Alle mislukkingen moeten rijmen

Het ideale Sinterklaasvers is een slecht gedichtSinterklaas lijdt al jaren onder de concurrentie van de Kerstman. Pleitbezorgers van de Sint gooien het Sinterklaasgedicht in de strijd: wat is er mooier dan een heel land dat zich één keer per jaar aan het dichten overgeeft. Daar zitten echter ook nadelen aan. “In de praktijk heeft het Sinterklaasvers weinig met scheppingsdrang te maken - veel meer met calvinistisch zondebesef en zuinige benepenheid.”

Het gaat niet goed met Sinterklaas, zo viel in 1991 in de krant te lezen. Uit enquêtes was gebleken dat nog maar 51 procent van de Nederlanders Sinterklaas vierde. De overige 49 procent deed niks, of had zich bekeerd tot de Kerstman. Als er niet snel hulp geboden werd, dan zou de Sint onder de 50 procent gaan zakken - en dan zou het snel met hem zijn gedaan, dat was wel duidelijk. Nicolaas Matsier zette in 1992 een reddingsplan in met een serie stukjes op de Achterpagina van deze krant. Een jaar later werd de Stichting Nationaal Sint-Nicolaas Comité in het leven geroepen. In 1994 werd voor het eerst een Kerstman de stad uitgezet: in Assen, door de plaatselijke politie. Tevens werd er toen, onder auspiciën van het Sint-Nicolaas Genootschap Nederland, begonnen met een tweedaagse cursus waar men het vak van Sint en Piet kon leren: 38 deelnemers. In 1995 wijdde het Amsterdams Historisch Museum een tentoonstelling aan de goedheiligman en zijn feest.

Ik ontleen deze gegevens aan het eveneens vorig jaar verschenen pamflet Was Sinterklaas Maar Een Gracht. Daarin bracht Nicolaas Matsier de argumenten van de Sinterklaaslobbyisten nog eens samen. Zijn betoog mondde uit in de krachtige leus: 'De Kerstman weg uit Nederland. Te beginnen in De Bijenkorf.' De verdediging van het Sinterklaasgevoel ging samen met een krachtige aanval op de Kerstman. Tegenover het Sinterklaasfeest met zijn rijke traditie van grappen, gedichten, liederen en surprises werd de 'zouteloze, smakeloze, patserige, puur commercieel geïnspireerde import' van het Kerstfeest gesteld, gesymboliseerd door een 'roodgroene lul', luisterend naar de naam Santa Claus.

Gaat de Sint het redden? Eerlijk gezegd lijkt het me een hopeloze zaak, en wel vanaf het moment waarop de Kerstman werd toegelaten, ergens in de jaren zeventig of tachtig. Daarmee haalde men een figuur binnen die in wel erg veel opzichten op Sinterklaas leek, om niet te zeggen: zowat diens dubbelganger was. Ook hij bracht cadeaus, ook hij gebruikte een gedateerd vervoermiddel en ook hij bediende zich van uiterst ongeloofwaardige bezorgtechnieken. Daarnaast had ook hij zijn eigen liederen en attributen en ging ook hij gehuld in een vreemd gewaad. En verder had hij de omstandigheden mee. Na de ontkerkelijking was er onder de kerstboom, dan wel naast de kerststal, een vacuüm ontstaan dat erom vroeg gevuld te worden. Wat lag er meer voor de hand dan dat een semi-heilige met sneeuwattributen deze lege plek zou gaan innemen? Op dit punt zou de Sinterklaaslobby de hand iets meer in eigen boezem mogen steken. Want het is duidelijk dat men de zaak te lang heeft laten sloffen. Men had de ongewenste vreemdeling eerder het land moeten uitzetten, of de Sint veel eerder naar het kerstvacuüm moeten doorschuiven. Nu is het vermoedelijk al te laat. We zitten nu met twee halfslachtige, veel op elkaar lijkende geschenkfeesten binnen drie weken, en dat kan natuurlijk nooit goed gaan. Een van de twee zal het loodje leggen, en alles wijst erop dat het de Sint zal zijn.

Opzichtig rijm

Als dat zo is, dan zal dat ook het einde betekenen van een van de merkwaardigste genres uit de Nederlandse poëzie: het Sinterklaasvers. Want de Kerstman dicht niet. Die legt zijn pakjes gewoon onder de boom. Uit een oogpunt van marktstrategie is het dan ook te begrijpen dat de Sinterklaaslobby zich breed maakt voor het Sinterklaasvers en tegelijk graag wijst op het ondichterlijke karakter van de Kerstman. Zie de volgende idylle, beschreven door Matsier. Oergezellige huiskamer, pakjesavond, ergens halverwege de jaren vijftig: 'Maar essentieel was de prettige marteling van het gedicht dat eerst voorgelezen moest worden, en goed ook, zo nodig zelfs twee keer als het vers ernstig te lijden had gehad onder zijn recitatie; de vriendelijke spot die onlosmakelijk aan de poëzie verbonden was, het vaak (-) geheimzinnig zinspelende karakter ervan; (-) de bewondering, vaak, voor een terloops of juist opzichtig rijm.' Wat weet Kerst te stellen tegenover zoveel toewijding, aandacht, lezing en herlezing? Oppervlakkigheid en gemakzucht, volgens Matsier, gesymboliseerd in de yup, meer in het bijzonder de kerstyup. 'Kerst is het feest aan het worden van de mensen met geld te veel en tijd te weinig. Het feest van de niet-dichtende managers; het inspanningsloze feest.' Hier zien wij zowaar twee nieuwe christelijke geboden opduiken. Eerste gebod: gij zult niet feesten zonder inspanning. (Eerste vraag: waarom eigenlijk niet?) Tweede gebod: gij zult dichten. (Tweede vraag: wat is erger, een dichtende of een niet-dichtende manager?)

Liefhebbers van Sinterklaas mijmeren graag weg bij de gedachte dat een heel land zich één keer per jaar onder een gedeeld pseudoniem ('De Sint') en vanuit een fictieve standplaats ('Madrid, 5 december') massaal overgeeft aan het schrijven van gedichten. Het is een mooie gedachte, die het collectieve zelfgevoel kan strelen, maar in de praktijk heeft het Sinterklaasvers weinig met scheppingsdrang te maken - veel meer met calvinistisch zondebesef en zuinige benepenheid. Niet alleen de lusten, maar ook de lasten: dat is de gedachte erachter. De ontvanger krijgt iets moois, maar moet van te voren wel eerst in het openbaar een tekst voorlezen waarin zijn onhebbelijkheden worden bespot.

De gever mag eindelijk zijn grieven uitspreken, en nog wel anoniem, maar hij krijgt deze vrijbrief niet voor niets: na een jaar opzouten moet hij zijn hart luchten in een moeilijk genre, dat hij bovendien maar één maal per jaar beoefent: dat van het rijmende gedicht.

Zeker zullen er op pakjesavond wel eens prachtige rijmen worden uitgewisseld, vol van vriendelijke spot en met een geheimzinnig zinspelend karakter. Maar er is weinig voor nodig om tegenover Matsiers idylle een hele waslijst van Sinterklaaspijnlijkheden te stellen. Naast het armoedige cliché-gedicht en het kwetsende gedicht is er bijvoorbeeld het kunstig geschreven, maar door een slechte voordracht volkomen vernachelde gedicht. Het cabareteske gedicht waarvan de clou niet begrepen wordt, zodat de ontvanger na nog wat schouderophalen maar aan het uitpakken slaat. Het gedicht dat grappig bedoeld is, maar het niet blijkt te zijn. Het gedeeltelijk onleesbare gedicht. Het gedicht waar niemand meer naar luistert.

Met poëzie heeft het gemiddelde Sinterklaasvers intussen niets van doen. Bij mijn weten is er nog nooit één klassiek geworden. Bloemlezingen met de honderd beste Sinterklaasgedichten: nooit gezien. Dichters nemen soms volstrekt particuliere gelegenheidsgedichten in hun bundels op, maar nooit een Sint Nicolaas-vers. Ze schrijven ze wel. Een van onze moeilijkste dichters, Gerrit Kouwenaar, heeft in het begin van de jaren vijftig wel eens opgetreden als sneldichter in de Bijenkorf. Hij was er naar eigen zeggen vrij handig in. Hij zat in een tentje met een baldakijn, inspecteerde het cadeau, stelde wat persoonlijke vragen, trok het gordijntje dicht en was na enkele minuten klaar met een keurig rijmend vers op, bijvoorbeeld, de pantoffels voor Jan. Geen van deze snelverzen is opgenomen in zijn verzamelde gedichten.

a Dat zal wel komen omdat het ideale Sinterklaasvers geen goed gedicht is. Het moet aan onmogelijke voorwaarden voldoen. Het moet hardop voorgelezen worden, in lastige omstandigheden, vaak voor een divers publiek, door iemand die het vers nooit eerder heeft gelezen. En dan moet het ook nog tegelijk algemeen-grappig, persoonlijk-stekelig en raadselachtig zijn, en liefst voorzien van een knallend slot. In de praktijk komt dat meestal neer op veel stoplappen en grove effecten, en in het beste geval op veel loze vulling rond drie rake regels en een aardig idee.

Over het allerergste hebben we het dan nog niet eens gehad: het Sinterklaasgedicht moet ook nog rijmen. Waarom dat zo is weet niemand, maar het moet. En het veroorzaakt veel leed. Het rijm is het wezen van het Sinterklaasvers - tevens het wezen van alle mislukkingen. De oerscène van de Sinterklaasdichter: naast een stapel ingepakte cadeaus zit iemand hologig te staren naar een kladblok waarop één regel: 'De Sint zat weer eens te denken'. Rijmen (niet te verwarren met dichten) is een kunst. Men kan het, of men kan het niet. Er zijn wel boekjes en handleidingen die de indruk wekken dat het te leren is, maar die bestaan meestal uit algemene, dus onbruikbare tips die de tobbende rijmer alleen maar moedelozer maken. In het jongste nummer van Onze Taal, in een artikel met 'tips voor gelegenheidsgedichten', wordt bijvoorbeeld geadviseerd: 'Bedenk voordat u begint wat u wilt overbrengen. Kies één onderwerp en houd u daaraan.' Of, al even handig: 'Zorg voor een sterk en duidelijk herkenbaar einde.'

Leedvermaak

Wim Koesen doet het in Dichter worden in 1 uur (uitg. Scheffers, ƒ 14,90.) iets joliger en ongecompliceerder, maar zijn boekje wil dan ook 'een snelcursus voor het betere rijmwerk' zijn. Ook hij geeft handige tips: 'Durf uzelf te zijn', 'Schrijf normaal', 'Dicht voor de doelgroep'. Daarna gaat hij zelf lekker aan de slag. Hij richt zich vooral op mensen die nu eindelijk wel eens hun hart willen luchten. Zijn boek bevat heel wat voorbeelden van het geinig bedoelde leedvermaak dat ook bij Sinterklaas schijnt te horen. Een vers van papa en de kinderen 'voor onze hardwerkende mama' ziet er zo uit:

Je hebt natuurlijk groot gelijk hoor snoes je bent toch niet geschapen voor het aanrecht en veel te goed voor doperwtjes met appelmoes. Ga jij maar in je Panda op carrièrejacht met tantième en de company-drink op vrijdag op jou wordt thuis niet meer gewacht. Nee, dat klinkt rotter dan we het bedoelen maar soms denken we wel: was ze maar thuis nou ja, zoiets dus, dat soort voelen. En daarom, mocht je denken dat we mokken krijg jij van sint dit stel flitsend gebreide sokken. Men mag er, zo vermeldt Koesen meer dan eens, voor eigen gebruik gerust regels uit overnemen. 'Beter goed gejat dan slecht bedacht' is zijn motto. Dan kan men maar beter meteen zijn toevlucht nemen tot de Prisma-pocket Kant-en-klare Sinterklaasgedichten (uitg. Het Spectrum, ƒ 14,90) van Ron en Wim Schröder. Hierin vindt men, alfabetisch gerangschikt, enkele honderden cadeau-artikelen met een bijpassend gedicht: van de douchemuts tot de uitdeukset, van de gezichtsbruiner tot de spanningzoeker en van de eierkoker tot en met de bloeddrukmeter. Het zijn allemaal vriendelijke verzen, voor het grootste deel volgens de raadselrijmmethode. Zo schenkt men een nietmachine:

het is geen gras- en ook geen keuken- het is geen wind- en ook geen naai- het is geen boor- en ook geen bagger- en het is beslist geen maai- het is geen schuur- en ook geen reken- het is geen snij- en ook geen broed- het is geen schrijf- en ook geen teken- maar als je niet- zegt is het goed Er is zelfs een kant en klaar gedicht voor wie een rijmwoordenboek wil geven en er desondanks zelf niet uitkomt.

Het hoogtepunt van deze bundel wordt gevormd door de afdeling 'Strooigoed': veertig volmaakt indifferente verzen, bruikbaar voor ieder pakje. Hier heeft het Sinterklaasvers zijn ijlste hoogten bereikt, losgezongen als het is van elke aanleiding. Het is de treurigheid ten top, maar toch gaat er een grote ontroering en troost uit van deze volstrekt anonieme gedichten: alsof er nooit meer getobd hoeft te worden, alsof het Sinterklaasfeest nu voor altijd en voorgoed voorbij is - en zo is het goed. Zie het volgende onthechte vers, voor een pakje waarvan de Sint zelf ook al niet meer weet wat er in zit:

eigenlijk is sint vergeten wat er in dit pakje zit en hij zat zich af te vragen is het dat of is het dit als het dit is zul je blij zijn want een dit dat is pas wat en wanneer het toch geen dit is is het vast en zeker dat

    • Guus Middag