Drie romans van Kinky Friedman; Voorliefde voor cabareteske erudiete humor

Kinky Friedman: The Love Song of J. Edgar Hoover. Simon & Schuster, 238 blz. ƒ48,30

Moordtijd in de Village. Vert. Herman Mock. De Harmonie, 233 blz. ƒ29,90

Elvis, Jezus & Coca-Cola. Vert. Herman Mock. De Harmonie, 211 blz. ƒ29,90

De Amerikaanse literatuur wemelt van oudsher van schrijvers die uit hun eigen boeken lijken te zijn weggelopen. Edgar Allan Poe was een gedoemde neuroot die letterlijk in de goot eindigde. William Faulkner mat zich na zijn eerste successen de levensstijl aan van een Southern gentleman. Norman Mailer poseerde in het dagelijks leven als een op seks beluste geweldenaar. En de Brat Pack-schrijvers uit de jaren tachtig waren - net als hun grote voorbeeld F. Scott Fitzgerald - verslaafd aan het snelle leven uit hun boeken.

De nieuwste exponent van deze traditie is Richard 'Kinky' Friedman (1944), een Texaans-joodse country & westernzanger die zich eind jaren tachtig ontpopte als schrijver van humoristische private eye-romans. Als geen ander doet Friedman zijn best om zijn publieke persoonlijkheid te laten samenvallen met de onconventionele ik-figuur van zijn boeken. En omgekeerd.

In een interview met Vrij Nederland, ter gelegenheid van het deze zomer in het Nederlands vertaalde Elvis, Jezus & Coca-Cola vertelde hij voornamelijk sterke verhalen over zichzelf en onderstreepte hij dat er geen verschil is tussen de schrijver Kinky, de zanger Kinky (die een maand geleden nog in de Amsterdamse Melkweg optrad met zijn Texas Jewboys) en de Kinky uit zijn boeken. 'Dat is juist mijn charme.'

De hoofdpersoon van Friedmans negen romans is privédetective en bewoont een appartement in de Newyorkse wijk Greenwich Village; dat laatste is het enige dat hem onderscheidt van zijn schepper, die volgens de achterflap van zijn romans in een stacaravan in Texas samenleeft met onder meer een gordeldier. Kinky Friedman, bijgenaamd The Kinkster, rookt negen dikke Cubaanse sigaren per dag, drinkt evenveel espresso als Ierse whisky, en is onafscheidelijk van zijn naamloze kat en zijn zwarte stetson. Hij is een grappenmaker die in zijn oneliners en innerlijke monologen bij voorkeur aanschopt tegen zere benen en heilige huisjes. Politiek incorrect was hij al voordat het woord werd uitgevonden: in de jaren zeventig maakte hij furore met liedjes als 'Get Your Biscuits In The Oven And Your Buns In Bed' en 'They Don't Make Jews Like Jesus Anymore.'

'Je moet weten dat ik nogal intuïtief en onorthodox te werk ga', zegt de joviale amateur-detective in zijn laatste roman tegen een van zijn cliënten; 'a sort of country-and-western Miss Jane Marple approach'. In een typisch Kinky Friedman-avontuur lijkt de hoofdpersoon aanvankelijk meer kwaad dan goed te doen; even zelfverzekerd als onbegrijpend stuntelt hij rond terwijl de body count oploopt, slechts weinigen in zijn omgeving te vertrouwen blijken en hijzelf doelwit wordt van intimidatie en moordaanslagen. In Elvis, Jezus & Coca-Cola (in het Engels verschenen in 1993) draait de intrige om een verdwenen documentaire over Elvis-imitatoren. De film is gemaakt door één van Kinky's oude vrienden, met wiens overlijden het boek begint. Als Kinky op verzoek van de vader van de overledene de documentaire probeert op te sporen, raakt hij verstrikt in een mafiazaak, waarvan uiteindelijk een van zijn vriendinnen het middelpunt blijkt.

Kinky's kringetje van excentrieke vrienden - zware rokers en drinkers die allemaal graag liefhebberen in de detectiverij - is wel vaker het beginpunt van murder mysteries. Zo wordt in het onlangs vertaalde Moordtijd in de Village (Greenwich Killing Time, 1992) zijn alcoholische Iers-Indiaanse vriend Mike McGovern verdacht van seriemoord, en moet in Friedmans laatste roman (The Love Song of J. Edgar Hoover) dezelfde McGovern beschermd worden tegen de FBI, die achter het verdwenen fortuin van Al Capone aanzit.

De favoriete misdaadauteur van de romanfiguur Kinky Friedman is Sir Arthur Conan Doyle; de voortdurend geciteeerde avonturen van Sherlock Holmes en Dr. Watson ziet hij als basiskennis voor iedere privédetective. Maar de schrijver Kinky Friedman heeft meer opgestoken van hardgekookte thrillerauteurs als Dashiel Hammett en Raymond Chandler. Net als bij hen zijn bij Friedman de plots ondergeschikt, soms zelfs weinig helder; het zal de gemiddelde lezer moeite kosten om ze te doorgronden, en al helemaal om ze te onthouden. Wie een Kinky Friedman-roman uit heeft, verdenkt de schrijver er soms van dat hij verstrikt is geraakt in zijn eigen spinsels, ongeveer zoals Hammett, die ooit verklaarde dat hij de intrige van zijn eigen Maltese Falcon niet meer kon ontwarren. Verhalende logica en consequentie hoef je in de romans van Kinky Friedman niet te zoeken; de schrijver is een Mark Twain-achtige humorist die zich ongetwijfeld kan vinden in het motto van Huckleberry Finn: 'Persons attempting to find a motive in this narrative will be prosecuted; persons attempting to find a moral in it will be banished; persons attempting to find a plot in it will be shot.' Het gaat in de eerste plaats om de beschrijvingen, de grappen en de absurdistische overpeinzingen van de hoofdpersoon. In het New York van Kinky Friedman sneeuwt het niet, maar dwarrelen de sneeuwvlokkken neer 'als vertraagde tranen van een uitgeputte beschermengel'. Twijfelaars worden er vermaand met de woorden dat je 'niet veel langer [kunt] blijven watertrappen in de Rubicon'; querulanten worden tot zwijgen gebracht met een blik 'die een bloem tussen de bladzijden van een dichtbundel van Keats had kunnen doen verwelken'.

The Kinkster heeft een voorliefde voor cabareteske, erudiete humor. Wie niet kan grinniken om de T.S.Eliot-verwijzing in de titel van zijn laatste roman, The Love Song of J. Edgar Hoover, behoort niet tot Friedmans gedroomde lezerspubliek. Lewis Carroll, Emily Dickinson, Bob Dylan: allemaal worden ze geciteerd, geparodieerd en belachelijk gemaakt door Kinky's scherpe tong. En als een seriemoordenaar dreigbrieven zonder hoofdletters schrijft, dan is een grap over e.e. cummings als hoofdverdachte niet ver weg. Wat niet wil zeggen dat Friedman de melige, laag-bij-de-grondse humor schuwt. Sommige van zijn scatologische en bewust politiek incorrecte grappen zijn, om een van zijn eigen vergelijkingen te citeren, 'platter dan je jongste zusje'.

Het gemiddelde Kinky Friedman-mysterie streeft naar een grap per pagina. De lach kan verstopt zitten in een woordspeling ('If you're going to kill two birds, you might as well get stoned'), in een aardige metafoor ('een stem zo dik als het vuil op het raampje van een metrotrein'), of in één van Kinky's kenmerkende omkeringen ('De bankbediende droomt ervan om een miljoen te verduisteren en naar Costa Rica te verhuizen. De gemiddelde Costaricaan droomt ervan om te verhuizen naar Akron, Ohio en bankbediende te worden'). Het is het spel met de taal dat Kinky Friedman zijn charme geeft - en dat zou kunnen verklaren waarom zijn boeken, hoe inventief ze ook vertaald zijn, in het Nederlands zoveel minder indruk maken dan in het Amerikaans.

Af en toe heeft Kinky Friedman meer weg van een stand-up comedian dan van een privédetective. De voornaamste attractie van zijn avonturen is hij zelf, een cynische stripfiguur die maar wat aanrotzooit en excelleert in ongeliktheid. 'We houden van een goede misdaadroman omdat hij een oplossing biedt, iets wat je van het leven niet kunt zeggen', beweert Kinky aan het slot van The Love Song of J. Edgar Hoover. Hij heeft deels ongelijk: van zijn mysteries houden we juist omdat ze zonder zin of doel zijn, omdat ze alle ruimte geven aan het voornaamste personage: Kinky Friedman, de erfgenaam van Sam Spade én Inspecteur Clouseau.