Bundel over de invloed van film; Chucky de pop had het gedaan

Karl French (ed): Screen Violence, an anthology. Bloomsbury, 248 blz. ƒ 33,50

Eind vorig jaar hing de 14-jarige Imtiaz Ahmed zich op aan een boom in zijn woonplaats Stoke-on-Trent. De jongen verwachtte te reïncarneren als Lion King uit de tekenfilm van Disney, zo bleek uit zijn afscheidsbrief. Of zijn ouders de video maar in zijn graf wilden leggen.

Wat als deze tiener zich had laten inspireren door Deathmetal-muziek of een horrorfilm? De Britse filmcriticus Alexander Walker vermoedt dat tabloids en conservatieve backbenchers dan wekenlang hadden geloeid om censuur. Maar dit geval werd genegeerd. Disney mag in Groot-Brittannië de jeugd dus gewoon blijven aanzetten tot zelfmoord.

De kinderziel, daar draait het om in Screen Violence, een bloemlezing van naoorlogse artikelen over filmgeweld uit de Angelsaksische pers. Hoeveel filmbloed kan de kinderziel verdragen? Leidt filmgeweld tot echt geweld? Worden films steeds gewelddadiger? Het debat wordt in de Verenigde Staten enGroot-Brittannië al jaren met grote passie gevoerd, want tegenover het bedreigde kind staat de vrijheid van meningsuiting. Alexander Walker vermoedt dat voor de censuur-lobby de kinderziel vooral een alibi vormt om volwassenen voor te schrijven wat ze mogen zien. In zijn ogen zijn filmcensors net als al die andere prohibitionisten: mensen die nerveus worden bij de gedachte dat iemand ergens lol heeft.

In Groot-Brittannië voorziet de filmkeuring films en video's niet alleen van leeftijdsgrenzen; veel films komen nooit in roulatie. Het valt daarbij op dat plat routine-geweld op minder bezwaren stuit dan artistieke films als Clockwork Orange of Henry, portrait of a serial killer. Als het publiek bij het verlaten van de bioscoop maar weet dat misdaad niet loont, staat de keuring veel toe. Maar juist kunst kent vaak geen moraal. 'Ik geloof dat kijkers niet verontrust raken door Natural Born Killers omdat het geweld aanmoedigt, maar omdat het geen garantie biedt tegen geweld. Het kwaad blijft onbestraft; we weten zelfs niet wie het kwaad in de film vertegenwoordigt', schrijft horrorauteur Poppy Z. Brite.

In Groot-Brittannië leeft het debat over filmgeweld periodiek op, meestal na een onverklaarbare gruweldaad. Een voorbeeld is de zaak-Bulgar. Twee jongens martelden de peuter Jamie Bulgar dood en gooiden zijn lijkje voor een trein. De natie was perplex. Gelukkig hadden hun ouders in het verleden Child Play III gehuurd. Dat is een nogal saaie horrorfilm over Chucky, een pop met de ziel van een seriemoordenaar. Behalve de filmtitel, een huiveringwekkende metafoor voor wat zich tussen de drie kinderen afspeelde, verwijst niets in Child Play III naar de moord. Maar voor de tabloids was de zaak gesloten: Chucky had het gedaan, niet twee gewone Britse jongens.

Dat filmgeweld tot verruwing of imitatie leidt, is voor activisten en schrijvers als Mary Whitehouse, Michael Medved en thriller-auteur John Grisham een geloofsartikel. Zij eisen dat filmmakers 'hun verantwoordelijkheid onder ogen zien' en zichzelf censureren: het leven imiteert immers de kunst. Camille Paglia, de antichrist van het feminisme, vermoedt juist dat filmgeweld nuttige kanten heeft. Zij meent te weten dat 'gewelddadige karakters' geen voorbeeld nodig hebben: zonder films heeft de mensheid er in het verleden ook aardig op los weten te moorden. Volgens Paglia werkt filmgeweld als katharsis, als symbolische ontlading van diepe, bloeddorstige instincten. Christenen die deze neiging tot sadomasochistisch voyeurisme veroordelen, moeten eens nadenken wat ze doen als ze mediteren over Jezus aan het kruis, aldus Paglia.

Het is overigens zeer de vraag of films 'steeds gewelddadiger' worden. In Screen Violence zijn enkele essays gewijd aan de geschiedenis van het moderne filmgeweld. De geweldsexplosie werd ingeleid door Warren Beatty, die aan het eind van Bonny and Clyde (1967) als ledenpop een danse macabre uitvoert op het ritme van tientallen inslaande mitrailleurkogels. Een tweede hoogtepunt was het bloedballet tussen een machinegeweer en tweehonderd Mexicanen in The Wild Bunch van Sam Peckinpah (1969). Het geweld in horror- en actiefilms zwol aan, tot begin jaren tachtig een toppunt van rauw realisme was bereikt.

Wat daarna volgde, beschrijft Nigel Andrews in zijn artikel Muscle Wars. In de late jaren tachtig, het tijdperk van Stallone, Schwarzenegger en Van Damme, kreeg filmgeweld een cartoon-achtige, absurdistische ondertoon. De geestige one-liners tijdens het moorden ('Hasta la vista, baby') de lachwekkend hoge bodycounts, de groteske wapens, de opgepompte spieren: behalve voor geestelijk gehandicapten is de Pump Fiction van de jaren tachtig vooral camp. Het publiek wordt voortdurend uitgenodigd om buiten de film te gaan staan, de zaak niet geheel serieus te nemen. Dit is een onvermijdelijke ontwikkeling, aldus Andrews: extreem geweld slaat uiteindelijk om in slapstick.

Screen Violence biedt een zeer leesbaar overzicht van het Angelsaksische debat over filmgeweld, met onderwerpen die uiteenlopen van de technologie van kogelwonden tot het fascisme van Clint Eastwood. Alle partijen komen aan het woord, maar de sympathie van de samenstellers slaat door naar de ijveraars voor de vrijheid van meningsuiting, zo lijkt het. De vraag of filmgeweld tot nabootsing uitnodigt of juist gewelddadige impulsen onderdrukt, wordt niet beantwoordt, evenmin als in de duizenden studies die psychologen eerder aan dit onderwerp hebben gewijd.

De wetenschap kan zijn energie ook maar beter richten op de vraag wat kijkers nu precies zoeken in filmgeweld. Die vraag wordt nu beantwoordt door schrijvers als Poppy Z. Brite en Wil Self. Self bekent tussen zijn gespreide vingers door naar een scene in de film Casino te hebben gekeken waarin een menselijk hoofd gekraakt wordt in een bankschroef. Dat is in de film zelf niet echt te zien, maar wel op het kleine projectiescherm in zijn hoofd. Daar spelen zich de gruwelijkste films af, meent Self. Die conclusie bereikt ook journaliste Nicci Gerrard nadat ze haar kind in slaap heeft gesust dat laat op de avond de huiskamer binnenstommelt, gewekt door zijn eigen nachtmerries. Gerrard hoopt dan maar dat hij 'droomt van paarden in groene velden en honden in biezen mandjes en blauwe luchten en al die andere kinderachtige dingen die fantasieloze volwassenen toeschrijven aan de woeste en duistere verbeelding van kinderen'. Maar geloven doet ze het niet.

'Filmgeweld dwingt kijkers hun eigen conclusies te trekken over dood, pijn en de bloederige soep waaruit we bestaan', denkt Poppy Z. Brite. 'Zij die zeggen dat geweld geen poëzie bevat, willen het niet zien. Maar dat geeft niet. De poezië missen ze, het geweld zal hen uiteindelijk altijd vinden.'