zo afloopt, want ik laat jullie zien hoe mensen reageren op dit gesol met alles wat hen dierbaar is. Er is, zullen jullie merken, zelfs iets dat belangrijker is dan jullie plannetjes, en dat is hun eigen leven. Misschien wisten jullie het nog niet, maar als je ze maar gek genoeg maakt, dan nemen mensen het heft in eigen handen, en dan is er helemaal geen goddelijke afloop meer.

Toevallige duif

Dusdoende dwingt Euripides Apollo tot ingrijpen in zijn eigen verhaal - tot een allercharmantst wondertje dat nauwelijks naam mag hebben, een toevallig neerstrijkende duif die er op het laatste moment in slaagt de moordaanslag te verijdelen. Toevalliger, terloopser kan het niet, en je voelt aan alles dat Apollo dit niet doet omdat hij het beste met de mensen voor heeft, maar eigenlijk alleen uit gekwetste ijdelheid. Euripides, kun je ook zeggen, laat hem winnen, omdat hij natuurlijk ook wel begrijpt dat hij zelf maar een schrijver is, en de voorzienigheid ook over hem het laatste woord zal hebben.

Intussen heeft Euripides gedemonstreerd dat hij op het punt van de inleving de winnaar is; dat hij iets begrijpt wat Apollo niet begrijpt. Het eerste wat de god, lang voor het stuk begonnen is, niet heeft begrepen, is hoe het voor een meisje is om verkracht te worden; het kind vervolgens geheim te moeten houden en het ten slotte, op straffe van uitstoting door een wraakzuchtige vader, te vondeling te moeten leggen.

Het kan wel zijn dat de goden, die tezamen de voorzienigheid vormen, dit zo willen omdat het au fond de enige manier is om Athene te laten voortbestaan (al krijg je de indruk dat het vooral de leukste en de geilste manier is), maar Euripides zal ze een lesje mensenkennis leren. Want als een moeder gedwongen wordt een baby weg te maken (daar komt het in Ion hoe dan ook op neer), dan zal die baby, in de vorm van dwanggedachten, oprispingen van zelfhaat en nachtmerries terug blijven keren in het leven van diezelfde moeder.

Dit is irrationeel en, gezien de oppermachtigheid van de goden, zeldzaam improductief, en toch, lijkt Euripides in zijn stukken telkens weer opnieuw te zeggen, is dit onvermogen van mensen om hun doden los te laten precies datgene wat hen tot mensen maakt; wat het bewusteloze, Pascalse riet aan het denken zet. Dit geldt voor degenen die zelf doden (niet zelden daartoe aangezet door de goden zelf), en het geldt voor degenen die doden te betreuren hebben. Ze zijn tezamen verwikkeld in een soort strafloop van rouw en doodsverlangen, van herinneren en een moorddadige streep zetten onder de herinnering. Het hart verandert in een evenwijdig tegenverhaal, met eigen wendingen en eigen gebeurtenissen. Wat het werk van de goden is wordt door de kracht van de rouw mensenwerk. Er ontstaat een werkelijkheid waar de goden naast staan, maar waar wij, dankzij Euripides weet van krijgen. Voortdurend beseffen we, juist omdat we het plan van de goden van meet af aan kennen, dat wat we zien niet anders kan gaan dan zoals de goden het met hun plot willen - maar wij willen niet als de goden zijn die onverschillig toezien.

We willen het meemaken, zelfs al betekent dit dat we daardoor aantoonbaar zwakker zijn, en dommer, dan de goden. En door het mee te maken, maken we onszelf mee. Wat we kunnen navoelen van de (tijdelijke) moorddadigheid van Kreöesa of, even later van Ion, voelen we van onszelf na. Dat is het geheimzinnige van drama. We leven ons uiteindelijk in onszelf in zonder 'het' echt mee te maken. We leren onszelf in potentie kennen.

Datgene meemaken wat de god niet van binnenuit kent, en wat hij wel kan ontketenen, maar niet beheersen - het is een magische manier om onder het onleefbare idee uit te komen dat alles is voorbeschikt. De gedachte dat niets iets uitmaakt omdat alles nu eenmaal zo is als de voorzienigheid het wil, moet en zal verdreven worden, desnoods met het ensceneren van ellende groter dan je is toebedeeld. Er moet ergens een ervaring op te doen zijn die maakt dat we het gevoel hebben dat we 'het' echt zelf, als enigen, meemaken. Zonder deze lust, of: neiging tot het tegenverhaal zou het tragisch bewustzijn niet bestaan.

Tong uitsteken

Dit zal Apollo nooit begrijpen - als het hem al interesseert. De lange tong die Euripides naar hem uitsteekt laat een god vermoedelijk koud. Hij heeft eens het mooiste meisje van Athene soldaat gemaakt en daar kwam een zoontje van. Natuurlijk heeft hij dat zoontje gered - zonder daarover nog iets tegen de vertwijfelde moeder te zeggen, die sindsdien heeft moeten leven met de herinnering aan een daad die zij moest verrichten zonder het ooit te kunnen. Net als een lange tong is ook meisjesvertwijfeling hooguit iets curieus voor een Olympiër. En verder zullen die stervelingen het over twintig jaar wel merken, als het kind is opgegroeid - dat alles op zijn pootjes terecht komt.

Kreöesa, de schuldige, kinderloze moeder zal in de voorstelling die Het Nationale toneel van Ion maakt worden gespeeld door Anne-Wil Blankers. Het is deze rol die je boven alles na lezing van het stuk wilt zien: het is het hart van Kreöesa die je wilt leren kennen. Zij lijkt je eenzelfde raadsel op te geven als andere grote vrouwenfiguren van Euripides: Medea en Hecuba bijvoorbeeld. Zij zijn de vrucht van een en dezelfde fascinatie voor oudere, uit de belangstellingssfeer van mannen vallende vrouwen die te maken krijgen met een verdriet zo uitzinnig dat het in haat verkeert, en hen hun eigen kind of kinderen doet opofferen aan de emotie die ze overmant.

In die zin is Ion, ondanks de montere plot die Apollo voor iedereen op het toneel in petto heeft, vrijwel een tragedie. Kreöesa heeft, als het stuk begint, de leeftijd van de onvruchtbaarheid bereikt. Ze is, sinds ze haar zoontje lang geleden te vondeling heeft gelegd, getrouwd, maar dit huwelijk met Xoetis is kinderloos gebleven. Ze weet uiteraard niet dat haar kind door Apollo is gered. Maar hoe ironisch, Apollo-achtig onze blik ook is, het zal moeilijk zijn om niet meegesleept te worden door Kreöesa's bitterheid en machteloze gevoelens van verlatenheid wanneer zij, dankzij een wending in de plot, ontdekt dat haar man wél een kind blijkt te bezitten, terwijl het haar zelf steeds duidelijker wordt dat zij er zelf nooit meer een zal baren.

Wat Euripides hier demonstreert is veel meer dan alleen hoe kunstig hij met toeval en ironische verwikkelingen kan spelen. In feite laat hij van het menselijk hart iets zien wat hij (speciaal aan Ion) ook van Apollo heeft laten zien: dat het door en door ambivalent is. Zoals Apollo voor Ion aanvankelijk een goede god is die niet veel later de eertijdse verkrachter van zijn moeder blijkt te zijn, zo kan het verdriet van Kreöesa, over haar lang geleden te vondeling gelegde kind, verkeren in het niet te onderdrukken verlangen om een jonge man van de leeftijd van haar eigen kind te doden. Zij denkt namelijk dat Ion de zoon van haar echtgenoot is. Dat die wél en zij nooit meer, een ouder kan worden, tovert haar twintigjarige, met schuld belaste rouw om tot een explosie van wraakzucht. Het liefste, of wat daar sprekend op lijkt: een jongen van wie ze zou kunnen denken 'hij is mijn kind', moet dood.

Moordzucht

En dat is het raadsel dat Kreöesa opgeeft. Hoe kan het zijn dat verdriet en moordzucht zo dicht tegen elkaar liggen. Wat is dat voor kracht die van rouw, via schuld, haat maakt? Van slachtoffers daders? Van getroffenen wrekers?

Bij Euripides heet het kwaad niet het kwaad, niet op onze christelijke wijze althans, hoe ontzaggelijk veel hij er ook over te vertellen heeft gehad, over de spiraal van angst, haat en wraak, die mensen transformeert in beesten, zoals letterlijk op het eind van de Hebuca, waarin de hoofdpersoon van verdriet en haat een hond wordt. Het woord 'kwaad' zou hem misschien te enkelvoudig zijn, al te zeer dat wat het goede in zijn tegendeel doet omslaan, terwijl wat hij, ook aan Kreöesa, demonstreert is dat het mensenhart in essentie ambivalent is. Dat wat een dode in leven houdt, de herinnering, is wat een mens ook tot doden aanzet, geheugen en wraakzucht zijn de bolle en de holle zijde van eenzelfde lens waarmee we het leven ervaren.

Het is een hard en ongemakkelijk besef. Een lief en nogal broos iemand met wie we medelijden hebben, en die sinds heugenis een verlies heeft te verhapstukken waarvoor we haar zouden willen troosten, - deze zelfde Kreöesa is de tweezijdigheid in eigen persoon. Ze maakt iets onbegrijpelijks navoelbaar: ze wordt voor onze ogen een moordenares in spe. Dat gaat niet zomaar; er zijn anderen, koorleden en een stokerige dienaar (in de hertaling van regisseur Ger Thijs: een dienares) voor nodig om Kreöesa op te zwepen om de uitvoerster te worden van haar haat.

Maar hoe meeslepend deze gedaanteverwisseling ook is georkestreerd - nooit vergeet je dat de metamorfose is begonnen op het moment dat Kreöesa door een speling van het lot zeker meende te weten dat haar echtgenoot wél zou krijgen wat zij zo deerlijk heeft gemist, en altijd geheim heeft gehouden: een kind. Het begint met iets wat wij twee en een half millennium later nog altijd heel goed kennen - met het verschil tussen man en vrouw, dat zo dikwijls uiteindelijk daarin is gelegen dat een vrouw na een zekere leeftijd definitief geen kinderen meer zal kunnen krijgen en haar man nog minstens een half mensenleven lang nog wél. Euripides heeft beslist niet willen beweren dat dit wrede verschil tussen man en vrouw van kinderloze vrouwen die eens een ongewenst kind hebben laten wegmaken noodzakelijkerwijs moordenaressen maakt. Hij was geen moralist, maar wel iemand die levendig besefte dat een leven kunnen leiden zonder haatgevoelens, wraakzucht of moordneigingen boven alles een kwestie van toeval is. Ook in Ion schikt Euripides de omstandigheden zó dat de altijd aanwezige, potentiële destructiekant van Kreöesa's hart bloot komt te liggen. En het minste dat hij van je lijkt te vragen is om eerbied te hebben voor de krachten die in mensen opgesloten zitten, en ze nooit te ontkennen of te vergeten. Ion wordt door regisseur Ger Thijs van Het Nationale Toneel een romance genoemd, een juiste benaming, omdat het stuk onmiskenbaar doet denken aan de laatste, moeilijk te categoriseren drama's van Shakespeare. Het lastigst te vangen, ook wanneer je het leest, is de toon van het stuk, de grimmige lichtvoetigheid, die evenveel respect heeft voor de ironische distantie van de goden, die deze complicaties toch maar ontketend hebben - en waarom? - als voor de koppigheid van het menselijk gemoed, dat zich maar blijft vastklampen aan zijn doden. De god zorgt voor het elegante wonder en de toneelschrijver vervolgens voor de meesterlijke herkenningsscène die de gang naar de schouwburg rechtvaardigt. Die scène levert het beeld op dat Kreöesa alleen al bij eerste lezing onuitwisbaar maakt: het beeld van een kinderloze vrouw van over de veertig, die naar het mandje staart waarin ze eens haar baby te vondeling heeft gelegd. Volgens de filosoof Cornelis Verhoeven worden mensen alleen getroost wanneer hun verdriet verbonden wordt met een nog groter verdriet, en zelfs het 'oerverdriet'. Dat moet het geheim van dit beeld zijn - het relativeert dat wat droevig maakt niet, maar plaatst het in een zee van droefenis. Met al zijn ingenieurlijke vindingrijkheid zal Apollo nooit begrijpen waarom een beeld als dit ons stervelingen raakt. In een epiloog zorgt hij zelfs tòch nog voor nieuw nageslacht voor Kreöesa en haar man, maar met menslievendheid heeft dat natuurlijk niets te maken. Nooit zal Apollo begrijpen dat Euripides met deze romance eigenlijk een klacht heeft geschreven. Als de goden met hun onverschillige, waardenvrije toeval, zelfs van Kreöesa een wraakzuchtige kunnen maken - dan rest er geen andere troost dan elkaar te helpen beseffen hoe onverschillig dat onverschillige noodlot is. Dat leert althans Ion - en raadselachtigerwijs maakt dit besef, hoe pijnlijk ook, de hoofdpersoon niet kleiner dan toen hij nog niet wist hoe tragisch alles kan zijn.

    • W.J. Otten